"Geheel Israël zalig"
1983-09-23
Samenvatting- Jaargang 27
- nummer 35
Dit laatste artikel wil ik gebruiken om met wat we bij de profeten en in de psalmen vonden terug te gaan naar Romeinen 11 : 26, de tekst over het zalig worden van gans Israël.
Laat ik de lezer dienen met een poging tot samenvatting van het gevondene in een paar punten:
1) Het volk Gods is opgebouwd uit personen die stuk voor stuk op de werkelijkheid van verkiezing en verbond worden aangesproken.
2) Dit Godsvolk wordt door het Woord van God geconfronteerd met de Christus-werkelijkheid van Oude en Nieuwe Testament, met als overwegend resultaat dat het volksgeheel op deze werkelijkheid stuk breekt en uitéén valt in een meervoud van persoonlijke beslissingen vóór of tegen.
3) Hierdoor vindt restvorming plaats.
4) Als deze 'rest', bestaande uit persoonlijk toegetredenen tot het Godsvolk, getypeerd wordt, vallen er aanduidingen ('godvrezenden' enzovoorts) waarvoor het toebehoren tot Israëls stam geen vereiste is, zodat het volk Gods niet in een bloedverwantschap opgaat en een uitbreiding ondergaat naar de volken toe.
5) Dwars door deze volken gaat dezelfde schifting als door het Israël naar het vlees.
6) Rondom de Christus (in voorafbeelding, maar vooral als de Gekomene) komt zo het Godsvolk bijéén, bestaande uit de 'rest' van Israël plus de geroepenen uit de volken.
7) Dit Godsvolk draagt definitief een Israëlitische signatuur en kan daarom aan het eind zelfs 'geheel Israël' heten.
Ik ben nu van mening dat deze punten ons een reële hulp kunnen bieden bij het lezen van de zwaar geladen hoofdstukken 9-11 uit de brief aan de Romeinen.
De structuur van Romeinen 9·11
Ik ga dit nu niet uitvoerig aantonen, maar beperk me tot de directe omgeving van Romeinen 11: 26. Toch wil ik ook een korte opmerking over het geheel van deze hoofdstukken maken bij het licht van de zojuist ontstoken profetisohe kaarsen. Als ik het goed zie vertonen de hoofdstukken 9-11 van de Romeinen grof gezegd dezelfde struktuur als me welke we tegenkwamen in bijvoorbeeld Psalm 94. De lezer herinnert zich de passage van de verzen 14 en 15: "Want de HERE verstoot zijn volk niet en ook laat Hij zijn erfdeel niet in de steek. Maar het recht neemt een wending tot overwinning en daar gaan alle oprechten van hart achteraan", Drie onderwerpen komen hier ter sprake. In de eerste zin gaat het over Israëls verkiezing (de Here God verwerpt zijn volk niet), in de derde zin gaat het over de 'rest' (de oprechten van hart), en scheidingmakend tussen de eerste en de derde in staat het geestelijke centrum van het volk: het recht tot overwinning brengen, wat het werk is van de Knecht des HEREN.
Hiermee nu stemt de opbouw van Romeinen 9-11 overeen: hoofdstuk 9 gaat over Israël en zijn verkiezing, hoofdstuk 11 heeft het over de 'rest' en scheiding makend tussen die twee in staat hoofdstuk 10 (eigenlijk vanaf 9 : 30) met Christus als het geestelijke centrum, waarop het volksgeheel stuk breekt en uiteen gaat in gelovigen en ongelovigen. Het valt mij wel eens op dat in de discussies over Romeinen 9-11 meestal alleen de hoofdstukken 9 en 11 (en nog vaker alleen hoofdstuk 11) de aandacht krijgen en dat het tiende hoofdstuk er wat tussenuit valt. Toch staat juist in dat hoofdstuk de spil waar alles om draait, getuige 9: 33: "Zie, Ik leg in Sinon een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen".
Met zijn uitwerking van dit profetenwoord vult Paulus een goed deel van hoofdstuk 10 (de verzen 1-13, zie vers 11). De houding tegenover de Christus beslist. Aan Christus ergert men zich of in Christus gelooft men. Christus is het zwaard dat door Israëls volksziel heengaat. Achter Hem aan gaan alle oprechten van hart, onverschillig of zij van Israëlitischen bloede zijn of niet. "Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen; want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden" (Romeinen 10 : 12, 13). Dit universele volk van God heet nu in Romeinen 11 : 26 'het ganse Israël dat behouden wordt', - het eindresultaat van Gods kerkvergaderend werk dat hier vanwege de aangesneden problematiek (Gods trouw aan zijn oude liefde) Israëlitisch benoemd wordt.
Het geheimenis
Hiermee zijn we aangeland bij de bekende en omstreden tekst die we nu eerst in het geheel van zijn directe omgeving voor ogen willen krijgen: "Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem". Hier staat wat we bij de profeten hebben gevonden: 'gans Israël', - dat is het volk van God, geschiedenislang en wereldwijd bijeengebracht en opgebouwd uit de 'rest' van Israël plus de geroepenen uit de volken.
Maar, zal iemand tegenwerpen, als dit samengestelde karakter van 'gans Israël' reeds bij de profeten te vinden is, waarom spreekt de apostel dan over een geheimenis waarvan hij zijn lezers niet onkundig wil laten? Dan moet dat toch over iets nieuws gaan, over iets méér dan wat allang bekend was? Toch stuiten we hier op een vooringenomenheid bij ons me deze passage lezen. Wij vinden het namelijk vanzelfsprekend dat er Israëlieten tot de christelijke gemeente behoren en vragen vanuit deze vanzelfsprekendheid of er voor Israël nog iets méér in zit.
Dat er een 'rest' van Israël is,ja, natuurlijk, maar mogen we daarbovenuit niet hoop koesteren voor héél Israël? Maar Paulus schreef vanuit een andere vraag, namelijk: hoe staat het met de trouw van God aan Israël, als ik toch voor ogen zie dat het evangelie overwegend bij heidenen in plaats van Israëlieten gehoor vindt? Is er in de gemeente die de toekomst des Heren tegemoet leeft nog plaats, überhaupt nog plaats voor Israël? De realisering van het profetische visioen zou toch ook in die zin denkbaar zijn, dat de 'rest' van Israël slechts een tijdelijke dienst zou vervullen bij de opbouw van de gemeente, als een overgangsfase tussen een Israëlitische en een niet-Israëlitische bedeling.
Er zijn stellig bijbelse getuigenissen aan te halen om deze gedachte waarschijnlijk te maken.
Bijvoorbeeld het woord van de Heiland: "Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt" (Mattheüs 21: 43). Was het niet mogelijk om het kleine en slinkende getal van gelovige Israëlieten in de gemeente in het licht van dat woord te zien? Of neem wat Paulus zelf op een vroeger tijdstip aan de Thessalonicenzen geschreven had over" ...de Joden, die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan, daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde (de maat) hunner ronden vol maken.
De toorn is over hen gekomen tot het einde" (I Thessalonicenzen 2 : 15, 16). Moest men inderdaad niet rekenen met een aflopende rol voor Israël als het ging om de opbouw van de gemeente? Op deze vraag mag Paulus nu antwoord geven door het goddelijke geheimenis mee te delen, dat namelijk de inbreng van Israël naar het vlees toch, door Gods genade, voor de hele duur van de geschiedenis een blijvende zaak zal zijn, "to1Jdat (of: voor zolang als) de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan (of: binnengaat)"
(vers 25). De Israëlitische signatuur die het Godsvolk definitief draagt, zal voor ieder hierin concreet en handtastelijk zijn dat steeds een rest van Israël tot de gemeente behoort. De openbaring van dit geheimenis heeft de apostel voorbereid in het voorafgaande gedeelte van de verzen 11-24, waarin hij het eerst over het veelbelovende (de verzen 11-16), vervolgens over de mogelijkheid (de verzen 17-23) en tenslotte over de waarschijnlijkheid (vers 24) van deze toedracht heeft. Maar dàt het ook eoht zo zal gebeuren, wordt als een openbaringsgeheimenis plechtig afgekondigd. Het voorafgaande bereikt in die afkondiging zijn climax.
Deze blijvende 'rest' van Israël heet in vers 12 'hun (= Israëls) volheid' en in vers 15 'hun aanneming', - een waarschuwing dat we naast deze 'rest' niet langer dwingerig moeten zoeken naar een totaal van Israël naar het vlees. Het gaat in de 'rest' om het Israël Góds en dat Israël Góds wordt heus door de Here God zelf in z'n geheel thuisgebracht; "er blijft er niet één achter" (Jesaja 40: 26).
Toch zal deze 'volheid van Israël' (vers 12) pas samen met de 'volheid der heidenen' (vers 25) 'gans Israël' vormen. Maar men kan, eigenaardiger wijze, meer historisoh denkend, ook formuleren: de 'rest' van Israël plus de 'rest' der volken vormen samen 'gans Israël'. 'Volheid' en 'rest' staan immers niet tegenover elkaar, wals we bij de profeten al vonden.
Het bijelkaar van deze twee woorden 'rest' en 'volheid' wil ook voorkomen dat we de 'rest' getalsmatig zouden gaan berekenen (om dan bij een klein cijfer uit te komen).
Principieel immers zou héél Israël naar het vlees ertoe kunnen behoren: " ... zij zullen, wanneer ze niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden" (vers 23), of: " ...telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen" (11 Korinthiërs 3: 16). Geen beperking is gesteld, al verrast bij deze formuleringen het geringe resultaat niet. Samenvattend kunnen we zeggen dat het geheimenis dat Paulus meedeelt hieruit bestaat dat Israël naar het vlees voor de duur van heel de geschiedenis zijn steentje mag bijdragen voor de opbouw van de christelijke gemeente en dat ook metterdaad de hele historie door Joden in de naam van Jezus Christus het Koninkrijk Gods zullen binnengaan.
Maar is dat dan geen vanzelfsprekendheid? Wie van tijd tot tijd kennis maakt met het zeer krachtige verzet van de Joden tegen het evangelie, die zal van een groot wonder van Gods genade spreken. En wie hier enig antisemitisme in proeft - dat afschuwelijke kwaad! - moge bedenken dat een soortgelijk verzet kenmerkend IS voor élke persoon of groep die "eens verlicht is geweest..." (:me Hebreeën 6: 4-8). Dit verzet is bepaald niet uit ras of bloed te verklaren.
Opnieuw de profeten
Tenslotte zal het niemand verbazen dat we ook enige aandacht schenken aan de aanhaling uit de Sohrift waarmee Paulus zijn ontvouwing van het geheimenis ondersteunt: "De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem" (vers 26). We namen immers zelf een duik in de profeten om het geheimenis aangaande Israël naderbij te komen? Welnu, het gaat hier om een samengestelde aanhaling uit Jesaja 59: 20 en Jeremia 31 : 33 en 34. Slaan we de eerste verwijzing naar Jesaja op, dan merken we dat de tekst nogal afwijkt van wat bij Paulus te vinden is. De profeet zegt: "Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren..." Nu hield deze tekst ons al eerder bezig en we merkten toen op dat het in het eerste lid genoemde Sion (hier een aanduiding van Israël na de ballingschap) in het tweede lid van de zijn een geestelijke typering meekrijgt van 'wie zich in Jakob van overtreding bekeren'. De Verlosser en de verlossing zijn dus voor een gekwalificeerd Israël, zo mogen we vaststellen, al wordt geheel het volk ermee benaderd.
Van hieruit bezien is het niet moeilijk mij toe te stemmen dat dit profetenwoord mijn uitleg van Romeinen 11 : 26 ondersteunt.
Toch hebben wij niet te maken (uiteindelijk) met de tekst zoals hij bij de profeet luidt, maar zoals Paulus hem citeert. Evenwel, is het bij hem nog wel een aanhaling of maakt de apostel er iets heel anders van? We stuiten hier op iets dat in het Nieuwe Testament vaker voorkomt, dat namelijk Paulus (of een ander) verschillende Schnftgedachten in één bekende tekstvorm wil onderbrengen en daartoe deze vorm wat aanpast.
Dat gebeurt misschien om mnemotechnische redenen: een gemakkelijk in het gehoor liggende tekst wordt verrijkt met nog meer bijbels gedachtegoed dat uit andere delen van de Schrift bij elkaar geassocieerd is. Goed, maar wat staat er nu bij Paulus? Dat als de Here God zijn volk, Jakob, verlost, dit vanuit Sion gebeurt, dat wil hier zeggen: vanuit zijn geestelijke midden, vanuit het werk der verzoening dat in Sion plaats vindt. Zo draagt Israëls verlossing de kleur van de verzoening en van de vergeving en van het afwenden van goddeloosheden. Maar juist daarom is Israëls verlossing een kritische verlossing; niet ieder in Jakob is ervan gediend. Dat is de reden waarom er wat onbepaald gezegd wordt dat deze Verlosser 'goddeloosheden van Jakob zal afwenden'. Dat klinkt anders dan (bijvoorbeeld) Psalm 130: 8: "En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden". In de Psalm echter gaat het over het Israël Góds, bij Paulus daarentegen gaat het er om wat Jakob naar het vlees van deze verlossing merkt. En dan moet gezegd worden dat niet ál Jakobs goddeloosheden worden afgewend maar alleen die van degenen welke zich in Jakob op Sion oriënteren. Toch is de tekst bij Paulus niet precies beperkend bedoeld. Juist omgekeerd gaat het hem hier om de keerzijde, dat er namelijk altijd een Jakob naar het vlees zal zijn dat baat vindt bij deze Verlosser uit Sion. De tekst beschrijft immers een soort van cirkelbeweging: uit Sion náár Jakob, dat wil zeggen: het zou te gek zijn dat de Verlosser uit Sion bij zijn verlossing Jakob geheel zou overslaan. Er zal derhalve steeds een 'rest' zijn die behouden wordt. "En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem", zo voegt Paulus hieraan toe met woorden uit de overbekende passage van Jeremia 31 : 31-34. Dat wil zeggen: dit is mijn belofte voor hen, dit is mijn afspraak met hen, zo ben Ik met hen getrouwd, dat wanneer die grote toezegging van het nieuwe verbond, de vergeving van zonden, in vervulling gaat. Ik Jakob naar het vlees niet zal vergeten. Ook deze tekst uit Jeremia hield ons eerder bezig en we vonden toen uit dat de belofte van de zondenvergeving voor het volk in Jeremia 50: 20 een toespitsing kreeg naar de 'resrt' toe: "Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven". Paulus' gebruik van de bekende tekst uit Jeremia 31 is in overeenstemming met deze toespitsing. Ook hij past hem immers toe op de 'rest' uit Jakob, zoals we boven hebben aangetoond. Maar de strekking is ook hier niet in de eerste plaats beperkend.
Paulus wil juist in tegendeel Gods trouw tegenover Israël in het licht stellen: altijd zal de Here God het volk waaruit de Verlosser is voortgekomen blijven bezoeken met zijn heil. Zo bevestigt deze samengestelde aanhaling uit de profeten inderdaad de uitleg die we van het 'geheimenis' hebben gegeven.
Nawoord
Natuurlijk is onze behandeling van Romeinen 11 : 26 en zijn directe omgeving te kort om volledig te zijn. Maar men houde het beperkte doel voor ogen, dat we er namelijk vanuit de profeten licht op wilden laten vallen. Ik meen te hebben aangetoond dat het doorgaande getuigenis. van de profeten geen steun biedt aan de opvatting dat we voor Israël op het eind van de historie nog een volksbekering tegemoet mogen zien. Dat dat integendeel juist bij het licht van de profetie een zeer tegendraads gebeuren zou zijn in de geschiedenis van het heil.