Zeg je catechismus eens op!
1976-09-24
Ditmaal iets over één van de meest hete hangijzers van de catechisatie: het van buiten leren en opzeggen van een catechismuszondag.- Jaargang 20
- nummer 37
De jongelui zeggen: "Hè, wat stom!". En. wij catecheten zitten met de handen in het haar.
Vroeger, dat wil zeggen vóór het Spoetnik-tijdperk, was dat anders, Toen was het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld, dat je je catechismus leerde en opzei. En bij het onderzoek voor de kerkenraad ging de predikant de grote kring drie of viermaal rond met zijn vragen en dan lepelde je op wat je van buiten geleerd had. Dat is wat oneerbiedig gezegd, want je meende het ook. En de vorm was vaak de heerlijke "ik"-vorm van de catechismus. De herinnering aan die oude praktijk zal daarom bij ouderen een zeker heimwee oproepen. Ze kennen nog altijd veel catechismus-antwoorden van buiten en weten uit ervaring hoe rijk het is om Gods waarheid op elk gewenst moment via deze vaset woordverbindingen in .het blikveld terug te kunnen roepen. Ze ervaren het als een verarming als hun kinderen en kleinkinderen dit niet meer meekrijgen. Wellicht herinneren ze zich met zorg het woord van God gesproken door Hosea: Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis (Hosea 4 : 6).
Hiertegen rijst dan het ernstige protest van de kant van hen die {meer dan naar een uit het hoofd leren van definities) streven naar het bijbrengen van inzichten een waarlijk godvrezende houding en een daadwerkelijke, liefdevolle aandacht voor de naaste en zijn noden. Zulk en zullen zeggen: De Here God vraagt geen boekenkennis, maar een werkelijke omgang met Hem en een daadwerkelijke gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Dan volgt een scherpe veroordeling van het intellectualisme, waaraan we hebben geleden.
Intellectualisme
We zullen moeten erkennen dat dit kwaad velen als kanker in de botten geslagen is. Ongemerkt gingen ze leven,a:lsof het wel goed is voor de Here als we de belijdenis uit ons hoofd kennen, de kerkorde houden en de algemeen erkende Gereformeerde uitgangspunten voor sociaal en politiek handelen accepteren. In dat geval zijn we ware christenen en samen ware kerken. Uiteraard overtrekken we nu het beeld van deze ziekte. Velen waren er in mindere mate door aangetast.
Maar het kan niet ontkend worden dat het intellectualisme heel veel slachtoffers heeft gemaakt. Verheerlijking van de theologie en van het hoge intellect (of wat ervoor werd aangezien) en kerkelijke heldenverering waren de symptomen van de kwaal.
Een gewaarschuwd man geldt voor twee.
Daarom mag, als wij de kinderen gaan onderwijzen in Gods Woord, de brief van Christus aan de gemeente van Efeze {Openb. 2 : 1-7) ons wel scherp voor ogen staan. Daarin verrijst voor onze ogen het beeld van een gekelderde belijdeniskerk. De "kwaden" (Nicolanieten, valse apostelen) werden er zonder pardon uitgeworpen. Elk compromis werd afgewezen.
Maar tegelijk werd de eerste liefde verzaakt. Dat is dan de verintellectualiseerde gemeente, die bedreigd wordt met wegname van de kandelaar! Het gaat blijkbaar om een gevaar van eerste orde (de eerste brief!). Ik mag m'n collega's van vroeger een moment in herinnering roepen uit de colleges van prof. Holwerda in zijn laatste tijd.
Hij stelde het geval dat ergens een vrijgemaakte kerk was,die de belijdenis perfect handhaafde, maar zichzelf beet en opat, zodat jarenlang het avondmaal niet kon worden gevierd, Zijn indringende vraag was: "Waar is dan de ware kerk?". Toen één van ons de moed had te antwoorden: "Dat is die vrijgemaakte kerk", antwoordde hij vernietigend: "Nee meneer, die kerk is helemaal geen ware kerk meer". Dat lis het: van de hoogte gevallen! Als wij het bestaan om de liefde (nota bene: DE LIEFDE) in mindering brengen op de belijdenis, zijn we niet 'anders dan schallend koper of een rinkelende cymbaal (1 Kor. 13). Wie de liefde aftrekt van de belijdenis blijft zitten met een gereformeerd skelet.
En dat is de meest afschuwelijke gruwel die er op aarde is. De Here God moge ons ervoor bewaren. Doel van de catechese is niet: knappe kindertjes maken, die de waarheid (!) perfect kunnen opdreunen. Wat was het een rijke zondag wen bij ons een debiele broeder belijdenis deed. Hij kon de naam van Paulus maar niet onthouden.
Maar als we vroegen: "Heb je de Here Jezus lief Alle", dan straalde zijn gezicht als hij zei: "Ja dominee". En hij bewees metterdaad dat hij dat meende".
Dit intellectualisme is niet alleen binnengeslopen in de kerk. Het had veel velden van onderwijs doortrokken. Men zag de mens teveel als intellectueel wezen en de kennis die moest worden bijgebracht als verstandskennis. Hiertegen rees de laatste tijd verzet.
Men kreeg er oog voor de de mens veel meer is dan een vat vol kennis.
Functies als handvaardigheid, kunstzin, de gave met mensen te kunnen omgaan e.d. kregen veel meer aandacht. Toen begon ook het karakter van het onderwijs te veranderen.
Moesten de jongelui vroeger lange rijtjes uit het hoofd leren (Duits: Das Ambt, das Bad, das Band, das Bild, das Blatt uzw.) en 'lange rijen jaartallen en aardrijkskundenamen (Hoogezand, Sappemeer, Zuidbroek enz.), de nieuwere methoden beperken zich wat betreft het uit het hoofd leren tot het meest noodzakelijke. Voor de rest, zo zei men, is het voldoende als wij de jongelui leren 'Omgaan met een atlas, een encyclopedie, een handboek. Veel meer dan vroeger gaat het tegenwoordig in het onderwijs om het aanbrengen van inzicht in de samen!hang van de dingen, om het bijbrengen van vaardigheden, die in staat stellen zelfstandig problemen op te lossen, om het aankweken van wat men noemt "attitudes" (de goede houding en instelling t.o.v. mensen of zaken).
Daarbij komt dan de toenemende aandacht voor de handvaardigheidsvakken en artistieke bezigheden. De puur docerende methode wordt steeds meer vervangen door een meer individualiserende en activerende.
Dat wil zeggen, dat de leerlingen op alle mogelijke manieren zelf aan het werk werden gezet. Dat is - globaal genomen en grofweg aangeduid - de ontwikkeling geweest van het onderwijs dat onze kinderen ontvangen. Tegen deze achtergrond wordt het begrijpelijk dat de jongelui bij het binnenstappen van het catechisatielokaal de indruk krijgen terecht te komen in de oude tijd. Met als gevolg de reactie: "Catechismus opzeggen? Wat dom!"
Vier methoden
Ik ben de overtuiging toegedaan dat we niet zo onder de indruk moeten zijn van dit protest. Wel zit er naar mijn mening veel goeds in de nieuwere methoden. We zullen dat m.i. kunnen overnemen. Maar voor we daaraan in een volgend artikel toekomen, is het goed nog even iets meer exact de verschillende methoden te noemen, die in de loop der jaren werden ontwikkeld. Dr R. Bijlsma noemt er in zijn "Kleine Catechetiek" vier:
a) de associatieve methode, ontwikkeld door de geniale Johann Friedrich Herbart (gest, 1841). Hij zei: de respectievelijke voorstellingen worden bij de mens opgeroepen door vaste woordverbindingen. Hij voerde het pleit voor het gebruiken van steeds dezelfde definities en formules. Het is duidelijk, dat men hem hierom kon noemen de theoreticus van de oude catechetische methode: letterlijk leren en opzeggen. Eén van Luthers tijdgenoten, Althamer.
heeft die het meest kras onder woonden gebracht. Hij wilde dat de kinderen de catechismus leerden nazeggen "zoals het dal en een bos een echo doen horen". Bijlsma merkt op, dat de kinderen hier min of meer rot papegaaien worden gedegradeerd.
b) de activerende methode. Daarbij valt dan de naam van Dewey.
Hij stierf (let op het jaartal) in 1952. Met hem komen wij dus in onze eigen tijd. Dewey was er een voorstander van de leerdingen zelf aan het werk te zetten. In een volgend artikel zal een poging worden gewaagd, 'aan te geven hoe dit principe vruchtbaar kan worden gemaakt voor de catechese, terwijl toch het karakter ervan (spreken namens God), bewaard blijft, Nu reeds willen we bij dit punt de naam van Decroly noemen, die ervoor pleit de leerstof te groeperen rond de interessecentra van de leerling, Ook hierop komen we terug.
c) de denk-psychologische methode van Kohnstamm, Hierbij valt het accent op het aanbrengen van inzicht. Het gaat er niet om, dat de ongelui allerlei wijsheden uit hun hoofd leren, maar dat ze die begrijpen en in zich opnemen en met hun hele existentie aanvaarden.
Ze zullen dan in staat zijn de aangeboden kennis met hun eigen woorden weer te geven. De catechisatiemethoden die dit principe volgen geven lesjes die de "stof" zo duidelijk mogelijk uiteenzetten.
d) de ontmoetingsmethode. Deze methode verwerpt de monoloog en de docerende methode. Het gesprek moet ervoor in de plaats komen. Bedoeld wondt dan het gesprek tussen docent en leerding en tussen leerlingen onderling, terwijl wisseling van docent wordt aanbevolen. Onwillekeurig denken we aan de besproken methode van ds Theo Barnard, waarbij de Schriftlezing en bespreking gevolgd worden door groepsgesprek en het optreden van een rabbi en een vertegenwoordiger van Amnesty International. In dit vierde geval gaat het om het aangroeien van de kennis van onder op.
Een woord van dr o. Noordmans
We moeten afbreken. We doen dat met het volgende treffende citaat van de bekende dr O. Noordmans uit zijn boek "Het Koninkrijk der Hemelen": "De Heidelbergse Catechismus werd opgesteld om als leerboek voor de jeugd te dienen. Vandaar ook de indeling in vragen en antwoorden; een methode van onderwijs, die vroeger, meer dan thans, in gebruik was. Daarbij kwam het er op aan om van de beloften van het Evangelie, van de geboden der goddelijke wet en van de gebeden, die Christus ons geleerd heeft, korte en duidelijke bepalingen te geven die de leerling zich eigen kon maken door ze van buiten te leven.
In de nieuwere tijd kreeg men bezwaar tegen zulk een leerwijze; zowel tegen scherpe definities als tegen het van buiten leren: vooral bij het godsdienstonderwijs. Men schreef liever lesjes, waarin de onderwerpen werden beredeneerd. De leerling moest dan in zijn eigen woorden de inhoud leren weergeven en daarmee tonen dat hij het zich had toegeëigend. Ofschoon ik erken dat aan de catechetische leerwijze gevaren verbonden zijn, heb ik er toch altijd bezwaar tegen gebald er radicaal mee te breken. Althans wanneer dit zou betelkenen dat daarmee ook het geven van vaste formuleringen door de leermeester en het van buiten leren door de leerling in de ban zouden worden gedaan. Nog minder kan, ik er veel voor voelen als men, volgens één der laatste methoden, de godsdienstige onderwerpen aan groepjes leerlingen in discussie geeft, Olm dan zo, van onderen op, tot begrip van de zaak te komen. Dit lijkt mij in strijd met het wezen der opvoeding; 'vooral der godsdienstige opvoeding" (pg. 7/8).