De egoïstische ethiek en het christelijk gebod der naastenliefde
1976-09-24
Gaarne maak ik van deze gelegenheid gebruik te reageren op de kritiek, die ik naar aanleiding van mijn eerder in dit blad gepubliceerde artikelen over de egoïstische ethiek heb mogen ontvangen.- Jaargang 20
- nummer 37
De kritiek komt in hoofdzaak neer op het verwijt, dat ik in het verhaal over de egoïstische ethiek de "duivel" (het socialisme) met behulp van "Beëlzebub" (het liberalisme) heb willen uitdrijven. De egoïstische ethiek zou ook niet te rijmen zijn. met het chr. gebod de naaste lief te hebben ais zichzelf; betreffende ethieken genoemd gebod zouden elkaar voIledig uitsluiten. Ik bestrijd dit en wel, op de volgende gronden.
Vooreerst merk ik op, dat uit fonetisch oogpunt de term egoïstische ethiek niet gelukkig gekozen is. De term alleen al roept bij vele mensen weerstand op, naar gebleken is. Velen schijnen het opkomen' voor eigen belangen iets te vinden, dat uit ethisch of, zo U wilt, schriftuurlijk oogpunt negatief moet worden beoordeeld, I!k begrijp dat met de beste wil ter wereld niet. Ik zie niet, dat de Heilige Schrift het opkomen voor eigen belangen verbiedt. Ik lees dat tenminste nergens in de Bijbel.
Mensen doen naar mijn men~ ng in hun leven voor een groot deel niet anders dan opkomen voor de eigen belangen (hetgeen ik dus niet veroordeel).' Er moet in "leer'" of leven dan wel iets grondig mis zitten, indien "leer'' en leven elkaar hier zouden uitsluiten.
Het kan naar mijn mening niet, dat er permanent een grote geloof is tussen ,,leer" en Ieven.
Er zit, dacht ik, aan de kant van de "leer'' iets fout. Opkomen voor eigen belangen is nl. geen laakbare zaak; het wordt pas dan een Iaakbare zaak, indien wij bij de behartiging van de eigen belangen de belangen van de ander buiten beschouwing laten; op de belangen van de ander niet letten.
Letten op de belangen van de ander houdt echter naar mijn mening niet in, dat U uw eigen bel, anderen niet goed zou mogen behartigen.
In de egoïstische ethiek wordt er echter van uitgegaan, dat ik de ander niet anders mag behandelen dan Ikzelf behandeld zou willen worden, indien ik in de schoenen van de ander zou staan, Iemand, die uitgaat van de egoïstische ethiek is bepaald niet iemand, die zelfzuchtig is of over lijken gaat. Hij gaat wit van, zijn eigen belang en dient daarbij te letten op de belangen van de ander. In het economisch leven doen we niet anders dan uitgaan van de egoïstische ethiek, alle ontkenning ten spijt, Wij trachten het economisch leven eigen belangen veilig te stellen en moeten anderen daarvoor ter behartiging van hun belangen een prijs betalen. Met de prijsvorming worden de belangen van mensen gewogen en wordt vastgesteld hoe de voor- en nadelen van de ruil tussen koper en verkoper worden verdeeld.
Hierbij gaat een ieder uit van zijn eigen belangen; hoe kan het ook anders. Een ieder kent zijn eigen belangen het beste en kan ze ook het beste wegen. Niemand anders kan dat bevredigend voor hem doen. Hij lette bij de weging intussen wel op doebelangen van de ander. Overigens doet de ander dat ook al. Nogmaals: dit veroordeelt bij mijn weten de Heiige Schrift nergens.
Het schijnt diep in de mensen te zitten, dat opkomen voor eigen belangen iets is, dat zeer laakbaar is. Vreemd eigenlijk. Minder vreemd is, dat aas gevolg van de hier geconstrueerde tegenstelling tussen "leer" en leven de mensen niet alleen anderen, maar ook zichzelf bedriegen.
Het gedrag van mensen moet dan ook wel huichelachtig worden.
Iets wat niet mag en niettemin toch permanent op grote schaal wordt gedaan, moet tot frustraties aanleiding geven; moet van de mensen gespleten persoonlijkheden maken. Iets wat niet mag dient eenvoudig te worden nagelaten.
Het leven is echter gelukkig ook sterker dan de verkeerde leer. Ik dacht, dat het voor de mensen beter is erop te wijzen, dat de ,leer", dat opkomen voor eigen belangen egoïstisch is en juist te veroordelen is, niet deugt.
Nogmaals: egoïstisch optreden is een optreden, dat uitgaat van de eigen belangen en dat daarbij wel Let 'op de belangen van de ander.
