Psalm 2: een profetische röntgenfoto
2012-07-28
De psalmen 1 en 2 zijn meer dan alleen maar de eerste twee van in totaal 150 liederen. Beide psalmen spelen in het geheel van het Oude Testament een bijzondere rol, omdat ze het derde deel van de Hebreeuwse Bijbel verbinden met de twee andere delen: de wet en de profeten. Psalm 1 bezingt de wet, Psalm 2 heeft de profetie tot onderwerp. Die laatste psalm is als een profetische röntgenfoto. De boodschap der profeten in een notendop. - Jaargang 56
- nummer 15
De profetie is in Israël opgekomen in de tijd dat het grote wereldrijk van de Assyriërs op het toneel verscheen, in de achtste eeuw voor Christus.
Je krijgt de indruk dat de geest van de profetie geprikkeld werd door dat menselijke machtsvertoon en behoefte had daar het rijk van God tegenover te stellen. Het kleine Israël viel weliswaar bij dat grote rijk van de Assyriërs in het niet, maar toch was dat onbetekenende volkje in dat onbetekenende landje het bruggenhoofd van waaruit God zijn heerschappij over alle volken der aarde zou oprichten.
Vooral dat heeft de profetie willen laten zien en voor dat perspectief hebben de profeten hun volk toegankelijk willen maken. Deze dienstknechten van God stuitten daarbij op de weerbarstige mentaliteit van de Israëlieten, die door zelfzucht en eigenbelang met hun hoofd en hart bij heel andere dingen zaten. Daardoor lijkt het erop dat de profeten alleen maar de bestraffers waren van die geesteshouding van hun volk. Maar het ging hen bij alles wat zij tegen hun eigen mensen zeiden toch om Gods wereldheerschappij over de volken der aarde.
Die goddelijke wereldheerschappij in toorn en in genade, daar waren de profeten vol van.
En het heeft Israël, ondanks zijn weerbarstigheid, eeuwige roem opgeleverd, getuige wat de oude Simeon zegt als hij het over het heil der wereld heeft: ‘Licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël’ (Lucas 2:32).
Assyrische grootmacht
Ik vermoed dat in de tweede psalm dat Assyrische wereldrijk genomen wordt als een beeld voor de goddelijke heerschappij. Dat wrede Assyrische rijk met zijn rijke verscheidenheid van onderworpen volken en landen.
In welke zin wordt dat rijk nu als beeld van het Godsrijk genomen?
Wij moeten denken aan de crisis in dat machtige imperium van Assur, die zich over de loop der jaren telkens weer voordeed wanneer er een regeringswisseling was en de koning opgevolgd werd door zijn zoon. Die wisseling werd namelijk door de volken gezien als een moment van zwakte in het regime en de uitgelezen kans om het gehate juk af te werpen.
Een keur van bondgenootschappen werd dan ook in zulke tijden tussen de verschillende vazalrijkjes gesloten, om met vereende krachten aan de overheersing van de Assyrische vorst een einde te maken.
De bedreigde koning reageerde daarop door in zijn gehele rijk te laten afkondigen dat er wat betreft de opvolging geen enkele onzekerheid bestond en dat de onderworpen volken zich maar beter konden blijven voegen in het oude gareel. ‘Nu dan, gij (onderworpen) koningen, handelt verstandig!’ was de raad die hun gegeven werd.
Ik hoor de lezer nu denken dat hij dit geen vriendelijk beeld vindt: de verdrukkende Assyrische grootmacht als beeld voor de Godsheerschappij over de wereld. Is dat niet ten enenmale een onacceptabele voorstelling?
Inderdaad, dat is het ook. Tenzij men zich realiseert hoe het er eigenlijk voorstaat tussen God en zijn wereld.
Dat dat geen gladde verhouding is, maar dat zij beide door een diepe kloof van elkander gescheiden zijn.
Zeg maar gerust dat het oorlog is tussen die twee, verticale oorlog.
Dat komt niet van God, maar de duivel heeft wereld en mensheid met een virus van opstandigheid besmet.
En telkens breekt dat virus uit in een razernij van revolutie. Totaal onbegrijpelijk, want God houdt niet op de wereld wel te doen, ondanks haar ongehoorzaamheid. Hij mag dan ook wel vragen: ‘Waarom woelen de volken en zinnen de naties op ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de HERE en tegen zijn gezalfde (zoon): Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen!’ (vers 1-3). Waarom toch? Wanneer de Assyrische koning die vraag naar het waarom zou stellen, zou daar gemakkelijk een antwoord op te vinden zijn, want het onderdrukkende regime in Nineve ging zich aan de meest wrede behandeling van de onderworpenen te buiten. Maar als de Here God die vraag stelt, moet het antwoord zijn: ‘Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat’ (vgl. Johannes 15:25). Niet dat de Almachtige zich door de volken en hun opstand bedreigd voelt. ‘Die in de hemel zetelt lacht; de Here spot met hen’, lezen we in vers 4. Hoog verheven boven zijn schepping ziet Hij het gedoe daar beneden aan. Het brengt Hem hoegenaamd niet van zijn stuk. Het brengt Hem ook geen enkele schade toe, al wil men dat nog zo graag. Een zee van haat moog’ met haar golven slaan, hoe hoog zij ga, zij raakt Hem zelfs niet aan. Toch is een soeverein lachen niet Gods enige reactie. Daarvoor neemt Hij zijn wereld te serieus. ‘Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn en verschrikt hen in zijn gramschap’ (vers 5). Zoals wij het in het boek Openbaring lezen: ‘De volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen’ (11:18). Dat God toornt, is een teken dat Hij de wereld in haar opstandigheid ernstig neemt. Hij zegt niet cynisch: ‘Ach, wat kun je ook anders van die wereld verwachten?’ Nee, de mensheid is een overvloedig gezegende mensheid en als die op die zegen niet anders dan met onverklaarbare haat en woede reageert, dan is er bij de Here God naast verwondering ook woede. Dan spreekt God tot zijn wereld in zijn toorn en verschrikt Hij haar door zijn grimmigheid. Dan zegt Hij: ‘Wat maken jullie me nou!’ En: ‘Heb Ik dat aan jullie verdiend?’ En toch zijn dat niet de woorden die volgens onze psalm uit Gods mond komen. Je zou het verwachten en de Here zou er volledig het recht toe hebben, maar in zijn toorn spreekt Hij dit onverwachte woord: ‘Ik heb immers mijn koning gesteld op Sion, mijn heilige berg’. ‘Mijn koning’, dat is weer die gezalfde van even eerder (vers 2). ‘Mijn koning’, dat is Gods tegenzet.
Die messias van God gaat om zo te zeggen de wereldregering van God overnemen.
Van een echte regeringswisseling is natuurlijk geen sprake. Dat speelde in de politieke realiteit van Assurs koningen en hun opvolgers wel, maar in de werkelijkheid van het koninkrijk Gods is de gezalfde de zaakwaarnemer van God en niet zijn opvolger.
Wel is er deze overeenkomst met de Assyriërs dat God aan de volken laat weten dat er ten aanzien van zijn blijvende heerschappij geen enkele onzekerheid bestaat en dat de koningen der aarde dan ook op geen succesje voor hun opstand mogen hopen.
Positieve toorn
Wat betekent het nu dat God zijn koning gesteld heeft op Sion, zijn heilige berg? De NBG-vertaling uit ’51 zegt: ‘over Sion’. Dan zou het gaan over het volk dat zich op en rondom de Sionsberg verzamelt. Het volk Israël dus. Maar het vervolg van de psalm laat zien dat de heerschappij van de gezalfde niet tot Israël beperkt is. Hij wordt aangesteld over de volken tot aan de einden der aarde, zegt vers 8.
Nee, op Sion moet het zijn, of ‘op de Sion’, zoals de NBV terecht schrijft.
Het verrassende is hier dat God zijn messias op het nauwst met het heiligdom in verband brengt. Op de Sionsberg wordt Hij tot koning aangesteld. Sion is hier de plek waar het Immanuël-geheimenis op grond van de verzoening bewaard wordt.
Psalm 110 zegt dat God de machtige scepter van zijn gezalfde vanuit Sion uitstrekt. Daarmee is hetzelfde gezegd. Namelijk dat de heerschappij van de Zoon des konings die God in de wereld vertegenwoordigt een genadeheerschappij zal zijn. Dat zijn regering gedompeld en gedoopt zal zijn in het bloed van het zoenoffer dat op de Sion vloeit. De zetels ten gerichte, zegt Psalm 122, de regeringsdepartementen, mag je zeggen, die staan daar opgesteld, in de onmiddellijke omgeving van de verzoeningscentrale die Sion is. En dat kleurt de heerschappij van de messias. Die heerschappij is uit op vrede tussen God en zijn wereld. Op vrede door het bloed van het kruis, uiteindelijk.
Dat dit geen soft doetjesregiment betekent, laat het vervolg duidelijk zien.
Daar komen we nog op. Maar hier stellen we toch alvast met verwondering vast dat de Here God met zijn koning-messias niet zomaar kwaad met kwaad komt vergelden. En dat de toorn waarin God deze vorst aanstelt een verrassend positieve strekking heeft. Positieve toorn, zoals op Golgota gebleken is... Toorn die de zonde straft, maar de zondaar redt.
Vader en Zoon
Vervolgens komt de zojuist aangestelde gezalfde zelf aan het woord: ‘Ik wil gewagen van het besluit des HEREN. Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt’ (vers 7). Het is een woord waar de uitleggers hun tanden op hebben stukgebeten.
De eeuwige generatie van de Zoon door de Vader is erin gehoord.
Ik wil daar zeker niet op afdingen, maar de eerste betekenis van dit zinnetje zou toch dichterbij kunnen liggen.
Zou het tweede zinsdeel van vers 7b het eerste niet kunnen bevestigen en versterken?
De oorspronkelijke Bijbeltaal, het Hebreeuws, gebruikt hier voor ‘verwekken’ een woord waarin de daad van het genereren of verwekken geen nadruk krijgt. Ging het om een vrouw, dan zou je het met ‘baren’ moeten weergeven. ‘Ik heb u heden gekregen’, zou daarom een goede vertaling zijn, zoals dat van beide ouders, vader en moeder, gezegd kan worden als ze met een kind gezegend worden. Vrij vertaald zou de godsspraak van vers 7 dus hierop neer kunnen komen: ‘Gij zijt mijn zoon en dat is vandaag niet anders dan toen Ik je kreeg’.
De gedachte hierachter is dat in de regel de band tussen ouder en kind het sterkst is bij de geboorte. Vanaf dat moment gaan de wegen van ouder en kind meer en meer uiteen en ten slotte komt het volwassen geworden kind zelfstandig naast de ouder te staan. Het oudergevoel slijt daardoor wat uit.
Wat hier nu gezegd wordt, is dat het zoon-zijn van de gezalfde vorst bij het groot worden niet de minste verzwakking heeft ondergaan. Een blijvende, zeer nauwe band tussen vader en zoon is aangeduid.
Daarbij moeten we trouwens bedenken dat het hier om een soort adoptie gaat. Tenminste, bij de profeet van Psalm 2 en dus bij de Here God. De gezalfde koning op de troon in Jeruzalem is niet een natuurlijke zoon van de Allerhoogste. Dat is de Christus later wel, op die heel aparte manier waarop Hij de Zoon van God is. Maar dat is hier enkel uit de verte aangeduid. Nee, hier is de bedoeling: ‘Mijn adoptief-zoon zijt gij en de gevoelens die Ik had toen Ik je kreeg, duren tot op de dag van vandaag onverminderd voort; wij zijn zeer, zeer nauw aan elkaar verbonden.’ Zoals gezegd: het tweede zinsdeel versterkt het eerste. En zo is de psalm op dit punt toch een profetie van het eeuwige zoonschap van de Christus.
Verpletteren en hoeden
Hoe innig de relatie is tussen God en zijn gezalfde blijkt uit wat volgt: ‘Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit’ (vers 8). Wij kennen uit de Bijbel het koninklijke woord: ‘Vraag maar en ik zal het u geven, al is het ook de helft van mijn koninkrijk’ (Ester 5:3, 7:2; Marcus 6:23). Hier evenwel wordt niet de helft maar het geheel van het koninkrijk aangeboden: ‘De aarde die des Heren is, de wereld en wie daarin wonen’ (psalm 24). Wat bij David nog een wensdroom was, gaat hier in vervulling: de wereldheerschappij. Maar wat komt daar nu in het directe vervolg achteraan? ‘Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkersvaatwerk’ (vers 9). Dient daartoe nu het koningschap van de gezalfde? Nog steeds, merk je hier, is er strijd tussen God en zijn wereld. Als je bij deze woorden de zondeval niet in rekening brengt, het opstandig worden van de mensheid tegen God, zijn dit harde, te harde noten om te kraken. Maar het is oorlog tussen hemel en aarde. Verticale oorlog. Vandaar. In het Nieuwe Testament komt deze tekst ook voor en daar wordt hij anders gelezen. Als volgt: ‘Gij zult hen hoeden met een ijzeren staf...’ (Openbaring 2:27). Hoeden in plaats van verpletteren. Het Hebreeuws van de psalm laat dat trouwens toe. Waarom doet het Nieuwe Testament dat? Om eraan te herinneren dat het ook in deze strenge woorden toch nog steeds gaat over de genadeheerschappij van de gezalfde. De scepter die vanuit Sion, vanuit de verzoening, wordt uitgestrekt, die tekent het regime van de zoon. Hij hoedt en is dus een herder, de goede herder. Zeker niet zoetsappig, maar toch zeer goed.
Zo kennen wij de Christusheerschappij toch ook nu nog? Dat Hij alles wat in ons tegen God ingaat stukslaat, om juist zo, daardoorheen, onze goede herder te zijn? Het evangelie is een tweesnijdend zwaard, het heeft die beide kanten. Zoals een andere psalm zegt: ‘Aanbidt zijn toorn en zijn genade’ (Psalm 46). Dat vind je hier ook: het verpletteren dat tegelijk een hoeden is.
Dat komt ook nog tot uitdrukking in de indringende waarschuwing die aan het eind van de psalm naar de koningen en de regeerders der aarde uitgaat. De waarschuwing dat elke opstand zinloos is. ‘Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde’ (vers 10). Kiest eieren voor uw geld, betekent dat.
Opstand is heilloos en vruchteloos.
‘Dient de HERE met vreze en verheugt u met beving’ (vers 11). Daar is opnieuw dat dubbele. Die vrees en beving, maar ook de vreugde. ‘Verheugt u met beving’, is een zeldzame uitdrukking waar je maar beter geen psycholoog op los kunt laten, want die komt er niet uit. Hoe zich verheugen en beven samen kunnen gaan, is voor elke zielkundige een raadsel.
Maar de geestelijke mens herkent het. De uitdrukking betekent dit: laat het gehoorzame in u zich verheugen, maar laat het opstandige in u beven.
Is er soms niet de tweeheid in ons van oude en nieuwe mens? Daarom kan het geestelijk leven nooit met één van deze twee woorden benoemd worden, of met verheuging of met beving.
Beide woorden hebben elkaar nodig, zolang wij in dit leven zijn. Daar moeten die christenen maar eens aan denken die of, aan de zware kant, van niets anders dan vrees willen weten of, aan de zonnige kant, het blij, blij, blij propageren. Ze zijn allebei eenzijdig.
‘Verheugt u met beving’ – raadselachtig op het eerste horen, maar hoe herkenbaar vanuit de praktijk van het geloof!
Kust de zoon
‘Kust de zoon’, staat er dan nog in het laatste vers. ‘Nassjeqoe var’, in de oorspronkelijke taal. Het is een zinnetje in een vreemde taal, ook voor de psalmist. Althans, dat valt te vermoeden.
De uitdrukking is namelijk niet voluit Hebreeuws maar Aramees.
‘Nassjeqoe’ is Hebreeuws en Aramees en ‘bar’ of ‘var’ is Aramees. Het Aramees was in het Assyrische wereldrijk de lingua franca, de taal van de diplomatie (vgl. 2 Koningen 18:26). Je kunt vermoeden dat deze oproep, ‘kust de zoon’, gestaan heeft in de boodschap die de Assyrische koning bij de regeringswisseling aan zijn vazallen gestuurd heeft. Kust de zoon, aanvaard hem als mijn opvolger!
