Hoop voor hopelozen
1976-10-01
n.a.v. Johnny Cash.- Jaargang 20
- nummer 38
Johnny Cash Persoonlijk, Kok, Kampen, 1976, f 12,50
U kent wellicht de naam van deze 44-jarige 'liedjeszanger, die een kleine duizend songs aan zijn publiek schonk; die voor president Nixon optrad en voor mevrouw Eisenhower; de baszanger met zijn gitaar en zijn schorre stem en zijn gevoelige liederen, vol van geloofsvertrouwen; de man" die zijn jonge leven nagenoeg vernield had met hard drugs; die zijn vrouwen kinderen, zijn auto's en zijn gezondheid, tenslotte zichzelf en zijn omgeving naar de afgrond hielp; maar die in Gods kracht en, dankzij aanhoudend gebed van zijn ouders en enkele goede vrienden van de demonische slavernij is verlost en die thans een leven als zingend evangelist leidt? Als u dat alles wist bent u goed bij; indien niet, bent u net zo onnozel als schrijver dezes drie dagen geleden was.
John Cash schreef een kleine autobiografie. Niet dat hij zichzelf zo belangrijk vond - maar hij vindt Jezus Christus wel erg belangrijk. Achteraf zal hij er wel gelukkig mee zijn, de initialen van zijn Heiland te dragen.
Het eerste wat opvalt is, dat Johnny uit een gezin kwam, waar de Heere gediend werd. Het tweede: dat er bij hen huis zo verrukkelijk veel gezongen werd. Zijn moeder zei dat hij de stem van haar vader had gekregen, Ze 'had hem als kind wel eens meegenomen naar een sectarisch gezelschap, waar het voor de 5-jarige niet best was. Maar er werden bij de samenzang gitaar, mandoline en banjo gebruikt: "wat mij betreft had de dienst alleen daaruit mogen bestaan, want daar begon ik al gevoel voor te krijgen", zegt John. Achteraf verklaart hij, na veel struikelen en vallen: "ik wist dat ik ook een mens van God zou worden en mijn omgang met God ging via de oude liederen." "Ook mijn bidden was zingen. Je hebt ontzettend goeie gezongen gebeden. Liederen waren voor mij de telefoonverbinding met de hemel en ik maakte er veel gebruik van".
Na de vroegtijdige dood van zijn religieus-gevoelig broertje Jack nam John de taak van deze toekomstige evangelist over: hij zou zijn medemensen de weg des levens gaan wijzen. Zelf was hij nog heel niet vertrouwd met die weg. Hij dacht er wel over na: "Ik heb nooit iets begrepen van de verschillen tussen alle christelijke kerken en groepen. Ik heb op al mijn reizen door de wereld geleerd, dat alleen het evangelie belangrijk is en dat je het dáárvan moet hebben. Ik geloof heus wel dat een kerk de mensen tot elkaar brengt en bijeenhoudt, maar ze moeten niet denken dat zij alleen zaligmakend zijn." "Vooral de buitenstaanders zullen daar niets van 'begrijpen. Bovendien zeggen onze daden meer over ons geloof dan onze woorden".
Merkwaardig genoeg - aan het eind van zijn boek, na zijn verhaal over zijn dreigende ondergang, zijn bekering, zijn inspanning om zijn vernielde leven over te doen en over zijn prediking aan honderdduizenden mensen, vertelt hij hoe hij (door zijn gitaar) de kerk .is binnengelokt. Hij, van baptistische afkomst, en zijn methodistische vrouw besloten lid te worden: "want je kunt altijd en overal wel ergens bezwaren tegen hebben, maar ais je er zelf buiten Blijft staan maak je je er gemakkelijk val): af. Je kunt natuurlijk overal en altijd tot God bidden en daar heb je heus geen kerk voor nodig, maar toch is het geloof iets, waar je elkaar in moet steunen, wat je samen beleeft". "Door lid te worden van een kerk beleden we heel duidelijk, dat we het niet beter wisten dan de anderen, maar er echt bij wilden horen". "Samen met al die anderen konden we nu verder groeien in het geloof. En we realiseerden ons ook, dat het niet alleen goed was voor onszelf, maar dat we ook anderen konden helpen om tot Christus te komen door ons voorbeeld."
Al op zijn twaalfde jaar had Johnny tijdens een evangelisatiesamenkomst zich spontaan voor de Heiland verklaard, "Het was geen bekering van een dronkaard of groot zondaar. Het was gewoon de overgave van een jongen, die een zekere rijpheid heeft bereikt om te beslissen". "En toen ik 27 jaar later in het openhaar voor Jezus koos, was dat de nieuwe bevestiging van wat ik op mijn twaalfde jaar al had ervaren".
Maar wat daar tussen die twee belijdenissen in ligt is niet zo'n beste episode geweest.
Door de Familiaire muzikaliteit (Johnny en zijn zus probeerden samen hun moeder al zingende over het verlies van haar zoontje heen te helpen!) was John goed vertrouwd met alle "geestelijke" liederen, zowel als met de vele populaire songs, in kerken, gezelschappen en voor radio en televisie gezongen, Hij nam ze snel over, bouwde een indrukwekkend repertoire op, verafgoodde de sterren van zijn tijd en ontwikkelde zijn eigen vermogens op schoolfeestjes, bij bruiloften en partijen. Tijdens zijn militaire diensttijd schreef hij zijn eerste nummers en werd aangemoedigd, Hij wist de weg te vinden naar de toppen van het populaire lied. Die weg liep aanvankelijk nog door de kerk: samen met vrienden zongen en speelden ze enkele nummers, waaronder Johnny's lied Belsazar.
Daar kwamen andere nummers bij: Folsom Prison, dat betrekking heeft op het gevangenisleven, Hey Porter, een ballade over de Amerikaanse spoorwegen en Cry, Cry, Cry. Samen openden die songs de deur, naar' een grammofoonplatenmaatschappij, waar hij Elvis Presley op de hielen zat. Eenmaal geslaagd schreef hij een danklied My Prayer, later genoemd: Leid mij, Vader, "Het is een gebed aan God, waarin ik vraag of Hij mij wil leiden en de moed wil geven om te zingen voor Hem en voor de mensen".
Daarop vloog' zijn ster omhoog. Van de ene plaat naar de andere, van het ene concert naar het andere, tournee op tournee. "Vanaf het begin besefte ik", zegt J.c., "dat ik standvastig moest zijn en met God moest leven". Hij ontmoette een andere zanger, die alle gekke kunsten uithaalde om zijn publiek te vermaken, maar die steeds eindigde met een lied: dat zijn leven in Gods hand was tot het einde toe. Hij vroeg die collega: hoe kun je als christen leven in deze business? Het antwoord was: “Ik ben allereerst christen en 'daarna entertainer en ik werk zoals ik ben. De mensen kiezen wel voor je. Geef ze wat te vragen en vroeg of laat zul je ze méér kunnen geven. En vergeet nier dat je karakter en je leefwijze luider zingen dan je liederen. En vergeet vooral niet om te blijven bidden".
Helaas, wat zo goed begonnen was ging goed mis. Het groeide Johnny boven zijn hoofd: het succes, de inspanning van componeren, studeren, reizen en concerteren. Hij moest fit zijn voor volle zalen, had geen tijd voor gebed, kerk of bijbel. En dat ondanks zijn song I Walk The Line waarin hij beloofde oprecht te zijn tegenover God, zijn vrienden en zichzelf. Toen zijn al te drukke leven zich ging wreken in vermoeidheid, bracht een collega hem aan de pepmiddelen. Aanvankelijk dacht Jdlm een bijzonder middel van God te hebben gevonden, dat zijn vermoeidheid wegnam, zijn krachten vernieuwde en hem meer deed presteren dan hij voor mogelijk hield. Langzamerhand werd hem duidelijk, dat hij niet de pillen beheerste, maar de slaaf van drugs was geworden.
Hij kreeg spijt, wroeging, rusteloosheid en depressies, die hij alleen aankon door nieuwe en meerdere pilden te gebruiken, Pillen in alle kleuren, maten en namen - maar in elk flesje wem gratis een demon bijgeleverd. Peppillen om te werken - rustpillen om te slapen. Lichamelijk en geestelijk raakte hij in het moeras. Zijn vrouwen dochtertjes vervreemden van hem, als hij eens thuis kwam en te keer ging; lichamelijk kwam hij twintig kilo onder zijn lengtegewicht. Op de duur werden dat ademnood, angsten, nachtmerries, onderbreking van zijn concerten, afzeggen van tournees en ontslag wegens wanprestatie, Het grote publiek wist: Johnny heeft afgedaan. Alleen een vriend zei: "neem flink rust, want we hebben je nodig, John".
De tocht door de vallei des doods liet vreselijke wrakken achter. Zijn vrouw lier zich van hem scheiden. John, onder de ban van alcohol en drugs, speelde met dood en leven: reed auto's, jeeps, een kampeerwagen, twee tractors en een bulldozer in brokken, overleefde twee boten en een vrachtwagen. En áls hij eens even tot rust kwam was er een stem, die zei: Ik ben je God, en ik ben er nog steeds en ik hou nog steeds van je en ik wacht". Rondom John wanen zijn ouders en zusters, die zeiden: we hebben voor je gebeden, vanavond.
Wie de vreselijke gevolgen van drank en drugs wil kennen doet goed dit boek te lezen. John's positie was naar de mens gesproken hopeloos.
Maar het bijzonder goede van Johnny’s autobiografie is, dat hij laat zien hoe er bij God altijd hoop is voor hopeloze gevallen. Daarvan vertelt hij ook, dankbaar,
Na zeven verblijven in gevangenissen ontmoette hij een psychiater, die hem zei: je bent verder gegaan dan enig patiënt die ik gekend heb, ik zie heel weinig kans voor je om te herstellen, je bent zelf de enige die er wat aan kan doen - en het zou een stuk gemakkelijker zijn als je God te hulp riep. Dat deed John, Hij sloot zich in zijn kamer op, zonder pillen. Hij kon niemand meer bedriegen, ook zichzelf niet. De nachtmerries, die bij deze strijd van meer dan een maand behoorden, zijn beklemmend beschreven. Een trouwe vriendin en haar ouders bleven hem bewaken en verzorgen, al drie weken. Hij vocht met zijn demonen, dag in dag uit. De dokter bezocht hem dagelijks; zijn verzorgers baden voor hem, dat hij mocht wurmen.
Eindelijk verlieten de demonen hem; de nachtmerries, hallucinaties en stemmen hielden op. John kwam tot rust. Het leven won het van de dood. Zijn leven veranderde, van die dag af en voortaan. John's moeder zei: God heeft immers een bedoeling met je? En John vond vergeving. Dat niet alleen, maar hij hielp een vriend, die zich eveneens ontwende aan drank en drugs. Hij hield op met roken. Hij ging de schade herstellen, die hij in jaren had aangericht, ook de schade die zijn collega's door zijn gedrag hadden geleden. Hij ging de gevangenen bezoeken: aan ruim 150.000 gevangenen heeft hij het evangelie verkondigd. Zijn lied Folsom Prison kreeg bij, door middel van een predikant, van een gedetineerde. Hij zong het voor de componist en diens medegevangenen. Het luidde: hier in Folsom is een kapel, een plaats van aanbidding in deze poel van zonde, en je zou niet verwachten dat God hier een plaats had. Maar Hij redde het leven van menig verloren mens hier en al is mijn lichaam nog binnen de muren van deze gevangenis - God heeft mijn ziel vrijheid gegeven.
Door zijn film Gospel Road (de weg van het evangelie) bereikte hij miljoenen mensen, door ze te vertellen over het leven en de prediking van de Heiland. De Film is overgenomen door Billy Graham en kwam zo uit de bioscoop in de kerkgebouwen!
"Als christen", zegt Johnny Cash aan het eind van zijn boek, “heb je een heel grote verplichting tegenover de zoekers en ook tegenover de ongelovigen die niét zoeken. De wereld van de muziek is een frontlinie in de geestelijke strijd".
Er zit grote troost in dit kleine boek. Kinderen van veel gebed kunnen niet verloren gaan. Kinderen, die jong de Heere leerden kennen en liefhebben, blijven in zijn boek ingeschreven; blijven Gods aandacht houden. We kunnen diep vallen, maar God is machtig ons op te richten. God heeft geen lust aan de dood van de zondaar - maar aan zijn bekering en leven. We kunnen brave kerkmensen zijn - maar zonder kennis van onze ellende komen we bezwaarlijk aan verlossing toe; laat staan aan dankbaarheid. We kunnen dapper discussiëren over de ware kerk - maar zonder persoonlijke band aan Jezus Christus gaan we verloren, met kerk en al.
Zo is er meer te zeggen. Maar "de wereld van de muziek is een frontlinie in de geestelijke strijd", zegt Johnny Cash. En dat lijkt me een mooie slotzin. Om over na te denken.