Ik zie ook niet in, dat de egoïstische ethiek, zoals hiervoor geformuleerd, in strijd zou zijn met het chr. gebod der naastenliefde.
Ik zou dit thans zo willen formuleren, dat de egoïstische ethiek en het chr. gebod der naastenliefde we niet op één lijn, te stellen zijn, maar dat zij elkaar ook niet uitsluiten, omdat niet iedereen mijn naaste is. Ik heb mijn naaste lief te hebben als mijzelf en deze liefde gaat zeer ver. Indien iedereen mijn. naaste is, moet ik ook met iedereen zeer ver gaan. Wij doen dat niet. Wij hebben voor de één meer over dan voor de ander. Wij "discrimineren" permanent in onze menselijke relaties, Dat betekent, dat ons feitelijk gedrag gebaseerd is op de mening, dat niet iedereen onze naaste is. Is dit feitelijk gedrag permanent in strijd met een goddelijk gebod? Doen wij permanent iets wat "eigenlijk" niet mag? Dat lijkt mij op zich al een onmogelijke situatie.
Wie is dan. wel mijn naaste? Deze vraag is door een wetgeleerde ook aan Christus gesteld, waarop wij in Lucas 10 vers 29-37 Zijn antwoord aan de betreffende rabbijn vernemen. Over deze tekst is veel geschreven, ])k baseer mij, wat het commentaar op de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan betreft op een uitvoerige verhandeling hierover in het Geref. Interfacultair Tijdschrift "Lucerna" van juli 1966 (zesde jaargang no. 4) van de hand van dl' W. G. de Vries, in welk tijdschrift hierover ook bijdragen te vinden zijn van dl' J. van der Hoeven en ds. C. Trimp. De belangrijkste Bijbeluitleggers zijn. het er over eens, zo ontleen ik aan genoemd tijdschrift, dat het begrip "naaste" gebonden is aan een bepaalde plaats, aan 'n bepaalde situatie, De naaste is geen abstracte "iedereen" en niemand is de naaste van "men". Christus geeft op de vraag "Wie is mijn naaste" geen algemeen antwoord, maar vertelt de bekende gelijkenis. De naaste is in deze gelijkenis niet iedere medemens als zodanig, waarbij de gehele mensheid uit individuen zou bestaan, die als zodanig mijn naaste zijn; neen, er is altijd het element van de ontmoeting in. God plaatst hem op mijn weg. En God plaatst niet iedereen op mijn weg, blijkens de gelijkenis. De liefde in de Schrift is altijd genormeerd. Zij kan nimmer losgemaakt worden van de "normatieve structuur" van de situatie, waarin het gebod gehoorzaamd moet worden, aldus Prof. A. Troost in Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte van maart 1966, blz. 5.
Voor een gedegen uiteenzetting over het begrip naaste verwijs ik naar genoemd tijdschrift en naar de publicatie van Prof. Troost. Ik meen met bovenstaande summiere uiteenzetting ook de stelling van dr J. Meulink ontzenuwd te hebben, die inhoudt, dat de inkomensnivellering, die wij moeten voorstaan, gebaseerd moet zijn op het oor. gebod der naastenliefde. In deze stelling wordt geopereerd met een begrip naaste, dat niet door de Heilige Schrift 'Wordt gedekt. De naaste is in deze stelling de algemene "men". De Overheid heeft pas dan een taak t.a.v. de inkomensverhoudingen, indiener sprake is van chaotische inkomensverhoudingen. De Overheid is er om te zorgen, dat alles onder de mensen met goede orde toegaat. Zij heeft chaos tegen te gaan, Wat men onder chaos moet verstaan is een vraag, welks beantwoording afhangt van de levens- en wereldbeschouwing van de beantwoorder. Dat kan ook wel eens inhouden, dat zij chaotische inkomensverhoudingen moet corrigeren. Maar ook alleen in dat geval heeft de Overheid hier een taak. Overigens versla at het synthetisch denken thans zijn duizenden, ook in de kerk. Wij dienen te walken voor het synthetisch denken tussen het humanistisch beginset der medemenselijkheid en het chr. gebod der naastenliefde, waarin echte naastenliefde zonder de liefde tot God niet bestaat, evenmin als echte liefde tot God zonder de Iiefde tot de naaste. Laten wij oppassen voor genoemde synthese, waarmee mensen lasten worden opgelegd, die Christus deze niet oplegt. Uit economisch oogpunt zijn duidelijke bezwaren op te sommen tegen het streven de inkomens te nivelleren.
In het nummer van volgende week zal de heer Meulink op dit artikel reageren.