Jeremia

1976-10-08
  • Jaargang 20
  • nummer 39
Gewenning
Je merkt aan allerlei dingen dat het leven er steeds meer van doortrokken raakt. Juweliers maken goede zaken met de telkens van de dierenriem als speldjes of hangers of op lepeltjes. Het is helemaal niet vreemd meer als mensen die elkaar ontmoeten, tot elkaar zeggen: Ik hen een Leeuw, of ik ben een Waterman.
Nu hoeft dat nog niet te betekenen dat iemand die die zegt, nu ook a:Neswat er aan vast zit voor zijn rekening neemt. Maar het is toch veelzeggend dat dergelijke dingen tegenwoordig bij een ontmoeting gezegd kunnen worden.
Twintig jaar geleden gebeurde dat nog niet. Toen waren dat soort namen en begrippen lang niet a:lgemeen bekend, Nu is dat wel het geval. En daaruit blijkt dat er een gewenning heeft plaatsgevonden aan wat de HERE "de weg der volken" noemt. Jahweh waarschuwt daartegen.
Gewent u niet aan de weg der volken (10 : 2). Als Gods volk dergelijke praktijken gaat toepassen, als wij de tekenen aan de hemel, de hemellichamen, een plaats in ons leven geven, gewennen wij ons aan de Ievensstijl van de volken die Jahweh niet erkennen. Dan nemen we die van de niet-christenen over en vergeren we dat Christus van ons een andere levensstijl vraagt.
Er wordt nog wel eens gezegd: Wat geeft het nu dat ik zo'n 'hanger van een teken van de dierenriem draag. Ik hecht er verder helemaal geen waarde aan. Ik vind het alleen een mooie hanger. Dat kan toch geen kwaad? Maar of het ons wel of niet kwaad doet, is niet de belangrijkste vraag. Het gaat erom wat de HERE zegt: gewen je niet aan de weg der volken. Raak daar niet vertrouwd mee. Niet de vraag wat het ons doet, maar wat het de HERE doet, moet de doorslag geven. Veronderstel, eens dat een jongen niet met de foto van zijn verloofde loopt te geuren, maar met de foto van een ander meisje. Dan kan hij wel zeggen: dat meisje doet me niets; ik vind het alleen maar een mooie foto, Maar ik denk dat zijn verloofde er toch weinig door gesticht zal zijn en zal zeggen: als je echt van me houdt, moet je die foto van die ander wegdoen en daar niet telkens mee op de proppen komen. Door steeds maar met die foto van dat andere meisje in de weer te zijn krenkt die jongen zijn verloofde. Zo ligt het ook hier. Jahweh is onze God. Wat doen we Hem aan, als we in een tijd waarin weer op grote schaal afgoderij gepleegd wordt met de tekens van de dierenriem, zo'n teken om onze hals hangen? Dan zijn we niet klaar door te zeggen: het doet mij niets. Want het doet Hem wel iets.

Schrik
Er staat in Jer. 10: 2 nog iets waarbij we even de vinger moeten leggen: de weg der volken brengt geen rust, maar schrik. Die rust zoeken de mensen wel. Ze raadplegen de waarzeggers en astrologen met de bedoeling daardoor een stuk rust in hun leven te krijgen. Maar 'het effect is juist omgekeerd. Het brengt schrik 'en angst 'en onrust in hun leven. Dat ligt ook voor de hand. Want de voorspellingen ,die 'hun gedaan worden, zijn lang niet altijd gunstig. Vaak word t erin gewaarschuwd voor allerlei dreigingen en gevaarlijke dagen. Natuurlijk komt er dan een stuik onrust en angst het leven binnen. Dat is zo kenmerkend, dat de HERE kan zeggen: Schrik niet van de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor schrikken, Wie zijn, toevlucht
zoekt bij astrologie en waarzeggerij vindt niet de zekerheid en de rust die hij zoekt, maar angst en schrik. Dat kan ook niet anders. Want de afgoden, of ze nu Baäl of Boogschutter heten, hebben niets wezenlijks te bieden.

Vogelverschikkers
Wees nu eens nuchter, zegt de HERE in 10 : 3-5. Wat is een afgold nu eigenlijk? Niets meer dan een product van de mens zelf. Hij hakt een stuk hout uit een bos. Dan bewerkt hij 'het wat en siert het op met zilver en goud. En als hij er iets heel moois van maken wil, slaat hij er ook nog een purperen mantel omheen (vs. 9). Maar dan moet die afgod wel met een hamer en een paar spijkers op een voetstuk vastgetimmerd worden, want anders :blijft hij niet overeind staan. Dat 'is alles. Dat is nu een afgod.
En als ze ergens heen moeten, moet de mens hen verplaatsen.
Want dat kunnen ze zelf niet. Vogelverschrikkers zijn ze. Wie van zulke goden iets verwacht en bang voor hen is, is even kortzichtig als vogels die bang zijn voor een vogelverschrikker, Een vogelverschrikker 'kan helemaal niets doen en toch zijn de vogels bang voor hem. Ook de afgoden kunnen helemaal niets doen, geen goed en geen kwaad. Wie zulke goden maakt en vreest en vereert, doet iets dat geen enkel wezenlijk profijt geeft.

Onbegrip?
Ik las over dit gedeelte van Jeremia ergens de opmerking: uit de tekst blijkt niet veel begrip voor andere godsdiensten. Dat is typisch een opmerking van deze tijd. Want onze tijd gaat er bed sterk van uit: als je iets of ,iemand begrijpt, ben je waar je moet zijn. Het gaat om begrip. Overigens blijkt uit deze opmerking ook heel duidelijk, dat men niet beseft waar het in dit gedeelte om staat: om leven of dood, om een keuze vóór of tegen Jahweh. Als dat op het spel staat, ben ik met begrip alleen niet klaar.
AIs een automobilist dronken achter het stuur van zijn auto gaat zitten, is hij er niet mee geholpen als lik precies begrijp hoe het gekomen is dat hij nu zo dronken is.
Hij schiet ook niets op met verzekeringen dat zijn auto toch heus wel goede eigenschappen heeft. Die man wordt alleen geholpen als ik hem zover krijg dat hij uit zijn auto snapt en een taxi neemt. Dat is op dat moment het enige belangrijke.
Want het is een zaak van leven of dood. Ais ik iemand ontmoet die op het punt staat zijn Ieven op de een of andere manier in ernstig gevaar te brengen, komt hij met begrip voor zijn situatie niet verder, Het enige dat ik moet proberen is hem duidelijk maken, dat wat hij doet dodelijk gevaarlijk is en dar hij er daarom mee moet stoppen, Zo ligt bet ook met de afgodendienst.
Natuurlijk is daar een heleboel aan te begrijpen en van te verklaren. Maar als ik alleen maar begrip opbreng en toon voor wat de afgodendienaars doen, blijven ze rustig doorgaan en gaan ze hun dood en ondergang tegemoet.
Als ik hen werkelijk wil helpen, moet ik hen oproepen de afgoderij los te laten en het leven te kiezen in plaats van de dood. Daar gaat het om in dit gedeelte van Jer. 10.
Israël is op de verkeerde weg: de weg naar de dood. En dan gaat de HERE niet zeggen: Er staan toch ook wel mooie dingen op die weg en er staan ook wel mooie bloemen aan de kant en af en toe zijn er ook wel mooie vergezichten.
Natuurlijk zegt Hij dat dan niet. Hij kan alleen maar zeggen: Ga van die weg af, Israël. Gewen je niet aan de wegen der volken, want dat zijn wegen naar de dood, die je nooit naar het leven kunnen brengen. Verlaat om 's levenswil die weg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief