Gelooft ge niet vast, dan staat ge niet vast!

1976-10-15
  • Jaargang 20
  • nummer 40
Wanneer Achaz en zijn ministerraad een uitweg zoeken uit de moeiten en zorgen als gevolg van de Syrisch-Efraïmietische aanval op hun rijk, gaan hun gedachten uit naar steun van Assur. Het is niet bij gedachten gebleven, helaas!
Wanneer de stad belegerd is zendt Achaz boden naar Tiglath-Pileser met de boodschap: 'Ik ben uw knecht en uw zoon; trek op en verlos me uit de macht van Aram en Israël, die tegen mij zijn opgetrokken!' In het besef dat het aangezicht van Assurs koning niet voor niets over hem zai lichten, koopt hij die steun met zilver en goud, dat zich bevond in het huis .des HEEREN! Hoezeer heeft de angst om het lot van zijn huis en zijn vollk hem verblind! Met gelid, dat hij weghaalt uit het huis van de machtige Koning van hemel en aarde, wil hij zich verzekeren van de steun van slechts één der oversten van deze aarde.
Daarbij levert hij zich volledig aan Assurs koning over. Hij noemt hem meester, de machtige heer. En zichzelf beschouwt Achaz als de knecht, de slaaf. Hij erkent Tiglath-Pileser als een beschermende vader en zichzelf als de ongehoorzame zoon. Wanneer .Jesaja het hier vermelde onderhoud met Achaz heeft, zijn deze plannen vermoedelijk nog niet uitgevoerd, En de profeet doet het uiterste om de koning van dit dwaze plan af te houden. God wil de koning de ogen openen voor het enige vaste fundament, waarop zijn koningshuis is gebouwd en overeind zal blijven staan. 'Indien ge niet gelooft, Achaz, voorwaar, ge wordt niet bevestigd! Op bijzonder knappe wijze heeft Jesaja zijn boodschap in dit korte woord samengebald. Helaas is bij de vertaling veel van de zeggingskracht verloren gegaan. In de tekst staan twee hoofdwoorden: geloven en bevestigen, Maar in het hebreeuws gaan beide woorden terug op één zelfde wortel, die in onze taal is bewaard gebleven in het bekende woordje 'amen'. En wat betekent 'amen'? 'Amen' wil zeggen: het is waar en zeker, vast en zeker! Amen heeft te maken met vastheid, betrouwbaarheid. En wat vast en betrouwbaar is kan héél goed tegen een stootje! En waar is in deze wereld vol dreiging en wankeling het zekerste houvast te' vinden? Toch zeker bij de HEERE, de machtige Koning van hemel en aarde! Omdat de Heere Koning is zingt de dichter van ps. 93 vol overtuiging: Vast staat nu de wereld en zij wankelt niet! God geeft houvast, vastheid, bevestiging, oftewel: bevestiging . Maar, zegt Jesaja, zonder gelóóf is er van bevestiging geen sprake.
We hebben alleen houvast als we God ook vertrouwen. En dan gebruikt Jesaja dat zelfde woordje 'amen'. De vastheid, die God geeft, moeten we ook beamen! D.w.z. daar moeten we op vertrouwen. Als God ons vaste grond onder de voeten geeft, maar wîj gaan er niet op staan, dan staan we niet vast.
Er zijn verschillende vertalingen, die m.i. passender zijn dan die van het NBG. Waarbij ik kies voor: Gelooft ge niet vast, dan staat ge niet vast! Als Achaz geen "amen" zegt op Gods belofte, dan zegt God niet langer 'amen' tegen Achaz! Wanneer Jesaja zó tegen de koning spreekt, zal hij zeker hebben gedacht aan een speciale gelegenheid, waarbij God inderdaad duidelijk en onomwonden 'amen' hééft gezegd tegen Achaz. Dat was nl. gebeurd op de dag dat hij de troon van zijn vader overnam. In die troonsopvolging heeft Gods 'amen' geklonken. Want zo logisch als het bij ons (nog) is, dat de ene Oranje de andere opvolgt, zo onlogisch was het toen in het oosten, dat een zoon zijn vader opvolgde op de troon. Bij elke troonswisseling werden pogingen gedaan door opstandige elementen om de macht te grijpen.
Ook het huis van David kan daar van meespreken. Tóch zit er al meer dan 200 jaar een zoon van David op de troon van Juda. Achaz is de twaalfde koning in successie van deze dynastie. Wat een verschil met het noordelijke rijk van Efraïm, waar sinds de scheuring onder leiding van Jerobeam al zeven koningshuizen langer of korter aan de macht zijn geweest.
Waarin zit dat verschil tussen Efraïm en Juda? Dat verschil zit in Gods belofte aan David. Toen David eens voor de HEERE een huis wilde bouwen had God hem dit geweigerd. En de profeet Narhan tiet hem weten: de HEERE zal voor jóu een huis bouwen. En God had gezegd: Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.
En om de bestendigheid, de vastheid van Davids koningschap tot in volgende geslachten aan te geven gebruikte ook Nathan het woordje 'amen'! (2 Sam. 7).
Zal Jesaja zijn woorden niet met opzet zo gekozen hebben? De belofte van het bestendige koningschap is overgegaan van vader op zoon. Koning Achaz zit nog nietzo lang op Davids troon. Hij kan nog nauwelijks vergeten zijn wat hem tijdens het kroningsfeest ongetwijfeld is voorgehouden met de woorden van 2 Sam. 7: God zal uw koninklijke troon voor immer bestendigen. Hij zal u tot een vader zijn, en u zult Hem tot een zoon zijn. In eerster instantie gesproken met betrekking tot Salomo mag iedere Davidszoon zich dit voor gezegd houden. Hun troon zal vaststaan voor altijd.
Hoe kan Achaz nu zo bang zijn voor dat muiterkoninkje Pekah?
En wat maakt hij zich druk om Rezin, al net zo'n rokend brandhout als zijn bondgenoot? Hoe is het mogelijk dat hij bescherming zoekt bij Assur? Hoe kan een koning van Juda, die zichzelf zoon van de HEERE mag noemen, zijn hoge afkomst zo vergeten dat hij zoon van de koning van Assur wil heten? In meer dan één opzicht is het hier beschreven tijdstip een uiterst kritiek moment in de geschiedenis van God met Zijn volk politiek gezien is het een spannende zaak. Maar nog meer klemt de vraag, hoe deze spanning door de koning en het volk wordt verwerkt. Wat heeft het hun te zeggen dat zij volk van Gods verbond zijn? Hoe ervaart Achaz nu wat hem op het kroningsfeest is voorgehouden?
Lééft de HEERE werkelijk voor hem? Of is de God van David voor hem net zo dood als zijn verre voorvader zelf? Wanneer Jesaja aan Achaz zou hebben gevraagd: Maar koning!
Gelooft u dan niet dat de HE ERE uw Vader is? - ik maak me sterk dat hij zou hebben geantwoord: Ja zeker wel! En misschien zou hij wel trots, met de borst vooruit, gewezen hebben op zijn edele afkomst van de grote David. Zo kunnen we ervan overtuigd zijn dat we kinderen zijn van God. We zijn toch zeker gedoopt! We belijden met vuur dat de kerk het volk van God is, waarmee Hij een eeuwig verbond gesloten heeft. De vraag is maar: Wordt ook uit deze overtuiging gelééfd? Of is het schone theorie? Komt in de levens!
houding der gelovigen ook uit, dat zij zich beschermd weten door de machtige Koning van hemel en aarde? Voelen de leden van Gods volk zich gerust en vol vertrouwen bij ailes wat de kerk overkomt of dat nu innerlijke verdeeldheid en meningsverschillen zijn of aanvallen van buitenaf? Natuurlijk geeft het spanningen in hun leven.
Maar hoe worden die spanningen verwerkt? Het gebrek aan geloof in Gods bewarende macht leidt tot panieksituaties. Dan wordt overhaast en ondoordacht naar middelen gegrepen, die van de regen in de drup helpen. De lange geschiedenis van Gods volk kent talloze voorbeelden. En yre hoeven niet eens ver terug te gaan in het verleden van onze kerken, Jesaja wil Achaz leren om geduld te hebben en rustig de tijd van God te verwachten, waarin Hij de weg tot uitredding van Zijn volk zal duidelijk maken. Een aanwijzing in welke richting Achaz zoeken moet heeft hij trouwens al ontvangen in de naam van Jesaja's zoontje Scheaf-Jaschub: De rest, die zich bekéért, keert terug! Achaz moet niet in paniek dwaze dingen gaan doen. Laat hij beseffen, dat de zaak van zijn volk de zaak van zijn God is. Als hij dat niet gelooft, dan wordt hij niet bevestigd.
Gelooft hij dat niet vast, dan staat hij niet vast!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief