En steeds weer oude psalmen zingen...?
2005-01-28
In De Reformatie van 20 november schrijft de vrijgemaakt gereformeerde hymnoloog dr. J. Smelik over het bekende en op het eerste gezicht oergereformeerde beginsel dat in de kerkdiensten vooral de psalmen worden gezongen. Zoals de Generale Synode van Zuidhorn van de GKV het in 2002 formuleerde: - Jaargang 49
- nummer 2
De psalmen, als door de HERE in zijn Woord aan zijn volk gegeven liederen, hebben in berijmde vorm in de gereformeerde liturgische traditie altijd een ereplaats gehad. () Nu de kerken bezig zijn het aantal gezangen uit te breiden is het goed uit te spreken dat het onze bedoeling niet is dat de gezangen de psalmen in de erediensten en in het hart van de gelovigen verdringen.
Maar zo vanzelfsprekend als dat klinkt is het volgens Smelik niet. Hij spreekt zelfs van een geïdealiseerd en geromantiseerd beeld van het verleden.
Zo wijst hij erop
dat de psalmen en het psalmboek eeuwenlang bepaald niet met eerbied en respect behandeld zijn. Wanneer psalmen een ‘ereplaats’ hadden, zou je dat wel mogen verwachten. Maar ook hierin wijzen de historische gegevens helaas in een andere richting. En dan laat ik de hele materie over hoe de psalmen tot en met de negentiende eeuw gezongen (of eigenlijk gebruld en geschreeuwd) werden nog maar buiten beschouwing. We kunnen ons er tegenwoordig eigenlijk geen voorstelling meer van maken wat voor een wanstaltige praktijken er plaatsgevonden hebben als het gaat over de manier waarop onze voorouders de psalmverzen zongen.
Tot ongeveer 1800 waren er gemeenten die de psalmen in volgorde zongen van psalm 1 tot psalm 150. Er bestond echter ook een andere praktijk die na 1800 algemeen gebruikelijk werd, namelijk dat de predikant bepaalde welke psalmen gezongen werden. Verschillende onderzoeken hebben inmiddels klip en klaar aangetoond dat de eeuwen door slechts een zeer klein percentage van de 150 psalmen bekend, geliefd en gebruikt is. En van de psalmen die wel gezongen werden, zijn alleen bepaalde gedeelten (geliefde versjes) gezongen.
Welnu, wanneer er - ter omlijsting van de preek - slechts een paar populaire coupletjes uit de context van de psalm gerukt werden, kun je toch moeilijk volhouden dat men ‘psalmen’ zong. Evenmin kun je beweren dat die liederen in ere gehouden werden en een ereplaats hadden.
Wanneer je alleen 150 psalmen vrijgegeven hebt voor liturgische gebruik, is dit nog geen garantie dat ze een ereplaats hebben of dat ze op hun waarde geschat worden en respectvol gebruikt worden. Dat leert ons onze eigen kerkgeschiedenis.
Terecht constateerde de Zuidhornse synode dat de gezangenbundel eeuwenlang klein is geweest. In de kerkboeken stonden vanaf de zestiende eeuw zo'n tien gezangen. Maar hierbij moet wel aangetekend worden, dat er al vanaf de Reformatie veel kerken waren die meer gezangen zongen dan officieel vrijgegeven waren. Wanneer in de zestiende en zeventiende eeuw door kerkelijke vergaderingen voortdurend bepaald werd dat men alleen psalmen mocht zingen, dan had dat een reden. Er waren namelijk nogal wat kerken waar men tijdens de kerkdiensten ook gezangen uit de lutherse traditie zong. () Bovendien is het altijd verrijkend wanneer we als Nederlandse kerken over onze landsgrenzen heen kijken om te zien welke ontwikkelingen elders in het gereformeerd protestantisme plaatsvonden. Want ook buiten Nederland waren er gereformeerde kerken die een meer omvangrijke gezangenbundel bezaten. () Kortom, de praktijk ten aanzien van het aantal gezangen dat daadwerkelijk gezongen werd in de gereformeerde kerken, was veel diverser dan men op grond van het officieel-landelijke niveau zou vermoeden. In theorie zongen de kerken psalmverzen en een paar goedgekeurde gezangen.
Maar in de praktijk hebben kerken plaatselijk of regionaal frequent meer gezangen gebruikt.
Wanneer we denken dat de gereformeerde liturgische traditie zich eeuwenlang beperkt heeft tot een stuk of 10 gezangen die vanouds achter de psalmberijming stonden, dan moeten we onze gedachten bijstellen. Ook internationaal gezien is het beeld t.a.v. de gezangen veel gevarieerder dan de Nederlandse situatie doet vermoeden.
Samengevat heb ik met het bovenstaande willen aanduiden dat je met een beroep op de historische liturgische praktijk moeilijk kunt onderbouwen dat de psalmen de eeuwen door een ereplaats gehad hebben en (daarom) die plek moeten behouden. Men moet zijn toevlucht dan zoeken tot een geïdealiseerd verleden. () De liefde van het gereformeerde kerkvolk voor de psalmen was de eeuwen door bepaald niet ideaal en in ieder geval ook erg selectief. Wanneer je het verleden gaat idealiseren en dat vervolgens gaat vergelijken met huidige ontwikkelingen, dan creëer je () grotere tegenstellingen dan er in werkelijkheid zijn.
M.H.T. Biewenga, Enschede