Dankdag

1976-11-19
  • Jaargang 20
  • nummer 45
Vandaag hielden wij dankdag, zoals dat heet. Vandaag hebben we in de kerk samen de Heere gedankt voor... ja, waarvoor eigenlijk? En hoe kwam dat eigenlijk?

Van oude tijden af kennen wij de Overijsselse bid- en dankdag. Die slaat op het zaaien en oogsten van ons dagelijks brood. Die Overijsselse bid- en dankdag is landelijk overgenomen. Men viert een doordeweekse dankstond of het bidden en danken wordt in de eerstvolgende zondagmorgendienst opgenomen. Zoals bij ons. Behalve voor het gewas dankten we ook voor de arbeid. En voor ons inkomen uit gewas en arbeid.
Jawel. En zeg nu niet dat deze overgeleverde kerkelijke gebruiken ergens een bijgeloof bevatten: dat bij verzuim de Heere wel eens niét voor ons gewas zou kunnen zorgen en dat wij wel eens géén reden voor danken zouden kunnen overhouden.

Die dankbaarheid of die dankdag heeft een goede Bijbelse bodem. U leest .in de boeken van Mozes over het feest van de eerstelingen en over het oogstfeest. De Heere vroeg van zijn volk om drie maal per jaar Hem openlijk aan te spreken. Ook terzake van ons dagelijks brood.
Hij wil gebeden zijn op tijd. Hij wil ook gedankt zijn op tijd. En het behouden van de Overijsselse bid, en dankdag, respectievelijk van een dankstond op de eerstvolgende zondagmorgen, is de moeite waard. Laten we dat elkaar en onze kinderen inprenten. We doen er goed aan, deze traditie voort te zetten. Hier zit geen draad traditionalisme in - dit is een zuivere, goede gewoonte.

En toch. Dat wij een dag per jaar de Heere danken voor ons onderhoud is natuurlijk wel zuinig. Wel minimaal. Als het goed is loopt ons hart vele malen per jaar over van dank. Iedere keer dat we aan een gevaar zijn ontsnapt. Elke maal dat we voor een verleiding zijn behouden.
Iedere dag dat we met ons gezin om de tafel mogen zitten, dat we spijs en drank uit Gods vaderhand zelf aannemen.

Er is van alles voor ons beschikbaar en alles in grote mate. Niet alleen ons dagelijks brood - ook de rest. Daar staan de meesten al lang niet meer bij stil. Ons dagelijks brood, zei een conferencier, daar gaat het niet om; het gaat om het beleg van dat brood! En die conferencier is al weer verouderd; het gaat om wat er bij komt aan drankjes en hapjes. Het gaat om wat er verder aan lolligs te beleven valt. Het gaat om de luxe, de verfijnde luxe, de uitgekookte luxe, die er te koop is. Het gaat er om, dat wij in overdaad de spaarpot van onze kleinkinderen leeg maken.

Dat kun je toch bezwaarlijk ons dagelijks brood noemen. Vandaar dat we met onze Overijsselse dankdag wel een beetje in de maag zitten. Dankdag voor gewas? Maar we rooien de tuindersbedrijven en importeren bétere aardappelen en béter graan. Gewas hoeft eigenlijk niet meer van ons. Nu dan: en arbeid, komt er dus bij. Zo weinig mogelijk arbeid en zo goed mogelijk beloond; zo veel mogelijk vakantie en snipperdagen. En inkomen, komt er dus vandaag ook bij. En speculatiewinst en zwart loon en steekpenningen en onverdiende provisies dan?
Ziet u wel dat we vandaag bij brood alleen niet leven? Daar komt van alles bij. En in hoeverre kunnen we Gade nog danken voor wat Hij en Hij alleen schonk? In hoeverre heeft onze handigheid daar mee te maken? Of onze zondigheid? En in hoeverre weet de fiscus af van datgene, waarvoor wij Gade onze dank brengen?

Dat zijn nare vraagjes. En die komen allemaal op de dag, waarop we overlopen van dankbaarheid. Ze bederven de dag. Ze bederven de dankbaarheid. Hadden die lui in het Overijsselse nu niets anders kunnen verzinnen?

Maar toch houden we die dankdag overeind. Terecht. Al was het maar om een maal per jaar met ons allen vast te stellen: dat een christelijk leven een leven van dankbaarheid is. Niet behoort te zijn - maar is. Want is ons leven niet een leven van dankbaarheid, dan is dat leven geen christelijk leven.

Om zalig te leven en te sterven moeten we niet alleen kennis hebben aan onze zonden, niet alleen geloven, weten en vertrouwen, dat Christus ons verlost van onze zonden, maar bovendien: Gode met ons leven onze dankbaarheid bewijzen. Daarom zeiden we, dat een leven zonder dankbaarheid geen christelijk leven is. Het is een onvolkomen leven. Het is gewoon geen leven.

Van de vroege morgen tot de late avond hebben we redenen om dank u te zeggen tegen onze Vader, die in de hemelen is. Dank u voor de gezondheid. Misschien wel dank u voor de ziekte, die U me zond. Dank u voor mijn ouders, mijn gezin, mijn kinderen, mijn echtgenoot, mijn vrienden. Dank u voor de gemeenschap der heiligen. Dank u voor het mij opgedragen werk; vooral voor de moeilijke dingen die er bij horen. Dank u voor die vriendelijke broeder en voor die lastige zuster.
Dank u voor mijn gezicht, mijn gehoor, mijn spraak, mijn tastzin en mijn reukvermogen; ook voor mijn smaak; wat zou ik moeten beginnen, als U me iets daarvan onthield. Dank u voor mijn collega's, zowel de mensen op wie ik mag bouwen als de mensen, die mijn steun nodig hebben.
Dank u dat ik mijn zorgen aan u mag toevertrouwen. Dank u, dat U me steeds uitkomst geeft zodra ik er om vraag. Dank u dat ik in voorspoed en tegenspoed mij veilig mag weten aan Uw hand. Dank u voor de muziek, die kostelijke gave welke u ons toevertrouwt. Dank u voor de zichtbare schoonheid in kunst en natuur, in ritme en kleur, in thema en doorwerking, in contrast en harmonie. Dank u dat U wel eens toornig op mij bent geweest; daardoor leerde ik Uw wetten beter kennen.
Dank u dat U van eeuwigheid af dezelfde bent en tot in eeuwigheid dezelfde blijft. Dank u dat U me telkens op de proef stelt, mij tegenspoed zendt; het kan me slechts meer aan U verbinden want ik weet dat U bijzonder de kinderen tuchtigt, die U liefhebt.

En dan zijn er dingen, waarvoor we de Heere bepaald niét kunnen danken. Een gift, die zweemt naar omkoping. Een uitnodiging, die echt overbodig moet heten. Een benoeming, die een streling onder de kin betekent maar die mijn kijk op zaken en personen kan vertroebelen. Wat doen we met die dingen? Weigeren dan maar. Op gevaar af dat ik er iemand mee voor het hoofd stoot. Zo iemand heeft dat stootje wellicht nodig.

Zo houden we dus de Overijsselse bid- en dankdag in ere. Om God de Heere aan te roepen voor alle nooddruft, dat is voor alles wat we bepaald nodig hebben om ons leven te onderhouden. Om God de Heere te danken voor de verhoring van ons voorjaarsgebed. Om opnieuw te beseffen: aan 's Heeren zegen is 't al gelegen. En om te verstaan: dat alles wat we meer krijgen dan ons dagelijks brood - het beleg zowel als de drankjes en hapjes, de pretjes zowel als de luxe - kan medewerken ten goede maar een verleiding kan zijn ten kwade.

Het natuurlijke komt eerst, zei Paulus, daarna het geestelijke. En de bede om ons dagelijks brood is ons eerder in de mond gelegd dan de bede om schuldvergeving. Zeker niet zonder grote oorzaak. Maar als ons natuurlijke leven zo zeer wordt onderhouden als dat vandaag gebeurt - wat mogen we dan wel voor geestelijke vruchten voortbrengen, dacht ik, om in de pas te blijven met Gods gunstbewijzen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief