De diakenen

1976-10-29
  • Jaargang 20
  • nummer 42

G. JANSSEN


* Geest en ambt

Over de diakenen zouden we nog afzonderlijk spreken. Ze worden door Paulus naast de opzieners en in één adem met dezen genoemd, Fil. 1: 1, 1 Tim. 3: 8-13. Hieruit en uit het feit, dat ze blijkens de tweede Schriftplaats aan bepaalde vereisten moeten voldoen, mogen we concluderen dat we in het diaconaat niet met een "spontane" dienst te doen hebben als bij die van de profeten, maar met een ambt. waartoe de dragers ervan werden gekozen en aangesteld.
De vraag of we de oorsprong van dit ambt in Hand. 6 te zoeken hebben, wordt zowel bevestigend als ontkennend beantwoord. Bij hen, die de vraag ontkennend beantwoorden weegt zwaar dat "de zeven", die gekozen worden m.h.o, op de bediening van de tafelen nergens diakenen worden genoemd. Maar hier staat tegenover dat deze bediening van de tafels wel degelijk een middel was voor de verzorging van behoeftigen. Het waren immers weduwen, die bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden.
Het is wel waar dat in elk geval twee van de zeven ook op de voorgrond traden bij de evangelieverkondiging, maar hiervan kan het volgende gezegd worden: Stéphanus kon dat ook al wel voordien gedaan hebben en juist daardoor bekendheid hebben verkregen in de gemeente.
Het ligt voor de hand dat hij dan naast de verzorging der armen toch ook is blijven prediken. Van de tweede - Filippus - wordt Zijn werkzaamheid in het evangelie verhaald ná de verstrooiing van de gemeente door de vervolging, Hand. 8: 3-5. Daardoor kan er voor Filippus in Jeruzalem geen werk als armenverzorger meer zijn geweest of kan het voor hem onmogelijk zijn geworden daar dat werk te doen. Als man vol van Geest (Hand. 6: 3) heeft de Here hem toen voor ander werk gebruikt.
In elk geval hebben "de zeven" enige tijd als armenverzorgers gefungeerd, daartoe gekozen door de gemeente en aangesteld door de apostelen, met oplegging der handen, vers 3-6.
Weliswaar horen we later niet meer van diakenen te Jeruzalem, hoewel daar toen zeker armoede was - 2 Cor. 9 -, maar dit doet het tot nu toe genoemde niet teniet en kan samenhangen met de opzet van Lucas' verhaal in Handelingen, waarin het in eerster instantie qaat om de verbreiding van het Evangelie voor Jeruzalem over heel de wereld, tot het door Paulus het centrum dier wereld bereikt heeft: Rome. de keizerstad.
De geschiedenis van de na-apostolische tijd heeft de diaken tot helper van de bisschop gemaakt en hem een speciale taak in de godsdienstoefeningen gegeven.
Maar daarvoor vinden we in het Nieuwe Testament toch geen grond.
Wel is het waar dat het werkwoord, waarvan het zelfstandig naamwoord diaken komt oorspronkelijk de dienst aan de tafel aangeeft, maar dit zal toch niet de avondmaalstafel zijn, zoals Beyer zegt in Kittels Woordenboek op het N.T., al. 2, pag. 92. We moeten hier denken aan Hand. 6, waar de dienst der tafelen in duidelijk verband gebracht wordt met de armenzorg. Het is mogelijk dat deze zo plaats vond dat men gemeenschappelijk aan tafels at, waarbij de rijken brood meenamen voor de armen - vgl. de liefdemaaltijden - of dat er aparte tafels voor de behoeftigen werden aangericht - zie Grosheide in Commentaar op Handelingen, I, 195.
De vraag naar de oorsprong van het diakenambt blijkt nogal wat moeilijkheden te geven. Misschien is de formulering zelf daaraan ook wel debet en kunnen we beter vragen waar we voor het eerst van aanstelling van diakenen gesproken vinden, want de oorsprong ligt toch eigenlijk in de wil van Christus en Zijn Geest. Wanneer we onder diakenen armenverzorgers verstaan dan vinden we er zonder vermelding van de naam voor het eerst in Hand. 6 gesproken. Gezien de in de aanvang nog vloeiende grenzen tussen ambten en diensten en de verschillende benamingen hiervoor kan het niet gebruik van de naam geen instantie vormen tegen de mening dat we in Hand. 6 voor het eerst over speciale armenverzorgers als ambtsdragers der gemeente gehandend vinden en zulks in verband met de daar gebleken behoefte.

Het woord diaken komt van het werkwoord diakonein. Dit heeft als eerste betekenis: bij de tafel (be)dienen, vgl.
Luc, 17: 8, dan ook voor de gasten zorgen, Marc. I: 31, Luc. 10: 40.
Het is bij uitstek het woord voor het christelijke liefdebetoon tegenover de naaste, in navolging van Christus, Marc. 10 : 45. Dit kan met woord en daad, 1 Petr. 4: 10. Als het met de daad geschiedt, wordt dit zonder meer dienen genoemd.
Het ambt van de diakenen wordt in het N.T. nergens duidelijk omschreven.
Wanneer we echter bedenken dat voor de vele werkzaamheden en diensten bepaalde functionarissen worden genoemd: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, presbyters en episcopaten of oudsten en opzieners, dan zullen we wel niet mistasten wanneer we voor de gaven en diensten als het dienen (1 Petr. 4: 10) het meedelen, het barmhartigheid bewijzen. 1 Cor. 12: 7 en 8. bekwaamheid om te helpen (1 Cor. 12: 28) in de diakenen de aangewezen functionarissen zien. bij wie dit alles tot een ambtelijk taak wordt, gelet ook opde oorspronkelijke zin van het woord dienen.
Dat deze ambtelijke taak het onderlinge liefdebetoon met de daad ook t.a.v. de behoeftigen niet terzijde wil stellen. volgt uit de aard van de gemeente als lichaam van Christus. waarvan alle leden elkaar nodig hebben. 1 Cor. 2 : 12 e.v. De diakenen hebben hieraan echter leiding te geven en verwaarlozing van sommigen (Hand. 6: 1) te voorkomen.
Dit alles natuurlijk voor wat materiële hulp betreft. wanneer daaraan behoefte is. Maar naast het materiële is er ook de zorg in ziekte en ouderdom. Dat er in dit opzicht voor de diakenen een rijke taak in leiding geven en hulp bieden bestaat. behoeft niet nader te worden aangetoond. Hun eigen gemeente vraagt ook nu hun eerste zorg.

* Geest en ambt

Wanneer we zo de blijvende ambten zien in het geheel van de ontwikkeling in het Nieuwe Testament wordt het ons duidelijk dat er van een tegenstelling tussen Geest en ambt in het N.T. geen sprake is. De Geest neemt het ambt in zijn dienst en concentreert daarin een bepaald deel van zijn werkzaamheden als de Geest van Christus.
Christus gaf Hem aan de apostelen toen Hij als de Opgestane hen tot zijn dienst riep: Joh. 20: 21 en 22: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft. zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. vgI. ook Hand. 1 : 8. Paulus weet zich door de Heilige Geest geleerd. 1 Cor. 2 : 13. De apostelen en hun helpers hebben het Evangelie gebracht- door de Heilige Geest. 1 Petr. 1: 2. Van de ouderlingen heet het dat de Heilige Geest hen tot opzieners. gesteld heeft. Hand. 20 : 28.
Deze uitspraken zouden met vele te vermenigvuldigen zijn. Het Nieuwe Testament trekt hier de lijn van het Oude door.
Want ook daarin is het de Geest. die aan de ambtsdragers geschonken wordt om hun ambt te kunnen vervullen. De zalving met olie is hiervan een welsprekend bewijs. 1 Sam. 10: 1 en 6 e.a.
De tegenstelling tussen de door de Geest toegeruste èn de ambtelijke georganiseerde kerk is daarom niet Bijbels. De verwerping ervan moet ons echter niet doen denken dat hier van een automatisme sprake is. Door gemeente en ambtsdragers moet steeds bedacht worden, dat de Geest alleen geschonken wordt in de weg van het geloof en op het gebed.
Daardoor moet alle ambtelijke arbeid gedragen worden. Paulus, de grote apostel, vraagt de voorbede van de gemeente om het Woord van God met vrijmoedigheid te verkondigen. Ef. 6 : 19.

We hebben er intussen wel op te letten dat de Geest zichzelf niet in het ambt opsluit. De gemeente als geheel heeft de zalving met de Geest. 1 Joh. 2: 20 en daarin zijn haar leden in staat en geroepen elkaar te vermanen en op te bouwen.
1 Thess. 5: 11. te leren en terecht te wijzen. Col. 3: 16.
De Geest is ook nu nog vrij om in verband met de telkens wisselende situatie van de kerk gaven te verlenen die in bepaalde behoeften voorzien zonder dat ze direct een ambtelijk stempel behoeven te ontvangen. Ik denk aan het leiding geven aan jeugdwerk. onderricht aan de jeugd. bezoeken van zieken. evangelisatie, beheer van stoffelijke goederen e.a, We zouden met enige goede wil hier van diensten kunnen spreken. die in onderling overleg als zodanig erkend worden.
Dat geeft te meer vrijmoedigheid om deze gaven te benutten en komt de orde in de gemeente ten goede, vgl. voor het belang daarvan 1 Cor. 14: 40. Aan deze gaven kan zo de volle ruimte worden geboden en bepaalde ambtsdragers worden minder belast. Van de zijde van het ambt mag geen concurrentie worden gevreesd. terwijl aan het ambt zijn plaats wordt gelaten. Zo kan ook in onze tijd gevolg gegeven worden aan de opwekking van Petrus. in dezelfde brief, waarin hij onderwerping aan de oudsten vraagt en hun hun taak op het hart bindt (1 Petr. 5 : 5 en 1): Dient elkander, een ieder naar de genade gave. die hij ontvangen heeft. als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. Spreekt iemand.
laten het woorden zijn als van God; dient iemand. laat het zijn als uit kracht.
door God verleend. opdat in alles God verheerlijkt worde, door Jezus Christus.
wien de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid." Amen. 1 Petr. 4: 10 en 11.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief