Immanuel - teken van heil of van onheil?
1976-10-29
Wij zijn misschien zozeer geneigd de naam Immanuel te verbinden met gedachten van heil alleen, dat bovenstaande vraag ons vreemd in de oren klinkt. Maar bij aandachtige lezing van Jes. 7 kan ze toch terecht worden gesteld.- Jaargang 20
- nummer 42
Koning Achaz ontvangt het teken van Immanuel nadat hij zelf geweigerd heeft van God een teken te vragen. God geeft de koning wat hij niet hebben wil. Hij zal geen verontschuldiging kunnen hebben voor het geweigerde geloof. Maar kunnen we na de uitspraak in vs 13 nog een teken van heil verwachten? Zal God op Achaz' duidelijk uitgesproken 'nee' anders reageren dan met onheil en gericht? Maar daarnaast kan worden gevraagd hoe de geboorte van een zoon, die Immanuel (= God met ons) genoemd wordt een onheilsteken kan zijn.
Ik ga ervan uit dat 'de jonkvrouw', die de moeder van Immanuel zal worden, gezocht mag worden onder de meisjes uit de harem, die Israëls koning, als een echt oosterse vorst, bezat. Jesaja spreekt zelfs uitdrukkelijk van dê jonkvrouw.
Wellicht denkt hij dan aan een meisje, dat juist in die periode zich in het bijzonder mocht verheugen in de gunst van Achaz. Misschien woont ze het onderhoud tussen koning en profeet wel bij. In elk geval, zegt Jesaja, zal zij de koning 'n zoon baren. Op zichzelf is dat een verheugend bericht voor Achaz. Het is een belofte dat de dynastie zal worden voortgezet.
En in óórlogstijd is de geboorte van een koningskind helemaal bemoedigend. Uit zo'n gebeurtenis kan een in 't nauw gedreven volk weer moed en inspiratie putten. Maar de moeder geeft bij de benaming van haar kind aan, dat God zelf het is die moed en inspiratie geeft. Volgens een al zeer oude joodse uitleg moet bij Immanuel gedacht worden aan de latere koning Hizkia. De jonkvrouw is dan Abi (2 Kon. 18, 2), onmiskenbaar een gelovige vrouw, die haar zoon ook in het geloof heeft groot gebracht. De geboorte van dit prinsje is de garantie voor de verlossing van het koningshuis en het volk. Dat klinkt nog niet zo gek voor Achaz, zou je zo zeggen. Ondanks zijn ongeloof schijnt het allemaal nog al goed af te lopen. Het is echter niet méér dan schijn! Inderdaad spreekt het teken van Immanuel over het heil. dat Davids huis blijft ondervinden.
Achaz' ongeloof kan Gods trouwe beloften niet ongedaan maken.
In vs 7 heeft Jesaja ten aanzien van de boze plannen van Aram en Efraïm nog uitdrukkelijk gezegd: Het zal niet bestaan en het zal niet geschieden! Zou hij nu moeten zeggen dat het wel bestaat en wel geschiedt, omdat een ongehoorzaam koninkje weigert te geloven? Zo is God niet. Maar Jesaja heeft ook gezegd: Indien ge niet gelooft wordt ge niet bevestigd. Gelooft ge niet vast, dan staat ge niet vast. Daar komt God óók niet van terug. Hoe heilvol het teken van Immanuel ook is, voor Achaz kán het geen heilsboodschap meer bevatten.
De vraag moet gesteld: Voor wie geldt dan de belofte 'God is met ons'? Achaz hoort daar kennelijk niet meer bij, gezien het betekenisvolle 'mijn God' van vs 13 tegenover het 'uw God' van vs 10. Nee, niet voor hem, maar wel voor zijn huis is er nog toekomst. Alleen de rest, die zich bekeert en gelooft in het woord van de HEERE en het niet verwacht van Assur, vertegenwoordigd door die moeder met haar kind Immanuel - alleen die rèst blijft over om de vervulling van Gods belofte te genieten. Achaz heeft zichzelf door zijn pro-Assyrische politiek buiten spel gezet. Hij heeft getracht de duivel uit te bannen met Beëlzebul. Maar een dergelijke politiek lijdt altijd schipbreuk. De schrijver van het Kroniekenboek vertelt heel fijntjes: Tiqlath-Piléser, de koning van Assur, rukte naar hem op, maar bracht hem in het nauw en ondersteunde hem niet (2 Kron. 28, 20). Nee, niet door het optreden van Achaz zal de roep 'Immanuel' weerklinken. Dat zal gebeuren door een ander.
Die ander zal aanvankelijk overigens de zure druiven van Achaz' houding plukken. Boter en honing, het voedsel van de rondzwervende woestijnstammen, zal hij eten.
Vanwege het huishouden der Assyriërs (vs 21 vv) zal zelfs de jongste kroonprins een nomadenbestaan moeten leiden. Maar God zal het koningshuis en het volk door deze crisis heen voeren. Ook al staan ze tot de hals in de vloed, omdat God met hen is zullen ze toch een gelukkige rest zijn. Jesaja wil maar zeggen dat redding van welke narigheid en ellende dan ook alleen te vinden is in Gods inzet voor ons, in vertrouwen op Zijn sterke arm. Maar nooit komt die redding tot stand door enige vorm van zelfbescherming. Mattheüs zag daarom in de komst van Christus terecht de vervulling van het Immanuelteken.
De geboorte van de eerste Immanuel was niet meer dan de garantie van de belofte 'God met ons' in dát speciale uur, toen Juda bedreigd werd door de legers van Aram en Efriaïm. Maar de komst van Christus is voor Gods volk van álle tijden de waarborg voor de bevrijding van iedere vijand.
Echter ook het vervulde teken bewerkt heil èn onheil. Heil voor wie geloven. onheil voor wie niet geloven. Want Christus is gesteld tot een val en een opstanding van velen en tot een teken dat weersproken wordt. Hij is de steen, waarover velen struikelen, terwijl anderen het gebouw van hun leven erop funderen. Tijdens Zijn aardse leven beweerden Zeloten en Farizeeërs en andere groeperingen: God is met óns! Maar hun houding leidde tot het gericht: de verwoesting van Jeruzalem. Slechts de rest, die zich bekeerde, leerde het Immanuel-teken tot hun troost verstaan. En Christus, hun Heer en God, beloofde met hen te zijn al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Die belofte geldt in alle situaties, waarin Gods volk verkeert en tegen alle gevaren, die Gods kinderen bedreigen. Maar altijd is de vervulling der belofte gebonden aan geloof. Want geloven we niet vast, dan staan we niet vast.
Vandaag is de verleiding zeker niet minder groot om naast God of in plaats van Hem de hulp van andere machten in te roepen. Is de moderne mens immers niet knap en machtig? De mens van nu is de mens van de atoomenergie, van de computer en van onderzoekingen op Mars. Het is de mens, die zichzelf als schepper ziet van zijn eigen wereld en normen: aan niemand verantwoording schuldig dan alleen aan eigen gevoel en geweten. Maar met al onze mogelijkheden komen we geen stap verder. De nieuwe wereld, die beter moet zijn dan de huidige, blijkt niet tot stand te komen. We praten over vrede, maar we maken oorlog. We pleiten voor saamhorigheid en gemeenschapszin, maar we gaan onderhand kapot aan de vervreemding van elkaar.
Heel het leven is verstrikt in een onontwarbaar kluwen van menselijke schuld en de gevolgen daarvan.
Iemand heeft eens gezegd: De duivel heeft een scherp verstand, maar hij heeft geen hart. Is dat niet van toepassing op onze samenleving? Met ons verstand gaat het best. Hersens zijn er genoeg!
Daar kunnen de maanvluchten van getuigen en de harttransplantaties. Maar het helpt de wereld niet vooruit. Want we missen het hart van een kind. Maar bij het hart ligt het begin van het heil voor de wereld. Het hart van steen moet verwijderd en een hart van vlees getransplanteerd. Een hart, dat vertrouwt op God alleen en op Zijn reddend ingrijpen. De vrede met God en de vrede met elkaar is niet iets dat wij maken met ónze handen, bedenken met ónze hersenen, afdwingen door een uiterste krachtsinspanning van ónze goede wil. Die vrede wordt ons als een genade gegéven! Die wordt ons aangeboden in de doorboorde hand van Jezus Christus.
Hij alleen kan het hart van een mens vernieuwen. En zo'n vernieuwd hart is een vredeshaard in een verscheurde wereld, een onderpand dat God zal waar maken wat Hij heeft beloofd: Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Zo'n hart ontvangt het juiste zicht op het eigen leven en op de wereld daar om heen. Maar omdat ook vandaag tallozen het Immanuel-teken verwerpen kunnen wij de vrede slechts verwachten door de ondergang van deze wereld heen. Het komt slechts langs de weg van het gericht. Maar het Kind van Bethlehem, liet Lam dat de zonde wegneemt, de Leeuw uit de stam van Juda, is met ons, Immanuel.