lets uit "Ommegang"

1976-12-24
  • Jaargang 20
  • nummer 50
In zijn boek "Ommegang" schrijft Auke Jelsma (dr A. J. Jelsma, docent aan de Theologische Hogeschool van de synodaal-Gereformeerde kerken) over de navolging van Christus. Op blz. 25 stelt hij een vraag, die we allen wel eens aan ons zelf mogen voorleggen:

“Toch blijft de vraag bestaan hoe het komt dat het christendom zo'n twijfelachtig verschijnsel gebleven is in het geheel van de menselijke samenleving.
Steeds die drommen mensen die Jezus wel aanvaarden als de Heer van hun leven maar tegelijkertijd op zo'n miserabele wijze falen. Wij zouden ons te gemakkelijk van dit probleem afmaken door allen die in de loop van de tijd de naam "christen" bevlekt hebben schijnheilig te noemen.' De "echte" christenen doen het wel beter, zegt men dan. Wij moeten er echter van uitgaan dat allen die zich christen noemen die ook werkelijk willen zijn.
Ze trachten zijn volgelingen te zijn. En toch kunnen zij op zo'n onbehouwen wijze met klompen. soms zelfs met soldatenlaarzen. op de zielen van anderen rondlopen. Waarom falen wij telkens weer terwijl wij niets anders willen dan God gehoorzaam zijn?"

Een vraag die het waard is eens rustig overdacht te worden, tenzij we menen het zelf allemaal zo goed te doen. Zij, die zó goed van zich zelf denken, hoeven dus niet verder te lezen. Zelfs met de beste bedoelingen voor ogen doen we het vaak nog verkeerd.
Zelfs al lopen we elke dag op onze tenen om het maar vooral goed te doen, zelfs dan nog "zakken we op het beslissende momen door". Dat komt wellicht omdat we te veel zélf willen doen in plaats van het Christus in en door ons te láten doen.
Christus leeft dn ons, dat betekent ook dat onze tenen de gewenste hoogte nooit bereiken kunnen. We luisteren nog even naar Jelsma:

"Christenen zijn mensen die hun Heer willen volgen. In gehoorzaamheid aan Hem willen zij nu op hun beurt verlossend in het leven staan. Maar halverwege mislukken zijl Jezus heeft in het liefhebben van de ander nu eenmaal een hoogte bereikt waar wij niet langer kunnen ademhalen. Hij is de berk die boven de boomgrens leven kan. Maar wanneer wij Hem tot voorbij deze boomgrens willen volgen en wanneer wij suggereren dat dit eigenlijk moet, scheppen wij een samenleving van mensen die zichzelf onophoudelijk forceren om althans de schijn op te houden. Eeuwenlang is de christelijke samenleving door middel van heiligenlevens voorgehouden hoe bepaalde figuren erin geslaagd zijn Christus te volgen tot het einde toe. hoe zij zondige emoties in zich wisten te overwinnen tot zij volledig beschikbaar waren voor de gemeenschap. Volgelingen van Christus, nu op hun beurt uitgegroeid tot verlossers voor anderen, in staat tot de wonderen die Hij had verricht.
Terecht heeft de reformatorische kerk zich tegen deze heiligenverering afgezet.
Zij herkende hierin een aantasting van de unieke betekenis van Christus.
Toch is dit protest ook binnen de reformatorische kerken te weinig vlees en bloed geworden."

Wij kunnen de wereld niet verbeteren.
Wij kunnen de ander niet tot Christus brengen, Wij kunnen de wereld niet redden.
Wij kunnen dat niet. zelfs niet als we menen op een vooraanstaande plaats te staan.
Wij kunnen dat niet. omdat we ons zelf nooit geheel kwijt kunnen raken.

"Het is uiteraard niet mijn bedoeling christenen te adviseren hun pogingen de Heer te volgen maar op te geven. Zo'n advies zou ook zinloos zijn. Echte christenen kunnen het toch niet laten. Wie werkelijk vol van Jezus is. kan niet werkeloos toezien op een wereld waar Gods schepselen zo moesten lijden.
Het is wel van wezenlijk belang dat christenen zichzelf in grote mate relativeren.
Terwijl wij de ander de helpende hand toesteken. moeten wij voortdurend beseffen hoe zwak die hand wel is. Wij moeten de ander voor ons waarschuwen.
Ik probeer je wel te helpen. dat doe ik ook van harte. maar blijf op je hoede; leun niet teveel op mij want op een gegeven ogenblik ga ik c!oor de knieën.
Ik heb jou evenzeer nodig als jij mij."


Christus navolgen is mèt Hém wandelen.
Het "voorwaarts, christenstrijders"
mag ons misschien wel aanspreken, evenals het "God roept ons broeders tot de daad", maar God roept ons niet tot marcheren, maar tot wandelen.
wandelen met Hem (Jesaja 2 : 5).
Wandelen met God.
Dat deed Henoch. Hij deed het zó, dat hij mét God tenslotte "alle anderen voorbij was, zodat hij uit het gezicht verdween."
Wandelen met God is geen prestatie van mensen.
Wandelen met God is God erkennen als Vooroploper.
"Komt, laten wij wandelen in het licht van de Heer." , Zo zei Jesaja het eens.
In het licht van de Heer!
Dát licht is het licht van het Kerstfeest.
het licht dat opging in een donkere nacht.
Geen zelfprestatie, maar verwondering.
Geen prestatieslag, maar het licht laten schijnen.
Geen krampachtig marcheren. maar wandelen.
En bij elke meter die we afleggen mogen we het zeggen: "Komt. verwondert u hier. mensen. ziet hoe God me bemint..."
Mij én u!
Mij èn de ander!
Mij èn mensen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief