Wie oren heeft om te horen, die hore
1976-10-08
Wanneer Achaz koning wordt is hij amper 20 jaar oud. Maar zo jong als hij is krijgt hij vrijwel onmiddellijk een politieke storm te verduren. In zijn tijd neemt de macht van de Assyrische koning Tiglath-Pileser III onrustbarende vormen aan. Dat brengt de volkeren rondom Juda en ook Juda zelf in hevige beroering, Twee rijkjes oen noorden van Juda, Aram onder koning Rezin en Efraïm onder koning Pekah proberen in eendracht machtig te zijn. Maar ze willen graag een gesloten front met Juda erbij. Achaz echter ziet kennelijk geen enkel heil in zo'n anti-Assyrische verdragsorganisatie. Uit angst dat hun opzet zal. mislukken laten Aram en Efraïm hun venbonden legers oprukken om Juda onder druk te zetten.- Jaargang 20
- nummer 39
Als Achaz dit hoort staat hij te trillen op zijn benen. En omdat in die tijd het volk stond of viel met zijn koning plant deze trilling zich voort in heel Jeruzalem en daarbuiten. Nu blijkt hoe wankel hun levensbasis is. Hoe dun het godsdienstige masker, waarachter zij allerlei sociale en maatschappelijke wantoestanden verborgen. Van een geloof dat zijn wortels geslagen heeft ,in de diepte en gegrond is op Gods vaste beloften, is geen sprake, Men is radeloos en waant zich reddeloos, En redeloos zijn de plannen, In allerijl wordt Jeruzalem in staat van verdediging gebracht.
Veél vertrouwen heeft men niet in eigen kracht. In regeringskringen speelt men met de gedachte om niemand minder dan de machtige Tiglath-Pileser om steun te vragen. Blijkens 2 Kon. 16 is het daar ook inderdaad van gekomen. Maar op het moment dat Jesaja de koning ontmoet is het zover nog niet. Door Zijn profeet wil God dan ook het uiterste doen om Achaz van dit plan af te brengen.
Wanneer Jesaja de koning ontmoet is deze waarschijnlijk juist bezig met enkele deskundigen de watervoorziening van Jeruzalem te inspecteren in verband met de verwachte belegering. De profetische boodschap ,in deze situatie bestaat uit een woord en een teken, Over het woord een volgende keer. Maar nu aandacht voor het teken. Dat telken is Jesaja's zoontje Schear-Jaschub. Het ventje mocht met vader mee de gemeente in.
Het hoefde niets te zeggen, Zijn naam zei genoeg. Die naam vertelt Achaz waar het in deze dagen van oorlogsgevaar op aan komt.
Schear- Jaschub - "een rest keert terug". Wat betekent deze boodschap voor Achaz en zijn volk? Is het een blijde of een slechte boodschap?
Is het een prediking van gericht of van genade? Ben rest keert terug. Een rest, dat is het overblijfsel van een groter geheel, De naam veronderstelt een veldslag. Een nederlaag zelfs! Slechts een rest keert terug! Zo gezien is het een slechte boodschap, Het loopt niet goed af. Maar tegelijk: voor een rest is er dus hoop! Een rest wordt gered. Het komt er blijkbaar op aan welke oren de boodschap horen of ze gericht of heil vernemen. Wat voor het volk als geheel dreiging is, betekent voor een deel van het volk belofte, Slechts een rest keert terug - dat is voor het gehéél dreigend, Maar een rest kéért dan ook terug - dat is voor een déél hoopvol'!
De vraag is nu natuurlijk: Wie hoort in dit kritieke uur bij het geheel, dat zwaar getroffen wordt en wie bij het deel, dat overblijft?
Want daar komt het nu op aan.
Hoe kan er hoop zijn als je niet zeker weet of je hoort bij het deel dat omkomt, of dat je je bevindt bij de kleine rest, die behouden blijft? Hoe word je zeker van je uitverkiezing? Vormen misschien de 12 stammen van Israël samen 'het geheel? En mogen Jeruzalem en Juda zich dan beschouwen als de rest, die de dreiging van Assur overleeft, terwijl Efraïm in de strijd het onderspit delft? Dan zou de naam SchearJjaschub zonder meer heil betekenen voor de sidderende Achaz en onheil voor de aanvallers van dat moment: Efraïm en Aram. Of brengt de naam van Jesaja's zoontje aan Achaz de boodschap dat zijn rijk zwaar gehavend uit de strijd zal tevoorschijn komen? Maar wie hoort dán bij de rest, die het kan navertelden? Als het er weinigen zijn, die behouden worden, waaraan kan iemand weten dat hij bij die weinigen behoort?
Kan Achaz met de boodschap van het telken niet aJrle kanten uit?
Dat hangt er maar vanaf. Een goed verstaander, d.w.z. een gelovig verstaander, kan weten wat hij aan dit telken heeft. De sleutel tot dit juiste verstaan ligt in de tweede helft van de naam Schear-Jaschub: een rest keert terug.
Terugkeren kan alleen door om te keren. Of nog anders: door je te bekeren! Zo is Schear- Jaschub dus te vertalen met: een rest bekeert zich. Tot de HEERE natuurlijk!
En dat is wat het volk van God in Jeruzalem en Juda, de koning inbegrepen, nodig heeft: bekering! Men leefde immers met ogen, oren en harten die op zichzelf gericht waren in plaats van op God en de medemensen (cap. 5, 8-24). Zo verziekte de samenleving tot een etterende wond, Tegenover deze afvalligheid spreekt de naam van Jesaja's zoontje voor ieder, die maar horen wil, duidelijke taal. Deze naam is nl. een belofte èn een eis!
Het is een eis om eindelijk eens van mentaliteit te veranderen. De mentaliteit nol om je levenslot in eigen hand te wilden houden. Men heeft jarenlang met de rug naar God toe geleefd. Men heeft zonder God het leven genoten. En nu de tijden veranderd zijn blijkt men God niet eens meer te kunnen vinden. Voor de crisis van het moment worden oplossingen gezocht buiten God om en tegen Hem in. Wat ontzettend dwaas!
Achaz, luister naar de naam van dit kind! De rest, die zich bekeert, dat is de rest, die terugkeert en overblijft. Wie de eis tot bekering aanvaardt, die mag de belofte van redding en behoud op zioh toepassen. Wie de eis verwerpt, kan in deze naam slechts onheil horen.
Welke boodschap Achaz hoort in de naam Schear- Jaschub hangt helemaal af van het feit of hij (gelovige) oren heeft om te horen.
Wat toont de HEERE zich geduldig! In cap. 5 verwijt Jesaja zijn volksgenoten: Op het doen des HEEREN letten ze niet, omdat ze de wet van de HEERE der heerscharen hebben verworpen en het WOOM van de Heilige Israëls hebben versmaad (vs 12, 24). Toen zei God in cap. 6: Nu wil Ik niet eens meer dat zij mijn Woord verstaan!
Nu niet meer. Ze hebben zich al die jaren verhard? Nu zál Ik ze verharden! Ze hebben al die tijd niets van Mij doen willen opmerken? Nu mógen ze er niets meer van zien! Ik geef hen over aan het oordeel der verharding, als straf óp hun verharding. Jesaja, preek hen doof en blind en dom!
Maar na de boodschap van verharding zend God de profeet toch weer naar Achaz met Schear-Jaschub, N6g krijgt de ko,p,ing de kans om zijn verharding te doorbreken en zich te stellen aan de kant van de bekeerden: het overblijfsel naar de verkiezing der genade (Rom. 11, 5). De verpletteren/ de gerichtsboodschap. die Jesaja in het tempelvisioen (cap.
6) kreeg opgedragen, blijkt geen onpersoonlijk noodlot te zijn, dat zich me! mechanische noodzakelijkheid voltrekt, God blijft worstelen met Zijn volk, Dat is Zijn liefde tot ons. 'Er blijft altijd een opening naar de ooibegrijpelijke rijke Heer, die tegen alle menselijke hoop en verwachting in wonderbare dingen kan doen en ook de verlorenen de toegang tot omkeer opent. Volk van God! N.g. heden hoort Zijn stem, die zweert: Laat niet uw hart zich onbekeerd verharden.