Het Zendingswerk van de Gereformeerde Kerken in Nederland 1945-1976
1976-12-17
Het Zendingswerk van de Gereformeerde Kerken in Nederland 1946-1976.- Jaargang 20
- nummer 49
Bolland, Amsterdam 1976
onder redactie van Dr J. van Bruggen en Dr C. Trimp.
Prijs f 24,50.
Het bovengenoemde boek is een soort Festschrift voor Ds D. K. Wielenga die onlangs een periode van 30 jaren als zendingslector aan de Kamper Hogeschool heeft afgesloten. Graag geven we m ons blad aan dit boek aandacht, niet alleen omdat Ds Wielen ga voor vele lezers en schrijvers van Opbouw een goede vried en broeder is gebleven.
maar ook omdat .het zendingswerk van de Vrijgemaakte broeders onze aandacht en belangstelling heeft. Helaas wordt het ons niet vergund om van dichtbij mee te leven. Het valt immers meteen al op dat de Gereformeerde Zending van Kampen, Haarlem en Leerdam, aan het einde van de vijftiger jaren in Zuid-Afrika onder de Zoeloes begonnen, buiten het boek wordt gehouden. Je zou toch zeggen dat we er van 1958 tot aan het einde der zestiger jaren toen we huiten verband raakten, er echt wel bij hebben gehoord. Maar het lijkt alsof we in dit boek met terugwerkende kracht er buiten worden gezet. Waarom toch? Juist een boek dat een zendingspanorama bedoelt te zijn, en dat blijkens het 'Ten Geleide' een overzicht wil geven van het geheel der zendingsactiviteiten, had toch aandacht behoren te geven aan die zending die later buiten verband geraakte. Maar het lijkt wel alsof de geschiedenis in dit boek wordt herschreven. We hebben er kennelijk nooit bij gehoord. Het enige spoortje van 'onze' mannen dat aan de aandacht schijnt te zijn ontsnapt, is de vermelding van Ds W. L. Kurpershoek op p. 115. Van onze kant blijven we met grote belangstelling het zendingswerk van de broeders volgen, omèat daarin tot geloof wordt opgeroepen en gemeenten van de Here Christus vergaderd. Geboeid lieten we het bonte zendinqspanorama aan ons oog voorbijgaan. Na een artikel van Ds H. Bouma over 'Zendingsonderwijs aan de Theologische Hogeschool' volgen een twaalftal artikelen over verschillende aspecten van zendingswerk op Irian [aya, Soemba en Savoe, Borneo, Brazilië, Curaçao, Suriname en Zuid-Afrika, alles afgesloten met een gedegen artikel van Ds C. J. Haak over de zo bitter-nodige voorbereiding van de zendeling.
Wanneer je het boek doorleest kom je af en toe iets tegen dat bijzonder de aandacht trekt. Bijvoorbeeld het feit dat de totale bevolking van de gebieden van de Zending van de Gereformeerde Kerken op Irian Jaya op 7000 wordt geschat. Hoewel we zeker oog hebben voor de specifieke moeilijkheden van de arbeid op het voormalige Nieuw-Guinea, lijkt - op een afstand - de blanke top van een 15 zendinqsmedewerkers wel wat erg aan de zware kant. Op de meeste zendingsvelden staan een paar arbeiders tegenover duizenden. Wel schijnen aldus de begerenswaardige voorwaarden aanwezig te zijn om tenminste grondig en diep te kunnen werken.
Het lezen van de problemen van de grote stadszending in Curitiba in Brazilië was ontdekkend. Hoe verschrikkelijk moeilijk is het om temidden van duizenden mensen een enkel contact te vinden!
En dat éne contact dan eindelijk gevonden is zo kostbaar!
Soms lijken de schrijvers zich niet al teveel aan te trekken van werkelijke zendingsproblematiek.
Wanneer je leest dat een bandrecorder met een Nederlandse preek erop ook als zendingspreek wordt gebruikt (p. 164). griezelt het je toe. Soms wordt er grof en ongenuanceerd gesproken, een erebundel voor Ds Wielenga onwaardig. We lezen van een Amerikaanse zendeling die op Borneo met het geven van aardse goederen de mensen voor het Evangelie trachtte te winnen en de schrijver zegt dan: 'het was de comprehensive approach'. Dan is zeker 'comprehenslve approach' wat we lezen van onze eigenste broeders op Curaçao over een zekere actie waarbij voedselpakketten aan behoeftige gezinnen werden uitgedeeld waardoor adressen beschikbaar kwamen. Hierbij kon de zending dan prachtig aansluiten! Ik vraag me toch echt af of het Bijbels past om temidden van geloof van een 'voodoocultus te reageren als een zendeling doet: 'Toen ik hen vroeg, of ze uit de Bijbel niet hadden geleerd, dat ze voor dat soort dingen toch niet bang hoefden te zijn…' (155-156). Hier proef ik een westers geseculariseerd spreken over heidense cultussen dat aan de Bijbel vreemd is. De Bijbel neemt de heilige religie dodelijk serieus en spreekt niet hooghartig over 'dat soort dingen'.
Wie - zo vrees ik - op dergelijke wijze met zijn gelovigen van de jonge kerken over het oude geloof spreekt, zal vinden dat het wel ondergronds wordt gedreven maar niet uitgedreven! Ds. Wielenga heeft ons geleerd om genuanceerder te denken! Het wil me voorkomen alsof de zendelingen op Curaçao met een onmogelijke instructie van hun zendende kerk zitten opgescheept. Die heeft bepaald dat door de prediking de mensen vergaderd moeten worden tot de bestaande Nederlandse gemeente. Zo worden de zendelingen in een onmogelijke situatie gedreven zoals Dok wel blijkt uit het artikel van Ds D.T. Vreugdenhil over Antillianisenng.
Het eerste op weg naar een inheemse gemeente is toch wel dat het Evangelie gehoord wordt in de eigen taal. Het is toch niet voor niets Pinksteren geweest!
Nu moet men wel een compromis toepassen in de eredienst, een Nederlandse preek met wat scheutjes liturgisch Papiamento.
Wanneer blijkt dat een instructie van de zendende kerk de inheemswording van de gemeente in de weg staat, dient deze haastig terzijde te worden gesteld.
Tenslotte nog een gesprekje met mijn oude vriend Ds J. Klamer over zijn artikel 'De Noodzaak van het Self-Supporting' Maken van de Kerken op Irian Jaya'. Men krijgt uit zijn artikel de indruk alsof de drie oude regels van Henry Venn en Rufus Andersen. namelijk zelfonderhoud, zelfregering en zelfuitbreiding van de jonge gemeenten evangelische noodzaak zijn en dat we hier ook met algemeen aanvaarde gedachten in de zendingsliteratuur te maken hebben. Wie zendingswetenschappelijke boeken van de laatste 20 jaar opslaat zal ontdekken dat de drie oude regels ganselijk niet meer als de waarheid gelden in de zin van vroeger. De belangrijkste factor in het leven van de jonge kerk is geen autonomie maar Christonomie, geen onafhankelijkheid maar Chrlstus-afhankelijkheid.
Zelfonderhoud kan toch niet als norm voor de zelfstandigheid van. een kerk dienen. Een zelfstandige kerk heeft Bijbels het recht om hulpbehoevend te zijn. Er zijn andere normen .en tekenen waaraan een kerk beoordeeld en gekend kan worden. Een nieuwe vorm van wetticisme - en dat virus gedijt zo gemakkelijk in de jonge kerken - ligt dichtbij de invoering van deze regels. Hierbij wil, ik geenszins een lans breken voor de onwenselijke en onbijbelse situatie waarbij de jonge kerken - zoals ik het in Zoeloe wel uitdruk - zich als luizen hebben vastqezet in het lichaam van de rijke Westerse kerk. Wie weten wil hoe het zendingswerk van de Gereformeerd Vrijgemaakte Kerken zich ontwikkeld heeft, kope Zendingspanorama.
Hij beseffe echter dat er enkele hoofdstukken aan toegevoegd hadden moeten worden over Zoeloe-zendinq. En dat sommige schrijvers genuanceerder bijdragen hadden kunnen leveren indien ze zich wat beter in de zendingsliteratuur hadden ingewerkt. Nu lijden enkele bijdragen aan oppervlakkigheid.