Dan is je ruitje beslagen (5)

1976-11-26
  • Jaargang 20
  • nummer 46
Ad III.2. Het geloof is uit het gehoor. Zou je bij een catechisatieles dan toch gebruik mogen maken van audiovisuele media? Zou het goed zijn een film te vertonen, een diaserie, of een video-opname?

Wanneer we onze gedachten laten gaan over audiovisuele leermiddelen, bevinden we ons binnen het kader van leermiddelen in het algemeen. We willen daarom eerst enige opmerkingen maken over de hantering van leermiddelen in het algemeen, om daarna nader in te gaan op het verschijnsel van audiovisuele leermiddelen.

We dienen vooral te bedenken dat een leermiddel niet beoordeeld kan worden los van de didactische situatie waarin het een rol speelt.
Het leermiddel mogen we niet los, rukken uit het onderwijs- en leerproces, waarvan het een deel uitmaakt. Er is veel voor te zeggen om ook de hantering van een leermiddel te beschouwen als een facet van een pedagogische handeling.
Het wezenlijke van het leermiddel ligt in zijn instrumenteel karakter, in zijn hulpmiddel zijn in het proces van het onderwijzen. Het zal duidelijk zijn dat de leermiddelen niet alle OP hetzelfde niveau staan, wat b~treft hun instrumentele bijdrage. Zo is een boek een mèer onmiddellijk instrument dan het bord, omdat een boek het gedrukte woord zelf direct geeft en uitgebreider is dan het bord. Uit de bepaling van het leermiddel als een instrument dat kan (!) worden ingeschakeld, kunnen enige conclusies getrokken worden:

1. Het leermiddel is geen autonoom iets, maar staat en valt met de wijze waarop het wordt ingeschakeld in het leerproces.

2. Als we het verschijnsel audiovisuele leermiddelen bezien, kan iedereen vaststellen dat de moderne communicatiemedia in het onderwijs hun intrede doen.
Televisie, film, geluidsbanden, transparanten enzovoorts worden voor vele doeleinden in het onderwijs aangewend. Het gevaar van verzelfstandiging is bij deze moderne leermiddelen reëel. omdat ze niet gegroeid zijn uit de didactische situatie, maar buiten het onderwijs zijn ontstaan. Wanneer men zo het belangrijke principe van de aanschouwelijkheid uit zijn verband rukt en boven alles gaat stellen, dan is men geneigd om de leermiddelen omwille van deze aanschouwelijkheid als een doel op zichzelf te stellen. Een auteur als W. Janssen heeft aangetoond dat de moderne media vaak op incidentele, onsystematische wijze worden gebruikt. Men redeneert: de middelen bestaan, dus men moet er gebruik van maken. Een juiste vraagstelling is echter: welke aspecten in het onderwijsleerproces - met name ook welke belangrijke vernieuwingsaspecten komen beter of eindelijk eens tot hun recht bij het inschakelen van technische media? Janssen zegt dan: “Zo maken de autonome functies der media plaats voor Integrale functies."

3. Vooral sinds de invoering van audiovisuele middelen klinkt de vraag of een leerkracht niet geheel vervangen kan worden door deze media. Zou je niet een hele jaargang catechisatieonderwijs kunnen opslaan in filmdozen. tapecassettes en werkboeken? Of zou de servering van deze didactische blikgerechten zwaar op de maag gaan liggen? We zijn ervan overtuigd, dat zelfs het beste leermiddel de docent niet mag vervangen.
Daarenboven is een docent zelf verantwoordelijk voor hetgeen met een leermiddel gebeurt, omdat hij het leermiddel zelf heeft gekozen en vooral omdat hij (!) tenslotte het leerproces moet leiden. Het leermiddel mag geen despotische macht gaan uitoefenen... Een ieder weet", aldus Langeveld, dat een docent zelf het mooiste onderwijsmiddel nog van persoonlijke aanvullingen, notities, tussenwerpsels, toevoegingen, postscripta en veranderingen voorziet." Elke vertechnisering namelijk van het onderwijs is een verarming van de menselijke verhoudingen.
Daaruit mag men echter niet besluiten dat het invoeren van de moderne media automatisch het onderwijs een onpersoonlijk karakter zou geven. Een technische uitrusting maakt docent en student niet noodzakelijk tot robotten! Juist omdat de instructieve rol van de docent door verschillende media op een veel doelmatiger, indringender, afwisselender en directer wijze wordt overgenomen, kan de pedagogische taak van een docent beter tot zijn recht komen. Er komt tijd, ruimte en energie vrij om deze taak uit te oefenen. Hij wordt in deze situatie de zo gewenste menselijke factor in het geheel. Hij wordt de stimulator, de intermediator. Daarnaast zou een leerling in de technologische onderwijssituatie weleens betere kansen kunnen krijgen om zijn aanleg te ontplooien, zijn kundigheid te verbeteren en zijn kennis te vergroten.

We onderscheiden: 1. auditieve media, 2. visuele media en 3. audiovisuele media. Bij de auditieve media kunnen we noemen het gesproken woord, de platenspeler, de band/cassetterecorder en de radio.
Visuele media zijn o.a. het schoolbord (flanel, folieflanel, nylonkit, magnetisch), prikbord, Hipover, wandplaat, wandkrant, stempel, model, maquette, episcoop, diaprojector, overheadprojector en filmprojector (16 mm, 8 mm). De audiovisuele media worden ondermeer gevormd door de 16 mm geluidsprojector, de 8 mm geluidsfilmprojector, de videorecorder en de diaprojector (diaklankbeeld).

Binnen de Reformatie wordt de weg der middelen doorgaans met overtuiging bewandeld. Binnen het catechisatieonderwijs zou men misschien wat vaker de weg der leermiddelen kunnen betreden.

Aanbevolen literatuur:
1. Janssen, W. P., Onderwijstechnologie, Musses, Purmerend.
2. Janssen, W. P., Moderne onderwijsmiddelen in de praktijk, Bosch en Keuning, Baarn.
3. W. Degrootte, Het leermiddel in de didactische situatie, Tijdschrift voor opvoedkunde, jrg. 14, nr. 1. 1968-69.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief