Opvallende christenen

1976-12-10
  • Jaargang 20
  • nummer 48
Het eigene
Een, aanvankelijk onvermoed, probleem van schrijven is, dat je de lezers niet bij voorbaat tegen je in moet nemen. Dat risico loop ik, wanneer ik als aanloop de term "zoeken naar eigen identiteit" gebruik. De een valt over het vreemde woord, de ander vindt het een afgekloven bot. Ik weet het, en daarom doe ik een beroep op uw lankmoedigheid.
Laat ik vooropstellen, dat wij niet de enigen zijn die op zoek zijn naar het eigene, het eigenaardige, en die daaraan vorm willen geven. Voor de een betekent dat een rusteloos op zoek zijn naar nieuwe vormen, een krampachtige poging uit de oude huid van het eigen verleden te kruipen. De ander probeert daarentegen juist angstvallig dat verleden te bewaren en te cultiveren: conservering van het pand der vaderen is een cliché kerktaal en leven ruimschoots waard. Het cliché kan daarbij ervaren wamen als een bevestiging en herkenning van het eigene, de identiteit. De woordenschat der kerk wordt beperkt gehouden.
Wie zich daar niet van bedient, valt direct op als een vreemdeling in Jeruzalem en wordt argwanend bezien of aangehoord. Niet wat de man zégt, is doorslaggevend, maar veel meer dat de oude vertrouwde klanken ontbreken. Dat laatste is vaak veelzeggender dan bijv. "de volkstaal op de kansel" van dr G. H. ter Schegget met ook mijns inziens weinig gepaste uitdrukkingen als "uit de klauw lopen". Het zijn hooguit de prinsen - onder de dichters, die zich clichés of volkstaal mogen veroorloven. Zij worden toch bijna niet gelezen, laat staan begrepen.

Het eigenlijke
Wat is nu eigenlijk het eigenaardige van christenen? Waarin onderscheiden zij zich van anderen?
Die vraag valt al te stellen bij een doopvont. Afgaand op uiterlijk en gedrag is het antwoord: niets. Het verschil ligt immers in het al dan niet behoren tot Gods verbond en daarvan is nu zelfs niet bij de jongetjes iets zichtbaars van overgebleven. Maar hoe zit het dan later, als de kinderen "tot hun verstand gekomen zijn" (u ziet: ik ben nog formuliervast)? Wat is dan typerend ? Met het antwoord op deze vraag is het oppassen geblazen. Eens ben ik het met prof. Rookmaaker die zoiets zei als: een christen is niet iemand met een blauwe ijsmuts. Zo'n opvallende karakteristiek of eigenaardigheid is het niet. Geef ik als antwoord: blijven' in de rechte leer (orthodoxie), dan kan men al dan niet terecht vragen: en de levenspraktijk dan? Want leer en leven zijn beslist niet te scheiden. Met dat laatste ben ik het van harte eens. Tegelijk vraag ik mij af. of ook dit geen cliché, geen dooddoener is. Want wat is dan het eigene van die christelijke levenspraktijk?
Waarbij ik aanteken, dat bij buitenstaanders het eigene meer uitkomt in wat wij laten dan wat wij doen. Dat is dus nogal negatief, helaas.

Spaarzame woorden
Een tegenstelling scheppen tussen leer en leven is overigens onnodig.
Een uitstapje naar het Oude Testament kan ons wellicht wijzer maken. De joodse indeling is nog steeds: eerst de onderwijzing (thorah) , dan de profeten, tenslotte de geschriften. Die geschriften vormen a.h.w. de- voorraadschuur van de wijsheid, die dank zij thorah en profeten is verworven.
Daarin vindt u dan ook boeken als Spreuken en Prediker.
Niet dat het vergaren van wijsheid alleen een zaak van het Oude Testament is - lees daar de brief van Jacobus bijvoorbeeld maar op na. Maar omgekeerd: de wijsheid van boeken als Spreuken en Prediker is bepaald geen verslagen wijn. Zij behoort evengoed tot de rechte leer als het overige, dat wij daaronder verstaan. Het is zelfs belegen wijsheid: een dwaas wie daaraan voorbijgaat. Daarvan raak je temeer doordrongen, als je eerst eens vaststelt, dat wij zelf veelpraters en veelschrijvers zijn. De markt wordt jaar in jaar uit overstroomd met een vloedgolf van nieuwe boeken , en echt niet alleen theologische.
Zelfs universiteitsbibliotheken zijn er verlegen mee hoe zij die aanzwellende stroom van informatie moeten verwerken. Zelfs voor een enkel onderdeel van een vakwetenschap is het vrijwel ondoenlijk alles wat verschijnt bij te houden en toegankelijk te maken. Je verdrinkt er praktisch in en encyclopedische kennis is voorgoed verleden tijd. Des te veelzeggender wordt het woord van Prediker (12 : 12): er is geen einde aan het maken van veel boeken en veel doorvorsen is afmatting voor het lichaam.

Een kostbaar geschenk
Neem dan ook eens dat oude boek Spreuken. Met zijn 31 hoofdstukken nauwelijks een boek om in één ruk uit te lezen. Het is dan ook een verzameling van verzamelde spreuken. Elke spreuk afzonderlijk is als een edelsteen van wijsheid gevat in een sieraad van zorgvuldig gekozen woorden. Een spreuk schrijf je ook niet zo maar even op. Laat staan dat je ze per dozijn of gros levert. Eerder is het spreukenboek als een tableau bij een juwelier: je pakt er een uit en bekijkt hem van alle kanten.
Spreuken worden niet aan de lopende band gemaakt. Ze worden eerst na lange tijd, als ze voldragen zijn, geboren. Inhoud en vorm getuigen van ervaring, beheersing, meesterschap. Ze zijn de vrucht van inzicht, wijsheid, kennis, overleg en...tijd. Daarom moet men er ook de tijd voor nemen. In de jaarlijkse boekenweek pleegt men de koper een boekengeschenk aan te bieden. Wie wijs - en dus vaak: oud - was, schonk zijn vriend een spreuk, een parel van wijsheid. In weinige, afgewogen woorden een schat van inzicht en ervaring. Zelfs wij weten nog: goede raad is duur (kostbaar).
Een spreuk is een kostbaar geschenk. In de wijsheidsboeken liggen die kostbaarheden uitgestald. Ze zijn Gods geschenk aan ons. Salomo, jong, vroeg de wijsheid van een ervarene- en verkreeg die. Diezelfde kans heeft ieder die de Heilige Schrift gebruikt. "Moderne" problemen liggen niet buiten het gezichtsveld van de spreukendichter: er is echt niets nieuws onder de zon. Opvallend is hoeveel "alledaagse" wijsheid ook hierin ligt opgetast. Gelovigen zijn geen onpraktische mensen.
Het alledaagse leven is juist hun leven. Het eigene van een christen is niet de een of andere opvallende eigenaardigheid. Het eigene is, dat hij in het alledaagse leven met wijsheid zijn weg zoekt. Een wijsheid die ogenschijnlijk alleen maar te verwachten is bij een ervarene, maar die - dank zij Gods boekengeschenk - binnen het handbereik ook van de jongere ligt. Bovendien: die wijsheid is er niet alleen voor eigen gebruik. Zij vraagt erom doorgegeven te worden, als een goede, kostbare raad. Dan blijft het eigene vanzelf als een raadsel voor de ander over: waar halen zij de wijsheid vandaan? Een vraag om over na te denken!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief