Nog eens: de dominees
1976-10-22
Het valt niet te ontkennen, dat predikanten in het kerkelijk leven vaak een wat bijzondere plaats innemen. Hun ambt wordt vaak verbonden met allerlei functies, die eigenlijk buiten dat ambt liggen. (Even er tussen door: In het pas verschenen boekje van ds M. R. van den Berg over de eerste brief aan Timotheüs las ik, dat in het nieuwe testament het woord ambt overigens helemaal niet voorkomt. De bijbel spreekt over de gáve van het onderwijzen.) Bovendien is de kerkelijke organisatie zodanig opgebouwd, dat die wat naast het gewone leven is komen te staan.- Jaargang 20
- nummer 41
Een vereniging heeft een secretaris, een kerke raad of synode een scriba; een jeugdvereniging heeft een voorzitter of leider, een kerkelijke vergadering heeft een praeses, Van een gewone vergadering wordt een verslag gemaakt, een kerkelijke vergadering wordt vastgelegd in notulen. Op kerkelijke vergaderingen wordt appél-nominaal gehouden, hetgeen betekent dat wordt nagegaan wie van de broeders wèl of niet aanwezig is; bij een andere vergadering bekijkt de secretaris dat tussen de bedrijven door wel even en noteert dat dan.
En als de besluitvorming op kerkelijke vergaderingen op gang komt, wordt er overwogen en geconstateerd dat het een lieve lust is, waarna het besluit toch vaak nog moeilijk te omschrijven valt.
Ja, als we dat in het gewone leven ook allemaal zo moesten doen, dan kwamen we in veertig uren per week beslist niet klaar. Zo hebben onze vaderen het kerkelijk leven opgebouwd en de goede oude Dordtse kerkenordening spreekt van het praeses-zljn zelfs als van een ambt. Nu komt dit alles natuurlijk niet alleen voor rekening van de theologen: met elkaar hebben we dit alles laten voortbestaan.
En veel ouderlingen en diakenen hebben dit gedoe wellicht nog immers hun woordje Latijn mee? Maar wat ouderen misschien nog wel mooi vinden, vinden de jongeren heel gewoon gek. Ze lachen om dergelijke nonsens en dat is maar goed ook.
'k Ben echter bang, dat deze wijze van spreken op zich zelf allemaal niet zo verschrikkelijk - tezamen met allerlei andere dingen in de loop der eeuwen afstand hebben gemaakt tussen gemeente en dominee. En waar die afstand nog bestaat, moet de zaak maar eens grondig omgeploegd. Als we in deze moderne tijd als gemeenten iets willen betekenen voor de velen "die buiten zijn", dan zullen we ook in onze kerkelijke organisatie eens wat gewoner moeten gaan doen, wat eigentijdser moeten worden en de erfenis der eeuwen maar eens laten liggen. En voor zover er nog dominees zijn die menen, dat hun "bijzonder ambt" - zo spreken we toch in onderscheiding van het "algemeen ambt!" - hen tot wat bijzondere mensen maakt, moeten ze zich maar haastig bekeren, hetgeen de communicatie binnen de gemeente ongetwijfeld zal bevorderen.
Nogmaals: van theologen valt niet meer kwaad te zeggen dan van andere mensen.
In zijn boek "Worden als een man" schrijft ds. J. Overduin: "Daarom is het gevaar niet denkbeeldig, dat wij onszelf en anderen voor geestelijk volwassen aanzien, wanneer wij theologisch veel weten. Natuurlijk kán dit mede wijzen in de richting van geestelijke rijpheid en mondigheid. Maar het is ook mogelijk dat zo'n veelweter eigenlijk nog niets weet, omdat hij niet in de liefde weet en kent."
Laten we de dingen vandaag eens wat anders gaan zeggen en doen dan vroeger.
Er valt wel wat te vernieuwen. We zeggen de dingen tenslotte ook niet meer op dezelfde wijze als b.v. Huyqens, toen hij in 1667 over varkens en dominees in één gedicht het volgende schreef:
"Op eenen kleer-bessem.
'k Hebb dese Borstelen een stinckend
beest slen dragen:
Maer, nu se dienstigh zijn, hebb ick
daer na te vragen?
Daer staet een Mensch op stoel
mijn' leemten aen en tast
Met Peper en Azijn: rnaer 't is een
werelds eh gast,
Soo menschellek als ick, en emmers
soo voll schulden
Als die sijn' Tonghe tucht: soud ick
daerom niet dulden,
Dat hij mijn: vuijlen kuljsch'? neemt,
hij een Vereken zij,
Dat raeckt hem: rnaer hij veeght
scherp en schoon;; dat roert mij."
In 1672 verscheen hetzelfde gedicht nog eens onder de korte titel "Borstel".
Voor wie het vers niet geheel begrijpt - ik had er eerst ook wat moeite mee nog het volgende: Ook al zijn de haren van een borstel eerste gedragen door een "stinckend beest", dat is van geen belang meer, als die borstel maar goed veegt. Zo is het ook met de dominé op de preekstoel, hij berispt mijn fouten, hoewel hij zelf ook maar een "wereldsch gast" is, een gewone sterveling. Maar ook al is hij zelf vol schulden, dat betekent toch niet, dat ik niet dulden zou, dat hij mijn fouten aanwijst. "Neemt, hij een Vereken zij" (O Huijqens!), stel het geval dat hij een varken is, dat is zijn zaak, maer hij veeght scherp en schoon; dat roert mij." Het gaat er maar om, dat hij goed veegt. God wil die Borstel gebruiken. ze zeggen we het vandaag niet meer, hoewel het wel leuk is om te lezen. Maar laten we ook andere dingen eens wat anders gaan zeggen èn doen.