Is rijm overtollig?
1976-09-24
Bij de gedichten van Hans Bouma in ons nummer van 17-9 noemden we het ontbreken van rijm een zeker bezwaar. En beloofden, daar eens op terug te zullen komen.- Jaargang 20
- nummer 37
Elke gelegenheidsdichter (in de eerste dagen van december zitten ze met honderdduizenden op hun potlood te bijten) weet dat rijmen de ergste moeilijkheid van dichten is. Zijn de rijmwoorden gevonden, dan komt de zorg dat de coupletten evenveel lettergrepen krijgen, dat de accenten redelijk vaste plaatsen krijgen, en tenslotte: dat er gezegd is wat er gezegd moest worden. In deze volgorde - die eigenlijk een omgekeerde volgorde is. Want een dichter spreekt pas, wanneer hij van binnen uit móet:
Ik ben geen zoon der lauwe westerstranden.
Mijn vaderland is waar de zon ontwaakt
en als de goed der Lybiaanse zanden
zo is de dorst naar dichtkunst, die mij blaakt.
En zo voorts, Zo dichtte een onzer vaderlandse dichters, van oostelijk komaf. Hij brandde van binnen. Hij moest de vlammen uitspuwen, wilde hij er niet aan te gronde gaan. En de vlammen kwamen in strakke kwatrijnen, 'in jambische strofen, met afgemeten rijmwoorden, in volle, rijke dicht-maar. Veel gelegenheidsdichters hebben zich zo aan de rijmwoorden verslingerd dat de hoofdzaken van wat een gedicht een gedicht maakt verwaarloosd werden. Of, indien ze erg slim waren, maakten ze van hun nood een deugd, van hun verlegenheid een oplossing. Bijvoorbeeld het oud-Duitse
Hans Sachs war Schuhmacher
und Poet dazu
Of de klacht van het dienstmeisje:
Mijn tranen stromen als lava,
nu gij, geliefde cava-
lerist mij weer verlaat...
Hier hebt u het originele kreupelrijm. De Nederlandse dichter Van der Linden dichtte een zot vers:
Een storm, moet u weten, begint doorgaans met een stilte
en ik had in mijn jeugd een kleinzoon, die in April te
Buiksloot wezen moest; 'k vergis me, 't was te Curaçao,
een plaatsje, dat ge in Buiksloot wellicht niet vinden zou.
Enz.
De psalmberijmers van twee eeuwen geleden hebben zichzelf bepaalde eisen opgelegd inzake het aanvaardbare rijm. Bijvoorbeeld een woord met ei mocht niet rijmen op een ij-woord. Maar 'oorelogen' mocht wel. Ook zij waren gelegenheidsdichters, namelijk ter gelegenheid van een door de kerken gewenste en door de staat uitgevoerde nieuwe psalmberijming.
Wat is rijm eigenlijk? En wat is zijn plaats in het totale patroon van een gedicht? Als praktisch alle moderne gedichten ongerijmd klinken, is het rijm dan onmisbaar of ook... overtollig?
Bij een gedicht treft u, net als bij muziek, zowel rijm als maat als ritme aan. Deze drie zijn wel te onderscheiden - niet te scheiden. Het ritme is de continue ondergrond van de zegging, van de muziekstroom. Het metrum is de regel-maar, de deling, de beheersing van die onderstroom.
Het rijm accentueert het metrum en geeft de vertrouwde stations op de weg van het begin tot het eind.
Is het nu wel zo belangrijk, dat op elke verwachte plaats een rijmwoord het mijlpaaltje aangeeft? Is de weg voor een ervaren rijder niet meer dan het lezen van alle verkeersborden?
Misschien. Toch geloof ik, dat rijm geen overtolligheid is. De klassieke dichters in de westerse talen hebben alle eeuwen door de noodzaak van het rijm aanvaard; zich bewust en volgaarne aan deze wettelijke orde gehouden. Zij beschouwden het rijm a:~lerminst als een bijkomstigheid, eerder als de tol, die voor goed dichterschap moet worden betaald.
Rijm schijnt dan ook wel de exponent, het kenteken van het ritme te zijn. Rijm en ritme betekenen van huis uit hetzelfde, komen uit dezelfde keuken. Het woord rijm (in het Frans rime) komt uit het Grieks-Latijnse rhythmus en zou dus een Nederlandse vertaling van ritme mogen worden genoemd. Ziedaar de eerste overeenkomst tussen beide woorden. En ritme is zo belangrijk bij de musische kunsten, dat de musicoloog uit de vorige eeuw, Hans von Bülow, het bestond om te zeggen: Im Anfange war der Rhytmus, Hij wilde zeggen: zodra het ritme bestond begon de schepping. Daar is nog al iets tegen in te brengen door de Bijbellezer. Toch - wanneer de natuurkundigen al een halve eeuw geleden hebben vastgesteld dat vaste stoffen, vloeistoffen en gassen slechts bestaan uit zonnestelsels van staande trillingen (en wat is ritme anders dan staande trillingen) dan hoeven we nog slechts naar de TI1i1lhngsbron te zoeken en we zijn bij de inzet van Johannes' evangelie beland.
Maar rijm heeft meer dan de stam rhythmus. Het woord rijm houdt ook, via de Keltische talen, verband met dm, dat is getal. U zult zeggen: getal? wat heeft dat er nu mee te maken? Het heeft voor vijftig procent met de inhoud van rijm te maken.
In zekere zin hangt alles inde schepping samen met getallen. Sommigen (u denke aan de joodse geheimleer, die kabbala wordt genoemd) maken daar een godsdienst van: van de geheimzinnige samenhang der cijfers.
Maar ook voor de gelovige geeft de Bijbel ons tal van waarden, die in cijfers zijn uitgedrukt. We kennen zeven als het heilige getal; zes als het getal der mensheid: drie als het getal der Godheid. We zien de vijf vingers aan onze hand, de tien van beide handen samen - en hebben het decimale stelsel ontdekt. Anderen gaan uit van 12 (misschien vanwege de 12 stammen van Israël? vanwege het cijfer in de Openbaringen) en hebben de grootste moeite, in ons decimale stelsel te denken. Zo heeft elk cijfer zijn betekenis; kan als symbool gebruikt worden. We kennen uitdrukkingen als "toen haar dagen vervuld waren"; of ook: ",de maat is vol", en "alles met mate", of "voltallig".
Wat is een maat, in de musische kunsten? De maat is een vaste eenheid van lettergrepen (of noten), waarbij het accent op de eerste van deze groep vak Elke nieuwe maat begint met een accent. Zo lang een maat niet vol is, komt er geen accent. De maat moet zijn getal hebben. Nog een enkel voorbeeld, uit de jagerswereld. Bij het uitleggen van het tableau, het uitstallen, tellen en eren van het geoogste wild, is het gebruikelijk, soort bij soort te leggen. En nu wordt van elke vijf konijnen, van elke vijf fazanten, van elke vijf duiven de eerste een koplengte voor de anderen uit gelegd, Het is niet alleen een zaak van tellen; niet alleen een zaak van orde - het wordt een gedicht, een rijmdicht, een compositie, onderworpen aan orde en maat, regelmaat.
Genoeg hierover. Rijm heeft dus te maken met ritme en met getal. De bruisende stroom, die het gedicht, de muziek, beheerst, wordt aan de geest van de dichter onderworpen door middel van het metrum; uitgestald door middel van het rijm. Dat geeft overzicht, inzicht, rust, orde, evenwicht, deel van schoonheid.
Wordt het rijm weggelaten, dan wordt een essentieel onderdeel van de dichtvorm losgelaten. Van de vorm - nog niet van de inhoud. Wanneer de dichter gegrepen is door zijn onderwerp, worstelt om het aan zich te onderwerpen, het te Fatsoeneren, te modelleren, te vormen in zijn eigen zegging - dan is het mogelijk dat hij zich niet aan de rijmvorm houdt en toch een waardevol gedicht levert. Zoals de ervaren schilder, denk maar aan Picasso, op de duur zijn mérier zodanig verstaat, dat hij de realiteit voorbijstreeft, en aan het irreële gestalte geeft. Sterker: het irreële reëel maakt, aanvaardhaar maakt. Zodat ook een zogenaamd non-figuratief schilderij, een werk dus waarop geen herkenbare gegevens voorkomen, een volkomen kunstzinnig genoegen, een artistieke resonans, kan oproepen.
Maar nu omgekeerd. Kan ieder non-figuratief schilderij nu ook een kunstwerk worden genoemd? Nee; met verf klodderen kan iedereen, maar een artistieke ontroering bewerkstelligen kan alleen de kunstenaar.
Zo ook met de dichter. De ervaren en volwassen dichter kan zich veroorloven, zaken als rijm weg te laten; en toch dichter te blijven. Maar ieder, die rijmloos verzen schrijft is natuurlijk geen dichter.
We kwamen op dit onderwerp door de rijmloze gebeden van Hans Bouma. Ieder kan proberen een aantal telegramwoorden zonder hoofdletters onder elkaar te zetten. Maar de zin er in leggen, de woorden als uitingen van een overtuiging, van geloof, van zekerheid, van beleving als u wilt... op papier te schrijven, dat doet alleen een dichter. En van tijd tot tijd verraadt de dichter zich onbewust: door een refrein, door een variant, door een climax, door een sluiting.
Het spelen met woorden, het geven van een tweede inhoud aan een reeks lettergroeperingen, verraadt de woordkunstenaar. Want ook een dichter, een schrijver, is een kunstenaar. Iemand, die gedachten - welke de moeite van het doorgeven waard zijn - verdicht, in rebus of in geheimtaal, op een verhoogde toon of gestileerd, aan anderen meegeeft. Maar op welke wijze hij ook dicht of schrijft; in welk metrum hij zijn taal ook vergiet; of hij rijmwoorden weet of zoekt, of vindt of vervangt... hij zit niet vast op de vorm. Hij geeft een boodschap door.
En die boodschap, daar gaat het om. Is de boodschap goed - dan mag hij ongerijmd, onberijmd, zijn.