Hier legt de profeet dit woord dan in de mond van de Here God, die op deze wijze de gezalfde zoon bij de wereldregeerders introduceert. ‘Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn’ (vers 12). Hij is, net als de Here God zelf, kortaangebonden en gauw aangebrand, want hoe lang duurt nu al niet de rebellie?
Mag hij misschien ook geprikkeld zijn?
De grote ontvlambaarheid van de gezalfde wijst op irritatie en ongeduld.
Zijn vingers jeuken om op aarde het recht, het ‘alles sal reg kom’, te brengen.
Wat bedreigend is voor de aardse regeerders en daarom als een scherpe waarschuwing van Gods kant moet worden verstaan. Vergis je niet in mijn Zoon, de gezalfde! En verzuim niet Hem te kussen, Hem dankbaar te aanvaarden. Het boek Openbaring spreekt dan van ‘de toorn van het Lam’ (6:16). Dat wil zeggen: de toorn die overblijft en zich nog verhevigt nadat het evangelie van het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt, is afgewezen.
Toch eindigt de psalm niet met een bedreiging. ‘Welzalig allen die bij hem schuilen!’ (vers 12b). De psalm eindigt met een zaligspreking. Want daarvoor was toch de gezalfde op de Sion gekroond? Om een schuilplaats in de wildernis van de wereld te zijn? De schuilplaats van de vrede met God?
God heeft hem in zijn toorn gegeven (vers 5,6), maar dat neemt niet weg dat hij de Heiland en Verlosser is. Voor alle tijden, voor zolang als de geschiedenis duurt. Want deze psalm gebruikt wel het Assyrische wereldrijk als beeld (zoals we vermoed hebben), maar dat mag er niet toe leiden dat wij hem tot enkel die tijd beperken. De psalm is een röntgenfoto van heel de geschiedenis en toont ons het geraamte en het gebinte van heel het wereldgebeuren. Als er daarom sprake is van de toorn van God over de volken, moeten we niet aan de uitzonderlijk geplaagde volken van deze of gene tijd denken. Aan bijvoorbeeld de onderdrukte volken van de oudheid of aan het Iran of Noord-Korea van onze dagen, waarin christenen het moeilijk hebben. God straft de wereld. En als zijn slagen op een bepaalde tijd of in een bepaalde hoek vallen, is het de bedoeling dat allen luisteren en zich laten gezeggen.
Zoals een wond op een bepaalde plek van het lijf niet alleen die plek maar het hele lichaam bezeert. Als u in een spijker trapt, is het niet enkel de voet die au zegt, maar het hele lichaam. U helemaal zelf.
Maar laat vooral dit duidelijk zijn: zo wereldwijd als de kastijding is, zo geschiedenislang is ook de balsem van het evangelie. Wij moeten leren om profetisch door de buitenkant van het gebeuren heen te zien om gewaar te worden wat er in werkelijkheid gaande is: oorlog. De verticale oorlog tussen God en de door de duivel behekste volken der wereld. En hoe God deze oorlog met zijn vrede wil beëindigen.
Hierbij kan de tweede psalm ons onschatbare diensten bewijzen. Hij geeft ons een profetische doorschouwing van het hele spektakel dat wereld en geschiedenis heet en laat zien dat het in dat alles om de Christus gaat en om onze verhouding tot Hem. ‘Laat komen, Heer, uw rijk!’ (Gezang 294:1, LvdK).
Drs. Henk de Jong is emeritus-predikant van de NGK van Zeist.
| De Hebreeuwse Bijbel De Hebreeuwse Bijbel (die bij ons het Oude Testament heet) heeft een andere indeling dan de onder ons gebruikelijke. In plaats van een tweedeling in historische en dichterlijke boeken is er een driedeling: de wet of de Torah (dat zijn de vijf boeken van Mozes), de profeten (die lopen van Jozua tot Maleachi) en de psalmen, waar nog een aantal andere boeken ‘zoals Job en de Spreuken van Salomo’ aan toegevoegd zijn. |
| Psalm 2 (NBG-vertaling 1951) 1 Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de HERE en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit des HEREN: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. 8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. 10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. 11 Dient de HERE met vreze en verheugt u met beving. 12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen! |