De Leviathan van Loch Ness (2)
1976-10-22
U herinnert zich ons vorig artikel? Het ging over een diersoort, die in de Bijbel met Leviathan wordt aangeduid en waarvan we verder vrijwel niets weten, dan dat het een verschrikkelijke zeedraak moet zijn, die met schepen kan spelen (ps. 104, ps. 74). Het legendarische monster van Loch Ness is de laatste jaren "entmythologisiert" en komt serieus in aanmerking voor de haam. We gaan nu eerst verder met een aantal getuigenverslagen en komen straks wel tot enkele conclusies. Waarbij nu al zij opgemerkt, dat de werkelijkheid vaak veel boeiender is dan de verbeelding. - Jaargang 20
- nummer 41
Zomer 1945 reed William Mackay, een hoge officier, langs de kust van Loch Ness. Hij zag op 700 yards afstand twee bulten boven het water uitsteken. Denkend aan het monster (waar ieder aan denkt, die de 40 km lange kustlijn aflegt) greep hij zijn kijker en bestudeerde het dier gedurende enige tijd. Hij beschrijft het wezen als een dier met een lange, slanke hals, waaraan een kleine kop te onderscheiden was, welke het op het water liet rusten. Vervolgens nam hij vier leden waar, het zij poten of vinnen, waarmee het zich, samen met de machtige staart, recht voor de wind kon houden. Hij schatte het dier 30 voet lang. Voordat Mackay vertrok kwam een ander persoon aanrijden, die vertelde dat ook hij zojuist naar het wezen had staan kijken.
In de vroege morgen van 14 juli 1951 keek een bosarbeider, Lachlan Stuart, uit zijn bovenraam naar het meer en zag een vreemd voorwerp, dat -zich over Loch Ness bewoog. Hij greep zijn fototoestel en rende, samen met een maat, naar de waterrand. Daar zagen ze, op 50 yards afstand, drie bulten boven het water uitsteken, elk zo'n 5 voet lang; alles bewoog zich met redelijke snelheid. Stuart zag kans een foto te maken, die duidelijk de drie bulten weergeeft. Hij vertelde erbij, dat ook een lange dunne hals en een kleine kop even te zien waren geweest, maar niet gefotografeerd. Beide mannen taxeerden de totale lengte van het dier op 40 voet.
Opmerkelijk is dat waarnemers, die in de beschrijving van kop en nek overeenstemmen, verschillend spreken over de "bulten". De meesten zagen een bult, diversen twee, sommigen drie bulten. Van de kop en de hals is de foto uit 1934 overtuigend; de foto uit 1951 geeft drie bulten overtuigend weer. Tezamen vormen die twee foto's het beeld, dat u in de soevenirwinkels van Inverness kunt kopen: een kronkelende zeeslang, waarvan kop .en drie kronkels te zien zijn. U kunt een exemplaar bij schrijver dezes thuis komen Ziel}; het zit op de kast.
Het is echter zeer de vraag of het beeld van een reusachtige zeeslang juist is. Later materiaal duidde op een ovaal en bijzonder groot lichaam, met diverse uitsteeksels. En waarom niet? Wanneer een dromedaris een bult heeft, een kameel twee, waarom mag een leviathan dan niet drie bulten dragen? U hoeft ze niet over te nemen.
In 1955 maakte P. A. Macnab een foto, die twee (of drie) boven water uitstekende bulten geeft, maar die bovendien de ruïne van het kasteel Urquhart op de voorgrond laat zien. Doordat de laatste maten bekend zijn konden ook de maten van het monster vrij nauwkeurig worden berekend. Macnab zelf zegt: "in mijn geval is er niet de minste twijfel of op dat ogenblik fotografeerde ik een groot, lang, donker of zwart wezen, met bultige vormen; in geen geval waren het golven of waterbewegingen van een boot - er wás geen boot". De snelheid van het dier lag tussen 13 en 20 km/u, de snelheid van een fietser.
Sedert 1960 is de opinie ten aanzien van Loch Ness' monster gewijzigd.
Tot dan gold het "monster" als een overjarige grap, waar niemand meer interesse voor opbracht. Sedert Tim Dinsdale echter in 1960 een korte zwart-witfilm maakte, is de discussie op goed niveau gebracht. Dinsdale, die nadien een serie boeken over dit onderwerp schreef, o.m. "De Leviathan", had in april een expeditie meegemaakt. Tegen het eind zag hij nabij Foyers de bultige rug van een groot dier in het meer.
Het lag aanvankelijk stil en Dinsdale beschreef het als "een lang, ovaal mode]". Hij filmde het dier, toen het zigzaggend naar de overkant van het meer zwom en langzaam onderdook. Het liet een lang kielzog na. Enkele uren later filmde hij van dezelfde plek een 15 voets boot met 5 PK motor, die hetzelfde traject aflegde; op die wijze kon hij vergelijkingen maken: het kielzog van het monster was aanmerkelijk groter dan van de boot.
Deze film heeft later nog twee maal voor verder onderzoek dienst gedaan. In 1966 heeft het Intelligence Centre van de' R.A.F. de film geanalyseerd het stelde vast dat de film geen boot of onderzeeër bevatte, maar vermoedelijk een dierlijk object. De lengte van de bult werd tussen 12 en 16 voet gesteld, de hoogte 3 voet; de snelheid lag om de 16 Km/u.
- In 1972 is de film behandeld met dezelfde computertechniek, als waarmee de films van het Apollo-Maanproject zijn "gelezen". Daarbij werd vastgesteld, dat ook 2 kleinere bulten 't water doorkliefden. Dinsdale heeft twee maal de kop en de nek even gezien - maar die niet op de film gekregen.
In 1961 werd een Loch Ness-onderzoekinqsbureau opgericht. Het werkte tot 1972 en heeft elk jaar gedurende 5 maanden voortdurend het meer "geobserveerd. Een van de leden was mevrouw Constance Whyte, die in 1957 het boek "Meer dan een 'Legende" had geschreven.
Dit bureau heeft niet alleen zelf waargenomen, maar ook waarnemingen van anderen nagegaan; daarbij werd zulk een hoge norm van betrouwbaarheid gesteld, dat meer dan de helft der getuigenissen terzijde werd gelegd. Niettemin kwam men in de loop van deze 10 jaren tot een gemiddelde van 20 aanvaardbare waarnemingen per jaar. Inderdaad, hier is meer dan een legende aan de orde.
Dit bureau bracht het onderzoek mede in het onderwaterstadium. Eerst met sonar, in 1969 met een eenmansonderzeeër. De laatste bleek te klein te zijn voor de grote diepte en de ondoordringbare duisternis. (Die duisternis komt van een dik gordijn van plantaardige afbraakstoffen, dat op 40 meter diepte hangt en van 12 bergstromen afkomstig is.) De eerste methode, sonar, bracht het onderzoek echter met sprongen vooruit. Maar vooraf nog enkele getuigenverklaringen.
Bijvoorbeeld die van boer Hugh Ayton, die 15 jaar aan het meer woonde, nabij Dores, zonder iets van het monster te merken. Tot hij op een avond in augustus 1963 met vier anderen in het veld werkte en op een halve mijl afstand een dier in het meer' zag. Alle vijf renden naar de oever en vier sprongen in een boot. Ze roeiden er heen en naderden tot op 50 yards - waarop het monster onderdook en de boot stampend achterliet. Ayton zegt dat het dier een lange nek had met een kleine kop, die aan een paardenkop deed denken. Hij zag zelfs een ovaal oog, bijna boven in de kop.
William Dewar reed in juni 1971 op de autoweg A 82, toen zijn vrouw plotseling uitriep: kijk, het monster van Loch Ness! Op 300 yards afstand was het dier te zien: een slangachtige kop en nek, vrij snel. naar het zuiden zwemmend. Ongeveer 4 voet achter de nek was een bult, die 10 voet lang was en 2-3 voet uit het water stak. Na een minuut dook het monster onder. Ook een ander stel mensen stond aan de oever, volkomen in verwarring door wat ze gezien hadden.
In Fort Augustus, aan het begin van het meer liggend, is een Benedietijner Abdij; verscheidene van de monniken beweren bet monster te hebben gezien. Pater Greorgy Brusey bijvoorbeeld wandelde in oktober 1971 met een Londense vriend aan de oever. Plotseling was een geweldige beweging in het water gekomen. Midden in de bewogen plek kwamen nek en kop van het dier uit het water steken. Ze berekenden later, dat die kop 3 meter boven het water uitstak. Het zwom schuin naar hen toe en verdween na 20 seconden langzaam.
In november 1973 zag Richard Jenkyns, een rustend landbouwer nabij Invermoriston, de nek met de kop het water doorklieven. De kleur, zegt hij, was zwart of bruingrijs. Hij zag de gesloten bek en een oog, op 30 yards afstand. De gebogen hals en de kop deden aan een slang denken.
Genoeg gegevens van huis-, tuin- en keukenaard. We gaan over op de wetenschappelijke methoden, die vooral in oorlogstijd bij de marine zijn ontwikkeld.
Daarbij moeten we er op wijzen, dat de getuigenverslagen lengten opgeven, variërend van 15 tot 60 voet. Er zijn verschillen ten aanzien van het aantal bulten, ten aanzien van de kleur, van poten of vinnen, enz. Dit kan worden toegeschreven aan het bestaan van niet één, maar van een reeks monsters, wier woning Loch Ness zou moeten zijn. (Trouwens bij ons weten kan één dier nooit sedert Columba hebben blijven leven.) Er zouden dan zowel mannelijke als vrouwelijke als jeugdige exemplaren aanwezig moeten zijn. En daarmee kunnen vrijwel alle verschillen in de getuigenverslagen worden overbrugd.
Reeds in 1968 gebruikte een onderzoekingsploeg van de Birmingham Universiteit een nieuw soort sonar of echopeiling. Men stelde vast dat een groot lichaam uit de diepte omhoog kwam en dat een ander zich erbij voegde. Beide waren ongetwijfeld dierlijke wezens en de steile manier van klimmen en dalen zowel als de enorme. snelheid bewezen, dat het geen vissen waren.
Ook in 1969 wist men, met sonar, levende wezens aan te tonen. Dit gebeurde eveneens in 1970, maar toen kwam men verder. Tegelijk met het verschijnen van enkele grote lichamen in het waarnemingsveld verschenen ook vele kleine vissen op het scherm, die blijkbaar bejaagd werden. Nog drie andere waarnemingen volgden, waarbij de geleerden vaststelden, dat de afmetingen vele, vele malen groter waren dan ooit van vissen waren gemeten.
In 1972 ging een ploeg onder leiding van d'r Robert Rines aan het werk met een stroboscopische onderwatercamera en betere sonaruitrusting. Deze twee werden gelijktijdig, dus voor horen en zien, gebruikt. Men stelde vast dat zich tenminste twee grote lichamen binnen de onderzoekingsstraal bevonden en dat een school vissen uiteenstoof. Een der wezens werd op 20 voet afstand gefotografeerd. De kleurenfoto toonde een deel van de grove, groen-bruine huid, een achterzwempoot en een deel van de staart. De zwempoot werd op 6-8 voet lengte gesteld. Geleerden zagen verband tussen deze staart en die van een salamander.
Anderen verklaarden, dat de zwempoot niet met enig bekend zoogdier overeenkomt. De lengte van het exemplaar werd op 20~30 voet gesteld; onderdelen werden in sonarprojecties nauwkeurig waargenomen, als zwempoten, lichaamsdelen en uitstekende bulten.
Dat er niet slechts één monster in Loch Ness huist was geen verrassing.
Er waren meer waarnemingen boven water geweest van twee. soms van drie exemplaren gelijktijdig. Daaronder de waarneming van Alex Campbell, de toenmalige waterschout van Fort Augustus. die drie exemplaren vrij ver uit elkaar constateerde. In augustus 1971 zagen een Schotse dame en een Duitse vriendin een groot en een veel kleiner exemplaar zwemmen. waarvan het ene zich naar het andere haastte.
Hier bracht de wetenschap dus weinig nieuws. Wel was nieuw de stelling dat de dieren vier machtige zwempoten bezitten. die ruitvormig moeten zijn. Ze moeten. samen met hun geweldige staart. over enorme krachten beschikken. Ook werd door sonar vastgesteld. dat het meer grote grotten in zijn wanden heeft en dat de bodem een onpeilbare sliklaag bevat. Toch moet worden aangenomen dat Loch Ness geen open verbinding met de zee heeft. Het ligt 15 meter hoger dan de Noordzee en het water bevat geen zout. Ook kunnen dieren moeilijk door het Caledonische Kanaal binnenkomen. gezien de vele sluizen.
De laatste hypothese luidt: dat de wezens aan het eind van de laatste ijstijd. toen Loch Ness door vulkanische activiteiten in korte tijd van een open zeearm tot een afgesloten meer werd omgevormd. in hun logies zijn verrast en van de buitenwereld afgesloten. In welke buitenwereld hun soortgenoten zijn uitgestorven...
Volgende week verder?