Antisemitisme in het Nieuwe Testament
1983-09-16
ln de op zichzelf verheugende belangstelling voor Judaica, Talmudica en de Joodse overlevering tekent zich een m.i. zeer bedenkelijke, zo niet gevaarlijke ontwikkeling af. Kan de sterk verhoogde interesse voor de Joodse bronnen van het christendom, zo lang op de achtergrond gehouden en niet zelden genegeerd in een theologie die meer op Genève, Rome en Byzantium was georiënteerd dan op Jeruzalem, misbruikt worden tegen het Nieuwe Testament? Slaat de onderwaardering van Joodse strekking en overwaardering van de Griekse elementen in de Bijbel om in overschatting van "Juda" en onderschatting van christenen uit de volken in de Bijbel?- Jaargang 27
- nummer 34
In het Johannes' evangelie en nu ook al in het Mattheüs' evangelie zien sommigen antisemitische wortels. Is dit een voorbijgaande mode, of een welbewuste aanval op het christendom nota bene vanuit het Nieuwe Testament en met Judaïca als voertuig?
'Joden' in het Johannesevangelie
Een van de verschillen tusen de synoptische evangeliën (Mattheüs, Marcus, Lucas) enerzijds en het Johannes' evangelie anderzijds is het voorkomen van de term 'Joden'.
Tweemaal bij Mateheüs (27 : 37, 28: 15), eenmaal bij Marcus (7 : 3), eenmaal bij Lucas (7: 3), echter ruim veertig maal bij Johannes. In welke zin handelt Johannes over de Joden? Wijst het veelvuldig gebruik van deze term bij Johannes op een antisemitische inslag, zoals meer en meer gehoord wordt? Waarschijnlijk heeft Johannes zijn evangelie tussen de jaren 80 en 90 te boek gesteld, blijkbaar voor gelovigen uit de volken. Slecht op de hoogte als deze waren van Joodse gewoonten, geeft Johannes telkens verduidelijkingen, 'Zes stenen watervaten volgens het reinigingsgebruik der Joden', verg. 4 : 9; 7: 2; 10: 22; 18: 28; 19: 31, 41,42.
Dit toelichtend element in het Johannes' evangelie wordt overigens niet alleen in betrekking tot de Joden gevonden, maar ook in verband met bepaalde zaken, mals bijv. de topografie in Israël, waarvan de gelovigen uit de volken natuurlijk niets wisten. Zie 4 : 5; 5 : 2; 6 : 1; 11 : 1; 12: 1,21.
Waar tin bovenvermelde plaatsen van 'Joden' wordt gesproken, is cmt zeker niet in ongunstige zin, maar in een 'toelichtende betekenis.
Evenmin is dlit het geval in tientallen andere teksten. Enige voorbeelden het Pascha der Joden was nabij (2: 13) daarna was er een feest der Joden (5: 1); het feest der Joden, Loofhutten, was nabij (7 : 2); en vele andere plaatsen. Een faotor waarom de term 'de loden' er in het Johannes' evangelie zo uitspringt, is tevens het gegeven dat in de eerste drie evangeliën vooral over het optreden van onze Heer in Galilea verteld wordt, terwijl de plaats van handeling bij Johannes vooral Judea is. Is het verwonderlijk dat Johannes dan gesproken kan hebben over Joden in de zin van Judeeërs?
Beide woorden hebben dezelfde betekenis, Dit betekent niet dat we in alle gevallen i.p.v. Joden Judeeërs moeten lezen. De naam 'Joden', ontleend aan het Hebreeuwse 'Jehoedi', waarmee oorspronkelijk iemand behorende tot de stam van Juda (Jehoeda) werd aangeduid, wordt later de benaming voor allen die tot het volk Israël, d.w.z. tot de afstammelingen van Jacob (Israël) behoorden. De term 'Joden' werd de verzamelnaam voor alle twaalf stammen. Maar, zoals opgemerkt, deze generalisatie sluit het specifieke gebruik van de term 'Joden' niet uit. Zo wordt met 'de Joden' - aldus E. L. Smelik - de wetsgetrouwe, in Judea wonende leden van het volk aangeduid, kringen die zeer dicht bij de Farizeeën en Schriftgeleerden uit Mattheüs staan; mensen van gezag in Jeruzalem (Joh. 1: 19). In déze specifieke gevallen heeft de term de "Joden" bij Johannes een ongunstige betekenis, waarbij dient te worden aangetekend dat een kritische toon over een groep Joden niet vereenzelvigd mag worden met "antisemitisme". Dan zou men Israëls profeten wel als de allergrootste "antisemieten" kunnen doodverven, als zij in hun felle taal het volk striemden.
Dat de schrijver van het Johannes' evangelie niet het Jood-zijn als zodanig aanvalt, is evident! Het Jood-zijn van Jezus wordt in hoofdstuk 4 in de ontmoeting met de Samaritaanse zelfs benadrukt. In Joh. 4: 22 staat de uitspraak van Jezus: "het heil is uit de Joden".
Men moet wel een gekleurde bril opzetten om in het Johannes' evangelie een "antisemi1tisohe kleur" te kunnen ontdekken, zoals Dibelius en andere voorgangers van de Bvangelische Kirene in Nazi-Duitsland het Jood-zijn van Jezus ontkenden. Dan komt men bij "exegeten" als de valse profeet Julius Streicher terecht, die Jezus' woorden tot een aantal fanatici dat zij de duivel tot vader hebben (8 : 44), voor de Hitler Jugend uitbreidde tot het gehele Joodse volk. Als Johannes de Doper bepaalde Farizeeën en Sadduseeën "addergebroed" noemt (Matfh, 3 : 7), weet ieder die met onderscheiding en met inachtname van de samenhang leest, dat de Doper de houding van een zeer bepaalde groep laakt, nl. de zelfvoldanen die zich, zonder te voldoen aan de eis van bekering, op grond van geestelijk erfrecht alléén, waardig achten voor het Koninkrijk Gods. Wie hier een "antisemitische kleur" ontwaart, is kwaadwillig en die wil met de Bijbel in de hand de Bijbel ontkrachten.
Zo ook ongetwijfeld een J. B. Charles (prof. W. H. Nagel) die het Ned. Bijbelgenootschap zou willen aanklagen voor de uitgave van de Bijbel mert het Johannes' evangelie als "antisemitisch" boek. Nu ook al het Mattheüs' evangelie "antisemitisch" genoemd wordt, is hert tijd goed wakker te worden. Er gaat systeem in zitten. Misbruik van cursussen Judaïca en soortgelijke om de schriftelijke bronnen van het christendom verdacht te maken. De ervaring leert dat binnen korte tijd een kwaad gerucht ook zonder verificatie door talrijke argelozen wordt aanvaard en verspreid.
Laten we daarom oppassen te denken dat deze zaken ons niet raken. Ook in de gemeente is het gevaar van antisemitisme nog niet geweken.
De vijand is nog veel gevaarlijker geworden door hert Evangelie, de christelijke bron van de solidariteit met Israël, aan te tasten. Daarmede wordt immers onder hert mom van een pro-Joodse stellingname hert antisemitisme binnengehaald Geraffineerder kan het niet.
Begin januari j.l. hadden een dertigtal theologen uit Nederland en België een studieconferentie in Jeruzalem, Een van de discussiepunten was de vraag waar de oorsprong te zoeken was van het antisemitisme van hert nationaal socialisme. Twee haaks op elkaar staande benaderingen werd gegeven. De ene opvatting was: uit het Nieuwe Testament, 'n benadering gegeven door de R.K. theoloog Stiassny.
Daartegenover stond de studie van de Joodse Nieuwtestamenticus Prof. Flusser, die stelde dat in het Nieuwe Testament geen antisemitisme voorkomt. Hij gaf een exegese van de teksten uit Joh. 8 waar "zonen van Abraham" en "zonen van de duivel" tegenover elkaar worden gesteld. Volgens Prof. Plusser is dit een Joodse traditie, die niets te maken heeft met antisemisisme. Wie mocht denken dat er in het gezelschap van wetenschapsmensen dan toch één christen-theoloog was die "Gode de eer gaf", vergist zich. De christelijke theologen moesten dit boren uit de mond van een Jood. In het verband van deze bijdrage mag ik ook nog wijzen op het te onpas gebruiken van de term "theologie". De ondertiteling: "ontwerp van een theologie", die H. N. Ridderbos geeft aan zijn overigens belangwekkend boek over Paulus, is op z'n minst onduidelijk.
Hert gaat echter te ver als we op dit voetspoor gaan spreken over de theologie van Paulus, de theologie van Zacharia, de theologie van Johannes, etc.
En behalve onduidelijk wordt bet fout als met dergelijke uitdrukkingen een tegenstelling wordt gesuggereerd in bet gesprek over Israël, even fuut als de in onze eeuw in de mode komende zwarte-, bevrijdings-, feministische- en marxistische theologieën.
Tenslotte: de Heilige Geest valt niet in het ene Bijbelboek af wat Hij in het andere heeft gesproken. In hetzelfde Johannes-evangelie dat volgens sommige theologen antisemitische uitspraken bevat, zegt onze Heer: "de Schrift kan niet gebroken worden", Joh. 10: 35.
En als iemand zou reageren met de uitspraak dat Jezus het daar heeft over de Tenach, hert Oude Testament, antwoorden wij met de volkomenheid van de Heilige Schrift van zowel Oud- als Nieuw Testament, zoals dat beleden wordt in artikel VII van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: de daarin vervatte leer is zeer volmaakt en in alle manieren volkomen".