"Geheel Israël zalig"
1983-09-16
Wie mij tot hiertoe heeft gevolgd zou de opmerking kunnen maken dat mijn behandeling van een aantal vrij onbekende profetische uitspraken tot uitkomsten leidt die overbekend zijn en door niemand weersproken worden. Wie zou immers willen ontkennen dat de christelijke kerk een samengesteld karakter draagt en niet aan de bloedband met Abraham gebonden is? Is dat niet het intrappen van een open deur, met veel onnodig vertoon van Bijbeluitleg?Ook degenen die stellig geloven in Israëls toekomstige bekering zullen van het tot nu toe gevondene zeggen: akkoord, man, natuurlijk akkoord!- Jaargang 27
- nummer 34
Maar, zo voegen zij toe, de bijbel weet bovendien, daarnaast en daarbovenuit, nog van 'n uiteindelijk heil voor héél Israël.
Toch moet ik zeggen dat dit naast elkaar van deze twee zaken mij religieus in moeilijkheden zou brengen. Als het namelijk waar is dat de bijbel van meet aan de werkelijkheid 'Israël' ter hand neemt om ze te besnijden tot het Israël Góds; en als het waar is dat we in de Schrift de betekenis van Abraham's bloed niet zien toe- maar afnemen, en we zouden dàn moeten geloven dat de lijn van het heil tenslotte toch terugbuigt naar een bruto Israël naar het vlees, - wel, ik zou mij eerlijk geregd genomen voelen. Dit is voor mij de leer van een nog nieuwer testament dat als een tang op een varken op Oud en Nieuw beide past. Geheel Israël zalig? Maar waarom dan niet geheel Rome, en geheel Witten berg, en geheel Canterbury, en geheel Genève, enz. De kerk van het einde zal toch een restantenkerk zijn, overal vandaan? En zó zal gans Israël behouden worden! Maar wacht, ik zou het over nog een paar teksten hebben.
Jesaja 45 : 18·25
Het gaat daarbij om twee plaatsen (of eigenlijk één, maar de tweede ondersteunt de eerste) waarin in het Oude Testament zelf de zaligheid van geheel Israël ter sprake komt. Men zou kunnen spreken van een oudtestamentische parallel van het bekende woord uit Romeinen 11: 26. Het is te vinden in Jesaja 45 : 25: "...in de HERE wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen". Het is de slottekst van het machtige hoofdstuk over Kores. De Perzische koning Kores is het middel in Gods hand geweest dat voor Israël een einde maakte aan de Babylonische ballingschap. In deze Kores is de Here God voor een ogenblik Israëls Verlosser geweest. Het blijkt Israël niet gemakkelijker te zijn gevallen de Almachtige in dit heilswerk geestelijk bij te benen. De Joden in de ballingschap hebben voor de oren van de profeet met de Here God zelf hierover getwist: hoe kunt U dàt nu doen! Hoe kunt U nu zo'n heiden inschakelen voor uw verlossingsdoeleinden! De grote Mozes en David hebt U destijds toch ook uit ons eigen midden verwekt? Waren die niet goed soms? Zijn wij misschien niet goed genoeg meer? Koop, Here God, Israëlitische waar, dan helpen wij elkáár! Israël reageerde op de boodschap aangaande Kores dus vanuit een gekrenkte trots. Maar ook de Here God zelf blijkt door dit verzet in zijn eer te zijn aangetast. Hij is ten aanzien van Kores even gevoelig als een vakman ten opzichte van zijn product, ja als een vader ten opzichte van zijn kind (Jesaja 45 : 9-13). Op dit laatste beeld van de verzen 10 en 11 doordenkend mag je zeggen dat Kores een voorafschaduwing is geweest van Gods eigen kind Jezus Christus. Deze, in wie de Here de uiteindelijke verlossing van zijn volk bewerkt heeft, was immers ook niet uit Israëls voorraad geput. Israël kon zijn daden van verlossing beslist niet 'claimen'.
Zo gaat het dus in Jesaja 45 op een aanduidende en vooruitwijzende manier over het grote midden van de heilsgeschiedenis: de verlossing door onze Here Jezus Christus. Vanuit dit midden golft in het tweede deel van het hoofdstuk het heil via Israël naar de einden der aarde, Drie golfslagen de een over de ander, zijn te onderscheiden. De eerste bereikt het nakroost van Jakob; "Ik heb tot het nakroost van Jakob niet gezegd: zoekt Mij tevergeefs..." (vers 19). De tweede bereikt de volken: "Vergadert u en komt, gij die uit de volken ontkomen zijt..." (vers 20). De derde bereikt de vèrre volken: "Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde..." (vers 22).
Wat het 'nakroost van Jakob' betreft (vers 19), dat zijn de lijfelijke Joden in Babel. Hoezeer de Here God zich hier voor hen allen bereikbaar verklaart, hebben de meesten van hen op Gods heilsinitiatief in Kores met ongeloof gereageerd, Slechts weinigen hebben op de profetische prediking hun spullen gepakt om de reis naar de puinhopen van Jeruzalem te ondernemen. Het lijfelijke Israël was dus in een 'rest' vertegenwoordigd.
Vervolgens worden de 'ontkomenen uit de volken' genoemd (vers 20). Dat is wat dubbelzinnig geformuleerd. Je kunt er een aanduiding te meer van Israëls 'rest' in zien: de ontkomenen uit de volken. Het gaat dan trouwens niet enkel meer om de naar Babel verbannen Joden, maar bovendien ook om diegenen van het volk die nog vóór de wegvoering een goed heenkomen hadden gezocht onder de volken rondom. De terugkeer van de ballingen uit Babel was voor hen een signaal dat men weer huis toe kon gaan (zie Jesaja 48 : 20, 21 en 49: 8-13). Het is echter ook mogelijk te vertalen: de ontkomenen van de volken. In dat geval gaat het over de niet-Israëlieten die door de verbannen en verstrooide Joden als Jodengenoten werden meegebracht uit den vreemde. Omdat het lijfelijke Israël al genoemd is acht ik de laatste mogelijkheid de waarschijnlijkste.
Wel moeten we dan ook hier weer (zoals bij Psalm 102) constateren dat deze toeloop uit de volken met het woord 'ontkomenen' een Israëlitische signatuur meekrijgt en dat komt doordat deze heidenen met de huiswaarts kerende Joden meekwamen. Tenslotte gaat het over 'de einden der aarde' (vers 22). Men zegge liever met dat daarmee een derde categorie mensen is aangeduid; niet voor niets gebruikte ik eerder het beeld van over elkaar heen slaande golven.
De eerder genoemden zitten in de later genoemden opgesloten. Maar toch zijn ook wel nieuwe mensen bedoeld, verder weg wonend dan de volken rondom. Het verband van de 'ontkomenen van de volken' van zo even en de hier genoemde 'einden der aarde' kan toegelicht worden met een verderop voorkomende passage uit de profetie van Jesaja (die wel een soort van commentaar lijktt te geven op de onderhavige tekst uit Jesaja 45), namelijk Jesaja 66: 18b, 19: "... (de tijd) komt om alle volken en talen te vergaderen; zij zullen komen en mijn heerlijkheid zien. Ik zal onder hen een teken doen en ik zal uit hen ontkomenen zenden naar de volken - naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Javan, de verre kustlanden, die de tijding aangaande Mij niet hebben gehoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien - opdat zij mijn heerlijkheid onder de volsen verkondigen".
De 'ontkomenen van de volken' uit Jesaja 45 : 20 zijn hier geworden tot 'ontkomenen' die 'naar de volken' gestuurd worden en aldus het heil boodschappen tot aan de verste randen van Israëls landkaart (zie Genesis 10). Wij weten dat in de nieuwtestamentische tijd de uir de heidenen komende Jodengenoten of proselieten inderdaad een bemiddelende rol hebben gespeeld in de gang van het heil vàn Israël náár de volken der aarde.
Terugkerend naar Jesaja 45 concluderen we dat het heil dat de Here God in Kores en later in Jezus Christus werkt, een steen in de wereldvijver is waarvan de deining in steeds wijder kringen zichtbaar wordt gemaakt. En het verrassende is dan natuurlijk dat in het laatste vers van het hoofdstuk van deze onderscheiden 'kringen' een optelling gemaakt en een hoofdsom geboden wordt met de woorden: " ..,in de HERE wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen".
Hier hebben we de oudtestamentische tegenhanger van de bekende tekst uit Romeinen 11: 26, volgens welke geheel Israël zalig zal worden. Het is onmogelijk bij 'het gehele nakroost van Israël' te denken aan het vleselijke Israël hoofd voor hoofd. We zagen immers al dat Israël hier 'restgewijs' vertegenwoordigd is. Het is aangevuld met anderen uit de volken dichtbij en ver weg. Ook trouwens bij deze niet-Israëlieten moeten we in restanten denken. Er staat wel dat èlke knie zich zal buigen en dat èlke tong zal zweren (vers 23), maar dat mogen we evenmin als bij 'geheel Israël' dwingerig uitleggen. Het 'rest' -begrip speelt ook bij de toebrenging der heidenen een rol. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het dichterlijke woord van Psalm 76: 11 (waar het over Gods verlossing van de ootmoedigen op de aarde gaat): "Want de grimmigheid van Adam zal U loven / Gij omgordt U (ten teken van overwinning) met de rest der grimmigheden" (letterlijk vertaald) alwaar 't tweede deel van het vers het eerste preciseert: de met God in vijandschap levende grimmige mensheid wordt verzoend, maar restgewijs. Ook hier vormen 'geheel' en 'rest' geen tegenstelling, net zomin als het 'allen' en 'zeer velen' in Romeinen 5 : 18 en 19. Ook de 'volheid der heidenen' (Romeinen 11 : 25) gaal dus restgewijs binnen.
En zo is 'het gehele nakroost van Israël' de restantenkerk van Joden en niet-Joden. En de bijeenvergadering daarvan, met inschakeling van de groten uit de wereldgeschiedenis (Kores en anderen), is de hoofdsom der historie.
Psalm 22: 23·32
Ter controle en ter ondersteuning van het zojuist gevondene wil ik nu nog de andere tekst ter sprake brengen die het in profetische zin over 'geheel Israël' heeft. We moeten daarvoor naar Psalm 22. Deze Psalm heeft een nog duidelijker midden dan Jesaja 45. Was dat bij de ballingschapsprofeet het heilswerk van de Here God in het optreden van Kores, in de Psalm is het Gods verlossend ingrijpen ten behoeve van zijn lijdende Knecht bij uitstek: "Gij hebt mij geantwoord!" (vers 22).
Viel op Kores een schaduw van de Christus de lijder van Psalm 22 is een 'nog duidelijker vóórafbeelding van Hem. (Denk maar aan het begin: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ...?", dat we kennen als één van de kruiswoorden.) Opnieuw is het nu rondom dit midden dat de gemeente van God uit verschillende categorieën wordt opgebouwd. We krijgen daar een duidelijk beeld van in het laatste stuk van de Psalm (de verzen 23-32). Deze gemeente namelijk wordt in vers 24 toegesproken als 'het ganse nageslacht van Jakob' en 'het ganse nageslacht van Israël', maar het is ons niet toegestaan daarmee een uitsluitend zintuigelijk waarneembare kant op te gaan, want dit geheel van Israël wordt aangesproken op zijn geestelijk karakter: 'gij die de HERE vreest' (vers 24), 'wie Hem vrezen' (vers 26), 'de ootmoedigen' (vers 27) en 'wie de HERE zoeken' (vers 27). We hebben nu al bij verschillende gelegenheden gezien dat Israël deze confrontatie met zijn geestelijke bestemming niet zonder kleerscheuren doorstaat en dat het slechts een 'eest' is die 'godvrezend' (enzovoort) genoemd kan worden. Israël als geheel breekt op zijn eigen geestelijke midden stuk in een meervoud van enkelingen die Of Gods vrienden Of Gods vijanden zijn. Maar om 'vriend' of 'godvrezend' te zijn is bet niet nodig lijfelijk van Israël of Jakob af te stammen en zo opent zich vanuit de categorie der 'godvrezenden' het profetisch vergezicht op de einden der aarde.
Welnu, het kan niet verbazen dat de Psalm daar dan ook mee komt, in vers 28: "Alle einden der aarde zullen het gedenken (beter: 'bet erover hebben') en zich tot de HERE bekeren; alle geslachten der volken zullen zich nederbuigen voor uw aangezicht". Hier zien we 'het ganse nageslacht van Israël' zich verwijden tot de internationale der godvrezenden. Nu hoorden we in Psalm 102 : 19 dat bet 210 breed opgevatte Israël 'het volk dat geschapen wordt' beet. Psalm 22 : 32 noemt het 'het volk dat geboren wordt'. Gaat het in het bekende lijdertspsalm dan toch over Israël naar het vlees vanwege die geboorten? Nee, ik denk dat dit weer de Israëlitische signatuur is die het volk Gods door de eeuwen been bijblijft. 'Geschapen' wijst op het telkens nieuwe van het heilswerk Gods, terwijl 'geboren' de historische continuïteit daarin aangeeft, zoals dan ook het letterlijke baren altijd z'n functie blijft houden in Christus' kerkvergaderend werk. De Israëlitische signatuur van Gods volk - prachtig komt die ook tot uitdrukking in de twee delen van Openbaring 7, die zich tot elkaar verhouden als zijde en keerzijde. In het tweede deel van dat hoofdstuk ontmoeten we de gemeente Gods mals die als grote schare die niemand tellen kan verzameld wordt uit alle geslacht en taal en stam en natie. In het eerste deel evenwel komen we diezelfde gemeente tegen, maar dan met de geestelijke signatuur en structuur die ze van God uit voor de hele geschiedenis heeft meegekregen. De signatuur en structuur van 'geheel Israël', de twaalf stammen, de honderdvierenveertigduizend verzegelden. Je riet dan als het ware de twaalf stammen staan als twaalf glazen kolven, gedeeltelijk gevuld met Israëlieten naar den bloede en naar de geest en aangevuld met dito heidenen: geheel Israël zoals God het voor ogen had en heeft. Het eerste deel van Openbaring 7 geeft een zicht van bovenaf op de kerk (eschatologisch), het tweede deel kijkt er van onderen tegenaan (historisch). In Jakobus 1 : 1 komen beide 'visies' gecombineerd voor: 'de twaalf stammen' 'in de verstrooiing'.