De mondigheid van de gemeente

1976-11-05
  • Jaargang 20
  • nummer 43
We willen nu de vraag onder ogen zien naar de verhouding van ambt en gemeente.
Is de gemeente zo van de ambtsdragers afhankelijk dat zij geen zelfstandigheid tegenover hen overhoudt of is zij ten diepste geheel vrij tegenover haar ambtsdragers, zodat deze hoogstens als broeders onder de broeders zijn te beschouwen of ligt er tussen deze beiden nog iets in?
Met deze vraag hangt die van de mondigheid van de gemeente ten nauwste samen. Het is zelfs gewenst om ons eerst over die mondigheid nader te beraden om dan pas bovenstaande vraag te beantwoorden.
Over die mondigheid spreekt de apostel Paulus in Galaten 4. Hij vergelijkt in dit hoofdstuk de positie van de kerk onder het Oude Verbond met die van een onmondige erfgenaam. Deze werd bij de welgestelde Grieken toevertrouwd aan een "tuchtmeester", een paedagoog, die hem o.a. moest vergezellen op de weg naar school en naar de gymnastiekplaats en had op te- leiden tot een aan leeftijd en stand beantwoordend uiterlijk gedrag, zie de K.V. op Galaten van prof. Greijdanus.
Zo'n pedagoog is de wet nu geweest voor de kerk onder het Oude Verbond, schrijft Paulus. Hij denkt hierbij dan aan de Mozaïsche wet met haar vele ceremoniële voorschriften en geboden, met haar heilige tijden en plaatsen en personen - de priesters. Door dit alles werd het volk wel bewaard, maar tegelijk ingesloten, in verzekerde bewaring gehouden en ook op een afstand van God gehouden. Want de toegang tot Hem was niet direct, maar werd bemiddeld door al deze voorschriften en zaken en personen. Schlatter spreekt van een armzalig surrogaat voor de vrije toegang tot God. Dit was alles met het oog op het geloof, tot (de tijd van) Christus. Want in Hem hebben we door het geloof de vrije en directe toegang tot God. Door zijn grote offer op Golgotha heeft Hij heel de ceremoniële dienst van God opzij gezet. Bij zijn dood scheurde het tempel gordijn van boven naar beneden.
Dan is de tijd van de onmondigheid van de kerk voorbij.
Ze is mondig geworden. Die mondigheid bestaat dus niet allereerst in haar zelfstandigheid tegenover de dragers der bijzondere ambten in allerlei kerkelijke aangelegenheden. Wie het zo stelt beweegt zich in een juridische sfeer en blijft aan de oppervlakte. De zaak van de mondigheid van de gemeente ligt veel dieper en is allereerst van geestelijke aard. De geweldige rijkdom van de Nieuwtestamentische kerk komt daarin voor ons te staan. Het gaat hierbij allereerst om de onafhankelijkheid der gelovigen van de dragers van het bijzondere ambt als priesters. als bemiddelaars tussen God en het volk, zoals zij dat onder het Oude Verbond waren en zoals zij zich in de Rooms Katholieke Kerk nóg presenteren.
Want het is wel waar dat zich in deze kerk een "democratische" tendens tegenover de priesterlijke hiërarchie sterk maakt, vooral maar toch niet uitsluitend in Nederland. Het zogenaamde lekenelement laat zich steeds sterker gelden. Maar al wordt dit ook steeds meer gehonoreerd in allerlei inspraak en medezeggenschap, daarmee is de. wèrkelijke mondigheid van het kerkvolk nog niet verkregen. Want deze bestaat principieel en voor alles in de onmiddellijke toegang tot God door het geloof in Christus onafhankelijk van enige priesterdienst, die aan het bijzondere ambt zou zijn toevertrouwd.
En dit blijft in Rome het geval, want het hangt onlosmakelijk samen met heel de Roomse kerkbeschouwing en heilsleer. Zo lang Rome Rome blijft blijft het kerkvolk onmondig, hoe. men ook democratiseert.

De mondigheid van de Nieuwtestamentische kerk ligt uitgedrukt in de prachtige typering van Petrus, die haar een koninklijk priesterschap noemt, 2 Petr. 2 : 9. De gelovigen zijn door Christus, zo wil hij zeggen, allen priesters geworden, d.w.z., ze hebben allen nu de onbemiddelde toegang tot God, zoals de priesters van het Oude Verbond die hadden. Dit Oudtestamentische bemiddelende priesterschap is door Christus afgeschaft. Wij hebben nu vrij toegang om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, Hebr. 10: 19-21.
Deze mondigheid van de gemeente is dus van een onvergelijkelijke geestelijke rijkdom en niet allereerst van kerkelijk-institutaire aard. Vervolgens komt zij voor ons te staan in de verhouding tussen de kerk en het Woord van God. De kerk is nl. in het verstaan van het Woord Gods niet afhankelijk van enige menselijke instantie, die -dat Woord voor haar met gezag zou hebben uit 'te leggen. Wel is hulp van deskundigen onontbeerlijk, bestaande in vertaling uit de grondtalen en toelichting uit de toenmalige culturele en geschiedkundige situatie. Deze laatste is althans van grote betekenis. Maar het gaat nu om de uitlegging als zodanig met gezag. en dat van de doorgaande leer der Heilige Schrift, van het Evangelie van Jezus Christus.
Johannes schrijft in zijn eerste brief: En wat u betreft, de zalving, die gij hebt ontvangen van Hem, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen ... 2 : 27.
Met de zalving wordt de gave van de Heilige Geest bedoeld, waardoor de gemeente direct aan Christus is verbonden en van mensen onafhankelijk is geworden.
Daarom vervolgt Johannes ook met te zeggen: blijft in Hem, gelijk zij (de zalving) u geleerd heeft. De gemeente kan door de Heilige Geest die haar gegeven is onderscheiden wat haar aan Christus blijft verbinden of van Hem wil aftrekken. Deze mondigheid moet zij beseffen om zich onafhankelijk te weten van de dwaalleraars, al komen die ook met nog zo hoge pretentie van diep inzicht en kennis. Johannes spreekt hier dus praktisch en concreet in een bepaalde situatie, nl. die van de dreiging van nieuwe leringen door dwaalleraars. Vers 27 begint immers met de woorden: Dit heb ik u geschreven over hen, die u (willen) misleiden!
Maar in deze praktische vermaning ligt dan toch de algemene waarheid van haar mondigheid als zodanig opgesloten. Zij weet de waarheid, vers 21, nl. die van het evangelie van Jezus Christus. Dit geldt van de gemeente als zodanig en niet slechts van haar ambtsdragers of van bijzondere personen in haar midden. Gij hebt de zalving van de Heilige -en gij weet allen, vers 20. De Nieuwe Vertaling laat ons lezen: en gij weet dat allen, maar het woordje "dat" staat er in het Grieks niet bij. Allen hebben de nodige kennis van het evangelie.
Dit sluit de noodzaak van het groeien in de kennis niet uit. Paulus acht die voor zichzelf nog nodig. Nu ken ik onvolkomen, 1 Cor. 13: 12. Hij acht zijn bevoorrechte positie als Jood en Farizeeër vuilnis om Christus te kennen en de kracht zijner opstanding, omdat hij nog niet volmaakt is, Fil. 3: 10-12. Maar het gaat hierbij niet om kennis van nieuwe dingen, maar om verdiepte kennis en levensgemeenschap met Christus. Daartoe dient ook de toerusting van de gemeente door de van Christus gegeven ambtsdragers, Ef. 4: 11-16, maar deze heft haar mondigheid niet op en maakt haar niet van de ambtsdragers afhankelijk: zij kan zelf onderscheiden wat overeenkomt met wat zij van het begin af gehoord heeft, 1 Joh. 2 : 24 en dat moet in haar blijven.

Zo komt de mondigheid van de gemeente ook nog in een derde punt uit. Ik denk nu aan het kerkelijk institutaire. Ook daarin is zij mondig en wel in de zin dat zij principieel gezien van geen enkele andere gezagsinstantie afhankelijk is dan van het Woord Gods, dat zij van den beginne geleerd heeft. Natuurlijk zijn er in de kerk de ambtsdragers.
Er zijn zelfs ouderlingen, die tot bijzondere taak hebben om te leiden en te regeren, 1 Tim. 5: 17, 1 Cor. 12: 28. In praktische aangelegenheden, die niet de dienst van God in directe zin betreffen maar slechts uiterlijke maatregelen van orde zullen de kerkleden zich naar de regelingen van hun ambtsdragers gaarne schikken, maar principieel staat het zo dat de enige macht, die aan de ambtsdragers gegeven is die van het Woord van God is en daar zijn de gelovigen tenslotte alleen aan onderworpen. Zij mogen en moeten zelfs met dat Woord optreden tégen hun ambtsdragers. wanneer die buiten dat Woord om of tegen dat Woord in enig gezag willen laten gelden.
In de 16de eeuw is hierin het recht tot Reformatie der kerk door de gelovigen met nadruk gesteld.

Misschien zal het sommigen wat vreemd in de oren klinken wanneer zij horen dat deze mondigheid van de gelovigen ook tot uiting komt in het afleggen van openbare belijdenis van het geloof. Want deze wordt tegenwoordig nogal kritisch bekeken en door sommigen beschouwd als een soort van dwangmaatregel. die ambtsdragers aan de kerk zouden hebben opgelegd en als een aantasting van de positie. die reeds door de doop verkregen is. Het kan daarom' zijn nut hebben er op te wijzen. dat Dr F. L. Rutgers 20 oktober 1906 aan de Vrije Universiteit een rectorale oratie heeft gehouden waarin hij breedvoerig sprak over de betekenis van de gemeenteleden als zodanig volgens de beginselen. die Calvijn. toen hij openlijk optrad. heeft ontwikkeld en toegepast. Men had een zeventig jaar geleden nog de tijd om zorgvuldig en volledig te formuleren I In deze oratie zegt Rutgers onder meer het volgende. dat de moeite van het doorgeven waard is: "Maar wel was het iets bijzonders en iets eigenaardigs bij de Reformatie van Genève. dat Calvijn die belijdenis (van het geloof. G.J.) toen onmisbaar achtte. niet alleen voor de kerk als geheel. maar ook voor al haar leden persoonlijk. Waar de Reformatie destijds reeds was aangenomen. niet alleen in Duitsland. maar 'ook in Zwitserland.
had men daarbij zich bepaald tot het aannemen der belijdenis door hen die de kerk hadden te regeren of te leren. In Genève werd zulks voor het eerst ook verlangd van alle leden der gemeente.
En hoe nauw dat samenhing met de hooge beteckenis, die aan hen werd toegekend, is gemakkelijk in te zien" enz.. pag 16 en 17. De cursivering in dit citaat is steeds van mij - G.J.

Er zou over de mondigheid van de gemeente nog wel meer te zeggen zijn. ook voor wat het niet kerkelijke leven betreft. Maar we laten dat nu voor wat het is. In onze kerken hebben we in dit opzicht ook niet met een actueel probleem te doen naar ik geloof. Hoezeer we een actuele prediking begeren. van bevoogding van de gemeente vanaf de preekstoel. zoals we die vroeger wel hebben meegemaakt. zal wel nergens onder ons sprake zijn. En dat is maar gelukkig ook. want dat heeft genoeg ellende meegebracht voor gemeente en ambtsdragers beide!
De weg is nu naar we hopen gebaand om nog wat te kunnen zeggen over de rechten van de ambtsdragers tegenover de gemeente. want die zijn er ook. Dat is de andere zijde van het vraagstuk: ambt en gemeente. om het wat modern te zeggen: Maar daarover zo de Here wil een andere keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief