Herders en opzieners
1976-10-22
In de Nieuwe Vertaling van het N.B.G. komen we het woord ouderling niet tegen. Het heeft plaats moeten maken voor "oudste" - in het Grieks presbyters, welk woord wij kennen in de vorm van presbyter. Verder spreekt de N.V. over opzieners.- Jaargang 20
- nummer 41
Het woord prebuteros duidt in het Grieks de oudere aan en dan de oude man in tegenstelling tot de jongere.
We vinden deze betekenis nog in 1 Tim. 5: 1, waar de apostel Paulus zegt: Word niet heftig tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge mannen als broeders. Hier heeft het woord presbyter geen ambtelijke betekenis. In 1 Petr. 5: 5 treffen we de vermaning aan: gij jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Hier worden de ouderen dus van de jongeren onderscheiden, maar is het mogelijk dat zij een ambtelijk signatuur dragen, zie vers 1, al behoeft dat nog weer niet àlle oudsten in vers 5 te gelden.
Zo zitten we met deze teksten midden in het hart van de kwestie.
In de Joodse gemeenschap met haar diep respect voor het vijfde gebod hadden de oudere mannen met hun grotere ervaring en wijsheid een leidinggevende plaats.
Met kennelijke afkeuring vermeldt de auteur van Kronieken dat Rehabeam de raad van de oudsten verwierp om naar die van de jongeren te luisteren. Het gevolg was de scheuring van het rijk, 1 Kron. 10: 8.
Door deze omstandigheid krijgt het woord oudste bij de Joden langzamerhand de betekenis er bij van leidinggevende figuur, overste. De oversten worden aanvankelijk wel uit de oudsten gerecruteerd, maar maatschappelijke positie, rijkdom en bekwaamheid kan straks ook een plaats geven onder hen, die leiding geven en doen behoren tot de oversten of oudsten. Zo lezen we in de Evangeliën over de overpriesters en oudsten van het volk, b.v. Matth. 21 : 23. Deze oudsten zijn de hoofden van de aanzienlijkste niet-priesterlijke geslachten, als het ware dus de vertegenwoordigers van de gewone adel 1). Lucas noemt ze de voornaamsten van het volk, 19: 47. Zij vormden èèn van de drie groepen waaruit het Sanhedrin was samengesteld.
Oudste wordt dus synoniem met leiding gevend, vooraanstaand.
De leidinggevende figuren van de synagoge heten ook oudsten. Zij oefenden o.m. de tucht uit.
We verstaan dat langs deze weg ook in de eerste christelijke kerken de oudsten verschijnen. Vermoedelijk zijn dat aanvankelijk inderdaad de ouderen in leeftijd en degenen, die het eerst tot de gemeente behoorden.
Krachtens deze hoedanigheid gaat er als vanzelf een zekere leiding van hen uit. Zij vormen een natuurlijke stand. De jongeren moeten zich aan hen onderwerpen, zij geven raad en leiding. Straks worden uit hun kring de mannen gekozen en aangewezen, die ambtelijk toezicht op de gemeente moeten oefenen en nog presbyters kunnen heten, gezien de aan dit woord verbonden gedachte van leiding geven. Paulus heeft ze overal aangesteld in de door hem gestichte gemeenten, Hand. 14: 23, vgl. 20: 17. Ze waren ook in de Joodschristelijke gemeente te Jeruzalem, 15: 2 enz., 16: 4.
Over hun oorsprong in deze gemeente is ons niets bekend.
Vermoedelijk was hier navolging van de synagoge in het spel.
Terwijl de naam presbyter of oudste blijft bestaan komt daarbij nu die van opziener, in het Grieks episkopos, welke naam de ambtelijke functie aangeeft. Deze namen worden echter door elkaar gebruikt, met name in de Pastorale brieven. Het woord komt daarin echtr slechts in het enkelvoud voor; in Hand. 20 : 28 en Fil. 1 : 1 in het meervoud. Daar in het begin alles nog enigszins vloeiend is en er nog geen scherpe grenzen getrokken worden zullen we moeten aannemen dat er presbyters of oudsten waren, die door leeftijd en kwaliteit als zodanig een natuurlijke erkenning vonden nààst presbyters, die officiëel als opzieners waren aangesteld.
Alleen zo kan m.i. de veel omstreden tekst 1 Tim. 5: 17 bevredigend worden verklaard. De tekst luidt in de Nieuwe Vertaling als volgt: De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe: vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht.
In zijn overigens uitmuntende commentaar op de Pastorale brieven stelt Dr C. Bouma tegenover de presbyters die goede leiding geven zulke, die berispelijk zijn en hun arbeid zo verrichten, dat ze bestraffing of erger hebben verdiend. Maar zo wordt het' woord "dubbel" wel moeilijk te verklaren. Het wil toch zeggen: mèèr dan de anderen moeten de oudsten die goede leiding geven geëerd worden. Maar die oudsten die hun werk niet goed doen moeten toch in het geheel niet geëerd worden? Ze verdienen toch bestraffing of erger?
Wanneer we hier met andere commentaren en b.v.
Bavinck 2) onder de oudsten de gehele groep van presbyters verstaan en daarin hen onderscheiden die een ambtelijke functie hebben vallen alle moeilijkheden weg. .
Alle oudsten zijn om hun leeftijd te eren. Dat Paulus voor de ouderdom eer eist, kan niet verwonderen; Paulus was immers een Israëliet (Schlatter). Maar zij die onder de oudsten ambtelijk leiding geven moeten bizonder - dubbel - geëerd worden, als ze nl. goede leiding geven, want das Ambt ehrt den Mann nur, wenn er es recht verwaltet: het ambt eert de man slechts, wanneer hij het op de juiste wijze uitoefent (Wohlenberg).
Onder deze groep van oudsten komt dit eerbewijs nu echter nog weer in het bizonder toe aan hen, die zich moeite geven in prediking en onderricht. Zij besteden immers veel meer tijd aan hun ambtswerk dan hun collega's, die slechts in het algemeen leiding aan de gemeente geven. Het opkomen van 'allerlei dwalingen maakt dit leren zwaarder en ingewikkelder en vraagt tijd voor levensonderhoud en dat van het gezin. Vandaar Paulus' eis van extra eerbetoon, waarbij dan ook te denken zal zijn aan eerbewijs in de stoffelijke zin van het woord, honorarium. Het Griekse woord voor eer kent ook deze betekenis. Vergelijk ook vers 8: De arbeider is zijn loon waard.
Er zijn dus reeds in de Nieuwtestamentische tijd oudsten, die zich in het bizonder bezig houden met de prediking en het onderwijs, woord en leer en staan naast anderen, die leiding geven.
Calvijn onderscheidt in zijn Institutie en in zijn commentaar op Efeze tussen herders en leraars. Ef. 4: 11 zegt dat Christus heeft gegeven zowel apostelen als profeten, zowel evangelisten als herders en leraars.
De eerste drie groepen beschouwt Calvijn als niet blijvend, de herders en leraars daarentegen als blijvend.
Het is hem niet ontgaan dat deze twee onder èèn lidwoord worden samengevat. Hij gevoelt dat Paulus "gesproken heeft van de herders en leraars zonder onderscheid, alsof het eenzelfde orde ware" 3).
Hij ontkent ook niet dat de naam leraar enigszins aan alle herders toekomt. Maar toch wil hij "deze twee dingen" niet vermengen. Hij ziet er onderscheid tussen.
De herders hebben de kudde onder hun zorg en bewaring, de leraars dienen om de herders te vormen en te onderwijzen als om de gemeente te leren ..
Deze uitlegging van Calvijn is wel te geforceerd.
Paulus vat de herders en leraars onder een lidwoord samen - hij wil er blijkbaar dezelfde functionarissen mee aanduiden. Het weiden van de kudde door de herders vindt toch onder meer plaats door het leren.
En in de derde plaats is een zo minutieuze onderscheiding der ambten in het Nieuwe Testament ook elders niet te vinden. De ouderlingen, die dienen met prediking en onderricht (!) dragen dezelfde naam als zij, die wel regeren, I Tim. 5 : 17.
Er kan intussen geen bezwaar tegen bestaan mee op grond van Ef. 4 : 11 te spreken over herders en leraars én opzieners of met art. 30 N.G.B. over herders of dienaars en opzichters. De ouderlingen die naar 1 Tim. 5 : 17 zich moeite geven met prediking en onderricht zijn dan de herders en dienaars (leraars), de opzieners die ouderlingen die regeren. Het onderscheid in werk mag echter niet leiden tot een scheiding, alsof het èèn geheel los staat van het ander.
Het regeren moet immers ook geschieden met het Woord van God. "Vandaar dat ook iedere oudste op de hoogte moet zijn met de gezonde leer, "bekwaam om te onderwijzen." 4) We kunnen niet verder handelen over het werk van de herders en opzieners. Dat zou ons te ver voeren. We willen alleen proberen de schriftuurlijkheid van de ambten te laten zien en iets van de verhouding tussen ambt en Geest en ambt en gemeente, zulks in verband met de vragen en twijfels van deze tijd; Daarom tenslotte nog èèn opmerking.
Tot nu toe gebruikte ik de term "oudste" in navolging van de Nieuwe Vertaling van het N.G.B. Zoals we zagen is dit de letterlijke vertaling van het Griekse presbuteros.
Toch moeten we niet over het hoofd zien dat het Griekse presbuteros een ontwikkeling heeft doorgemaakt van oudste tot (ook) ambtelijke functionaris, die onze taal als zodanig niet kent. De Nieuwe Vertaling heeft deze betekenis wel ingevoerd, maar wijkt daarmee toch af van het gangbare spraakgebruik en het is de vraag of dit deze betekenis zal overnemen. Daarom is ze m.i. niet gelukkig geweest in haar vervanging van het woord ouderling, zoals de Statenvertaling dat heeft door oudste. Ouderling is nu eenmaal ingeburgerd als de technische term voor de hier bedoelde kerkelijke ambtsdrager, aan het woord oudste kleeft voor ons taalbesef de gedachte van grijze haren en die behoeft een ouderling toch echt niet te hebben, ook al zal de ouderling in de regel niet tot de jongste mannen behoren. Hoewel, er kunnen uitzonderingen zijn als b.v. Timotheüs en wat de "leer-ouderlingen" betreft, als ze van de academie komen zijn ze in de regel toch ook nog wel even beneden de dertig jaar?
1) Dr A. Sizoo, Uit de wereld van het Nieuwe Testament, pag. 72, vgl. T.W.B. sub voce.
2) Gereformeerde Dogmatiek, IV.
3) Commentaar, Leiden 1888, D. Donner.
4) Ds C. Vonk, De Voorzei de Leer, III B, pag. 155