Twee gouden jubilea
1976-10-15
In deze maand worden twee zeer zeldzame jubilea gevierd. Het zijn de jubilea van twee professoren die tegelijk herdenken dat ze voor oen halve eeuw hun ambt als hoogleraar aanvaardden. Dergelijke jubilea zijn een hoge zeldzaamheid. Maar deze hebben nog een paar andere unieke aspecten. De twee jubilarissen zijn namelijk ook zwagers! En, wat nog meer zegt: ze hebben beide voornamelijk dezelfde wetenschap beoefend. En wat het meest zegt: ze hebben dat in volkomen harmonie en vanuit dezelfde geloofsovertuiging gedaan. De lezers begrijpen al wel op wie ik het oog heb: het zijn de hoogleraren Voldenhoven en Dooyeweerd; Het spreekt wel als van zelf dat ik in Opbouw aan het dankbare herdenken van deze grote christen-geleerden aandacht schenk. Maar nu ik mijn pen daarvoor op papier zet bestormen mij zoveel gedachten en herinneringen, dat ik niet weet waar ik beginnen moet en eindigen zal. Ik zou over hen wel een brochure of een boek willen en kunnen schrijven.- Jaargang 20
- nummer 40
Laat ik beginnen bij het begin. Dat was ook ten opzichte van het contact met de twee jubilarissen beslissend.
Ik herinner me oog als de dag van gisteren het eerste optreden van beide hoogleraren. In september 1926 werd ik student in Kampen. Voor ik student werd had ik all enkele jaren als onderwijzer en leraar gewerkt. En daarbij was mij de noodzaak van een wijsgerige oriëntatie al gauw duidelijk geworden. Toen ik zestien jaar werd kreeg ik van mijn vader "Het Calvinisme" van Kuyper. Ik heb dat verslonden, Een nieuwe wereld ging voor mij open. Een levens- en wereldbeschouwing die toen voor mijn besef "af" was! Later doorkroop ik andere redevoeringen van Kuyper. En zijn "Gemeene Gratie". Nog wat later Bavincks "Christelijke Wereldbeschouwing" en diens "Christelijke Wetenschap". Ik zette mijn tanden in zijn "Wijsbegeerte der Openbaring" en neusde in Casimirs Geschiedenis van de Wijsbegeerte en andere soortgelijke lectuur.
Als lezer van het begin van "De Reformatie" spelde ik de artikelen van dr. Wielenga, later gebundeld in diens: "In de School der Wijsbegeerte".
In die jaren begon oo\k "Antirevolutionaire Staatkunde" te verschijnen. El1 daarin opende een zekere mij toen volmaakt onbekende dr H. Dooyeweerd een artikelenreeks die rot titel had "In' den strijd om een Christelijke Staatkunde, Proeve van een fundering der Calvinistische levens- en wereldbeschouwing in hare wetsidee". Als een schok ging de titel daarvan door mij heen. Ze waren van een geheel ander geha'lte dan wat dat tijdschrift verder bood.
Ik deed mijn uiterste best ze te verstaan. Ze boeiden mij boven mate. In diezelfde jaren verscheen er in het voorname tijdschrift "Stemmen des Tijds", een maandblad voor Christendom en Cultuur, een studie van een zekere dr D. H. Th. Vollenhoven, van wie ik als kerkelijk geïnteresseerde alléén wist dat hij predikant was in Den Haag. Het tekende "Enkele grondlijnen der kentheorie". Dat artikel fascineerde mij ook hevig want het was zo geheel anders dan de gangbare domineeslectuur die ik in die dagen onder ogen kreeg. Ik begreep dat èn Dooyeweerd èn Vollenhoven werk leverden van zeer hoog gehalte. En dat niet alleen: door hen werd op een wijze zoals ik nog niet had leren kennen geworsteld met de zwaarste problemen waarvoor het nadenken over de door God geschapen wereld en dus ook de wijsbegeerte ons plaatst. En ze deden dat vanuit een rotsvast geloof in de betrouwbaarheid van Gods openbaring.
Toen Vollenhoven en Dooyeweerd professof waren geworden kocht ik dadelijk hun inaugurele oraties, resp. "Logos en Ratio, beider verhouding inde geschiedenis der Westersche Kentheorie" en "De betekenis der Wetsidee voor Rechtswetenschap en Rechtsfilosofie", lik begreep van de eerste niet de helft en van de laatste nog minder. - De eerste las ik onlangs nog eens door, maar ik durf nog niet te zeggen dat ik die ten volle begrijp. - Maar met een intuïtie die ik een geloofsintuïtie durf te noemen, begreep ik dat door deze jonge hoogleraren - ze waren resp. 34 en 32 jaar! - op hoog wetenschappelijk niveau wijsgerige wegen werden ingeslagen vanuit het enig goede uitgangspunt met het enige 'kompas dat daarbij de goede koers aangeeft. Of, om het met een woord van prof. K. Schilder te zeggen: dat door hen "bloedige ernst" werd gemaakt met de studie van de wijsbegeerte die zich wil laten beheersen door het Woord van God.
Op de Theol. Hogeschool doceerde prof. Hoekstra op glasheldere wijze de Filosofie. Maar het was voor hem een bijvak Hij behandelde de geschiedenis ervan. Ik volgde o.a. een college over Kant. En voorts moesten we een dictaat logica bestuderen dat traditioneel aristotelisch van opzet was. Met grote eerlijkheid verklaarde Hoekstra dat van een christelijke kentheorieën wijsbegeerte nog geen sprake was. Later las ik bij Kuyper hetzelfde.
Aan het eind van zijn professoraat lanceerde deze uitspraken als: de Calvinistische beweging begint pas. - Er is nog geen steen boven de grond. We zijn pas aan het uitgraven van de groeve voor het fundament en met het leggen van de fundamenten wordt pas een begin gemaakt. Er moet met ernst studie worden gemaakt van de filosofie. Meer dan tot dusver dient in onze hingen de vraag gesteld of de beginselen van de logica, de ontologie, de kosmologie, de antropologie die in de gangbare wetenschap heerschappij voeren met de beginselen van het Calvinisme overeenstemmen dan wel tegen de grondslagen daarvan ingaan.
Algemeen gangbaar was in die dagen het Neo-Kantianisme van de Badense school. Hoekstra, zelf leiding van Windelband, gaf een privatissimum over diens Praludiën. Maar hij 'kwam niet verder dan het verklaren daarvan. Op een gereformeerd studentencongres werd kort voor ik student werd nog de stelling geponeerd dat Kant in zijn "Kritik der rein en Vernunft" de vaste basis voor de wetenschap en in zijn "Kritik der praktischen Vernunft" datzelfde voor de ethiek had gedaan. Nu moest er nog komen een "Kritik der religiesen Vernunft" en dan was de zaak rond! De zeer begaafde sympathieke leidse hoogleraar - helaas jong gestorven - Roessingh was daarmee met alle kracht bezig. Enkele studenten die nog wat verder wilden zien waagden zich aan Husserl’s Phaenomenologie.
Zo stonden de zaken in de tijd toen Vollenhoven en Dooyeweerd hoogleraar werden. Al gauw hoorden we dat de colleges van Vollenhoven geweldig insloegen. Tot onze vreugde hoorden wij ook dat die getypt wenden - in die tijd een novum. All gauw was zo zijn "Isagoge" (inleiding) in ons bezit. - Een halve eeuw is er nu al aan gewerkt en ze is - helaas!nog niet in druk verschenen! - We vormden in Kampen een "Calvinismedub" die Vollenhoven's dictaten gingen bestuderen. Een evenement was de verschijning van het eerste nummer van jaargang 1928 van het toen nog verschijnende Driemaandelijkse Tijdschrift Antirevolutionaire Staatkunde - ik weet dat nog uit het hoofd! - waarin Dooyeweerd voor het eerst een overzicht gaf van zijn wijsgerige conceptie'. Het staat stukgelezen in mijn kast. Er is toen hard gestudeerd in Kampen om deze wijsbegeerte te verstaan. Mijn vrienden Jan Meester en Piet Keizer weten daar ook alles van! En dan waren er de Lunterse congressen van de Geref., later Calvinistische Studentenbeweging - Herman Ridderbos was er secretaris, Piet Kunst penningmeester en ondergetekende voorzitter van. Vollenhoven en Dooyeweerd - de laatste met zijn sympathieke vrouw, zijn trouwe medewerkster! - waren daar altijd. Het is niet te berekenen welk een invloed van die congressen uitging! Dag in dag uit luisterden we vóór alles naar Vollenhoven en Dooyeweerd. Daar hoorden we van de eerste zijn baanbrekende "Beginselen der Psychologie" en genoten we van Dooyeweerd's uitzonderlijk didactisch vermogen en fenomenale kennis van vele vakken van wetenschap. Er is daar een generatie van studenten gevormd die hun leven lang dankbaar zijn gebleven voor wat ze in Lunteren hebben ontvangen. Ze hebben dat als een genade van God ervaren. Nog hoor ik dr. Harrenstein, die een heel congres had meegemaakt, aan het einde daarvan zeggen, dat hij stom verbaasd was over wat hij die week hard meegemaakt: een honderdtal studenten die van 's morgens vroeg tot laat in de avond met onverminderde aandacht bezig waren met de laatste, beslissende levensvragen.
En nog iets komt mij in de herinnering. In 1934 werd de Vereniging voor Calv. Wijsbegeerte opgericht. 't Is me een vreugde mee één van de oprichters daarvan te hebben mogen zijn geweest. Deze vereniging stimuleerde het organiseren van cursussen waarin de grondbeginselen daarvan werden uiteengezet. Ik heb er zelf verscheidene mogen leiden. Meestal werden ze op drie à vijf avonden gehouden, En wat mij steeds weer verbaasde was dat in die zwarte crisistijd! - de zalen waarin ze gehouden werden stampvol waren. Ik herinner me b.v. nog heel goed een in een gebouw in de Scholtenstraat in Rotterdam - Schippers was er de organisator van. Welke prachtige vragen werden gesteld en wat was er een vreugde samen Schriftuurlijk licht over de wonderlijk schone structuur van Gods kosmos te zien opgaan! Prof. Begeman heeft eens over deze tijd prachtige dingen gezegd. Hij typeerde die ah "die wondere tijd". En dat was hij. Eén herinnering leeft bij mij nog bijzonder sterk. Het is er een uit wat ik in een in Den Haag gehouden cursus beleefde. Onder de deelnemers waren er een paar die met bijzondere interesse deelnamen aan de discussie. Na afloop had ik een gesprek met hen. Het bleek dat zij Joden waren, vrijzinnige. Ze verte/Men dat ze als nieuwsgierigen waren gekomen. Ze hadden een aankondiging of advertentie van de cursus gelezen. En ze zeilden dat ze bijzonder gefascineerd waren door deze Filosofie. En toen ik hen vroeg naar de reden daarvan zeiden ze, ik herinner me het nog precies: Ze is zo "wirklichkeitsnah". Ze tekent zo precies de werkelijkheid! Het is een van de mooiste reacties die ik ooit over de reformatorische wijsbegeerte heb gehoond.
Tot mijn schrik merk ik dat mijn plaatsruimte reeds meer dan gebruikt is.
Beste Vollenhoven en Dooyeweerd. Het is een vreemde felicitatie die ik geef. Ik schreef zo maar op wat in mijn hart - ja in mijn hart opkwam. Ik geef jullie in gedachten een warme handdruk en ik zeg, wetend dat Ik namens heel velen spreek: hartelijk, hartelijk dank voor het veile dat jullie door Gods genade in noeste vlijt in de dienst van onze Meester in zijn Koninkrijk hebt mogen doen. God spare jullie nog enige tijd voor je familie .en je vele vrienden en leerlingen, en geve jullie te ervaren dat het in de avond van het leven nog stralend licht kan zijn!
Correctie. In het artikel van vorige week, "Het grote gevaar" is een ernstige fout geslopen. Ik schreef daarin dat er 10 studenten in Kampen studeren; dit moet uiteraard zijn: Er studeren 10 studenten in Apeldoorn.