Want déze God is onze God (1)

1983-10-07
  • Jaargang 27
  • nummer 37
Vanouds heeft de kerk met grote vrijmoedigheid Gods almacht beleden.
"Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen..." (Geloofsbelijdenis van Nicea). Zo presenteert de gemeente van Christus zich voor het front van de wereld. In onze tijd zijn wij echter hard op weg om deze vrijmoedigheid prijs te geven. De belijdenis van Gods almacht is voor velen tot een probleem geworden: voor ons besef zitten er allerlei haken en ogen aan.
Ook al peins je er niet over om Gods almacht dan maar te ontkennen - een weg die velen helaas gaan -, toch kan er wel degelijk ook in ons hart een 'innerlijke onzekerheid binnensluipen. Een onzekerheid die zichzelf verraadt, wanneer we over bepaalde passages in de Schrift het liefst maar snel heen lezen, omdat we bang zijn dat ze ons in verwarring brengen als we ze dieper op ons in laten werken. Het zal echter duidelijk zijn dat ook deze houding op den duur geen enkel perspectief biedt om verder door te dringen in de belijdenis van Gods almacht.
Om uit de impasse te geraken is er geen andere weg, dan een volhardend luisteren naar de Schrift.
Blijven luisteren, ook naar die Schriftwoorden, waarvan we in eerste instantie geneigd zijn te zeggen: "Deze rede is hard, wie kan haar aanhoren? (Joh. 6, 60). Daarom willen we nu en in de komende weken bijzondere aandacht schenken aan een aantal Schriftplaatsen, waarin de HERE zich openbaart als de Almachtige.
Eén van die plaatsen is de bovenstaande tekst: Deuteronomium 32 : 39. Een woord dat ons in verwarring brengt: "Ik dood en doe leven, Ik verbrijzel en genees ...".
God heeft dood en leven in zijn hand. Met die macht doet Hij wat Hem behaagt. De HERE gaat zijn onnaspeurbare gang met ons Wat heeft een mens in te brengen? En de gedachte laat zich nauwelijks van almacht niet aan willekeur? Hoeveel mensen hebben niet te worstelen met deze vraag, wanneer het liefste wat zij hebben hen door de dood wordt ontnomen of door ziekte hun leven wordt ontregelt en misschien wel ondergraven? Als God almachtig is, waarom moet het dan zó? Het Schriftwoord waarover wij spreken is een passage uit het lied van Mozes, dat hij aan het einde van zijn leven heeft uitgesproken ten aanhoren van heel het volk Israël. Zoals Mozes vanaf de top van de Nebo over het beloofde land uit mocht zien voordat het volk erin binnentrok, zo mag hij in dit lied een profetische blik werpen in de toekomst van Israël.
De vooruitzichten blijken uitermate somber. Eenmaal gesettled in het land Kanaän, zal het volk, vet geworden in het land van melk en honing, de HERE verwerpen en andere goden achterna lopen (vs. 15, 16). Daarmee zullen zij de HERE zo tot in het diepst van zijn hart krenken, dat Hij overweegt om met Israël te breken: "Ik zal hen wegblazen, een einde maken aan hun gedachtenis onder de stervelingen" (vs. 26). Het verbond hangt dan aan een zijden draad. Eén ding slechts zal de HERE hiervan weerhouden De volken zullen -de verwerping van Israël niet verstaan als een straf van de HERE, maar zullen die interpreteren als een bewijs van zijn onmacht. Daarom besluit de HERE om, tegen alle verwachting in, om te zien naar zijn volk. Hij doet dat echter op de door Hem uitgekozen tijd: Hij "zal zich ontfermen over zijn knechten, wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde hebben gevonden (vs36).
Op dàt moment, als Israël ten einde raad is, openbaart de HERE zich in zijn almacht: "Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, naast Mij is er onderdrukken: grenst dit betoon geen God; Ik dood en doe leven, Ik verbrijzel en Ik genees en er is niemand die ontrukt aan mijn hand". Hoe kunnen wij dit woord, nu we het zien tegen de achtergrond van heel het lied van Mozes, ànders verstaan dan als een hartstochtelijke poging van de HERE om het hart van zijn volk terug te winnen? "Ziet nu, dat Ik, Ik het ben…"
Tot wie zouden jullie anders gaan dan tot Mij? Erken toch dat jullie lot geheel en al in mijn hand ligt.
Dat niemand buiten Mij daar iets aan toe of aan af kan doen. Erken dat Ik het was die jullie verbrijzelde.
En laat Mij jullie nu genezing schenken. Weet, dat niemand in staat zal zijn om jullie uit mijn hand te rukken!
Is dat de taal van een niets ontziend despoot? Nee, dit is de stem van de HERE, die vecht om her hart van de zijnen. Hier spreekt "de Rots, wiens werk volkomen is, omdat al zijn wegen recht zijn; een God van trouw, zonder onrecht: rechtvaardig en waarachtig is Hij" (vs. 4).
Déze God openbaart zich hier als Degene die zijn almacht aanwendt om het verbond dat door het volk geschonden is, te redden. Hij doet dat op zijn volstrekt eigen, soevereine wijze. "Om de ongerechtigheid van zijn hebzucht was Ik toornig en sloeg het volk, terwijl Ik Mij in toorn verborg, maar het wendde zich af en ging zijn eigen gekozen weg. Zijn wegen heb Ik gezien, EN TOCH zal Ik het genezen..." (Jes. 57: 17, 18). Zó doet de HERE zich kennen, opdat wij zijn almacht niet uit de weg zouden gaan, maar ons daaraan zouden optrekken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief