De koning is dood. Leve de Koning!

1976-10-01
  • Jaargang 20
  • nummer 38
Jesaja 6 verplaatst ons in het sterfjaar van koning Uzzia, Dat is voor Juda een jaar van spanning en onzekerheid over de toekomst.
Onder Uzzia heeft het volk lange tijd vrede gehad. En men is rijk geworden, dat wil' zeggen een deel van het volk ten koste van een ander deel. De eerste vijf hoofdstukken van het boek Jesaja geven daar een verbijsterende indruk van. Onder het mom van grote godsdienstigheid worden daden van grof onrecht bedreven (1, 10-
20). God staat er versteld van, getuige het lied van de wijngaard (5,1-7), Bij de dood van Uzzia wordt Juda's rust en "welvaart" bedreigd door de 'Opkomst van Assyrië.
Op zekere dag in dat spanningsvoile jaar bevindt Jesaja zich waarschijnlijk in de voorhof van de tempel. Wanneer hij daar in gebed of in gedachten verzonken is wijken voor zijn geestelijk oog plots de wanden van het heiligdom uiteen. De deur tot de aardse tempel blijkt eensklaps veranderd in de toegang tot het hemelse paleis van God. Jesaja ziet dan als het ware voor 'Ogen wat Salomo destijds bij, de inwijding van de tempel had gezegd: Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoe veel te min dit huis dat ik gebouwd heb. Wamt alleen al de zomen van Gods koninklijke mantel zijn genoeg om het aardse tempelgebouw geheel te vullen.
Geheimzinnige hemelwezens onderstrepen nog eens de grootheid van de machtige Koning van hemel en aarde. Met twee paar vleugels bedekken ze hun lichaam uit eerbied voor Gods majesteit. Met een derde paar vliegen of zweven ze, startklaar om te gaan en te doen naar Gods bevel. En onophoudelijk roepen ze elkaar toe: Heilig, heilig, heilig is Jahwe der legermachten, heel de aarde is van Zijn heerlijkheid vol.
De mededeling dat Gold heilig is kan vaak evenmin schokken als de uitspraak dat water nat is. Het lijkt te vanzelfsprekend om er bij stil te staan. Maar wat is heiligheid eigenlijk? Misschien is het goed eerst te zeggen wat het niét is. Het is niet de andersoortigheid van de hemelse God tegenover al het aards menselijke, Het aardse is niet per definitie onheiliger dan het hemelse. Ik bedoel dit: de eerste door God geschapen mens deed in heiligheid voor God niet onder. Hij was ,immers naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, dat wil zeggen in ware gerechtigheid en heiligheid? En God mocht van hem verwachten dat hij heilig was, zoals de HEERE, zijn God, heilig is.
De mens werd echter ónheilig door zijn opstand tegen Gods Koningsheerschappij. Juda en Jeruzalem zijn onheilig om de onrechtvaardige verdeling van de welvaart, de liefdeloze verwaarlozing van de zwakken in de samenleving, de verkrachting van Gods recht.
Zo lijkt het volk niet op God. Zo past het niet bij Hem. Maar daar laat God het niet bij. Zijn heiligheid houdt ook in Zijn onbuigzame wil om Zijn koningsheerschappij en Zijn gerechtigheid weer tot erkenning te brengen. De tégenstanden die de mens daartegenover opstelt, slaat Hij neer. Voor wie zich tegen Hem verzet is Gods heiligheid dus nauw verbonden met verterend gericht. En de gestorven Uzzia kon getuigen hoe God daarbij handelt zonder aanzien des persoons (2 Kron. 26, 16-23).
Tegelijk is het juist Gods heiligheid, die de wereld redt van de ondergang. En we mogen ons gelukkig prijzen dat Hij Zijn heiligheid trouw blijft. Dat Hij nog steeds Koning over deze wereld wil zijn. Want het mes van Gods Heiligheid snijdt naar twee kanten.
Al het zondig-menselijke wordt gebroken en uitgezuiverd, Tegelijk is het de garantie voor Gods toewijding. God zal niet ruisten voordart Zijn koningschap in al haar heerlijkheid hersteld zal zijn. God is heilig! O, engelenstem, mensentong, verheerlijkt Hem!
Dat doen de serafs. Dat doet b.v. ook de dichter van ps. 93: "De HEERE is Koning, met majesteit heeft Hij zich bekleed; de HEERE heeft zich bekleed, Hij: heeft zich met kracht omgord". Dat zal de zondige wereld weten! Waar blijft de zondaar in het licht van deze majesteit? Jesaja roept vertwijfeld uit: Wee mij, ik ga ten onder! En inderdaad, tegenover Gods heiligheid is de mens en zijn wereld niet te handhaven. Maar tegelijk is ook vol te houden, dat de mens en ·zijn wereld juist vanwege Gods majesteit overeind blijft. De dichter van ps. 93 reageert dam ook op de -, beschrijving van Gods Koningschap met een verheugd: "V ast staat nu de wereld, zij wankelt niet!" En evenzo zingen de serafs: "Heel de aarde is van Zijn heerlijkheid vol.” De heerlijkheid, de eer van God is een aarde vol mensen, die Hem volkomen zijn toegewijd. God stelt er Zijn eer in dat alles in de wereld verloopt volgens Zijn goede orde. Maar de engelen zingen dat het al zover Is! Heel de aarde Is van Gods heerlijkheid vol. Dát is sterk! Hoe is dat te rijmen met wat we lezen in de krant en zien op het tv-journaal? Maar de engelen zingen het. En - wat belangrijker is - God legt hun niet het zwijgen op. Hij zwijgt, en daarmee stemt Hij hen toe. Dus wordt hun zingen voor ons berouwbaar evangelie. Even betrouwbaar als hun zingen in de Kerstnacht: Vrede op aarde bij mensen van het welbehagen.
Maar hoe verdraagt zich dan Gods heiligheid met de zondige wereld en met Zijn zondige volk? Niet best! In de opdracht, die Jesaja aan dit visioen overhoudt schijnt Gods heiligheid dan ook volledig op te gaan in oordeel en gericht over Juda, In heilige woede 'neemt God Zijn volk zo stevig in een wurggreep dat Hij het vrijwel de laatste adem beneemt. Wanneer de inwoners van Juda zich i.v.m. de dood van Uzzia zorgen maken over de toekomst, dan laat God hen via Jesaja weten: Wil het volk nog toekomst hebben dan moet eerst nog veel, zo niet alles worden afgebroken. Zo worden het woeden van de wereld en de ongehoorzaamheid van Gods volk omklemd door de oppermacht van de HBERE. Maar deze omklemming gaat over in een omarming. Want zo lief had God de wereld, dat Hij, zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe, In Jezus Christus concentreert zich Gods heiligheid. In Hem zond God een Koning, die wel mocht èn kon wat Uzzia niet mocht: als priester optreden, als onze vertegenwoordiger in het heiligdom, dat niet door mensenhanden is gemaakt. En wanneer aan het eind van de Bijbel de engelen nog eens een Eed zingen (dan samen met de oudsten, de vertegenwoordigers van Gods volk) dan bezingen zij de Leeuw uit de stam Juda, de zoon van David èn de zoon van Uzzia. De Leeuw, die zich liet slachten als een lam. Maar daarom juist zij Hem de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid (Opb, 5, 13). Ook al sterft de koning, de Koning leeft! Dat geeft moed voor de toekomst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief