Enkele facetten van het begrip "waarheid" in het Nieuwe Testament (1)

1983-10-07
  • Jaargang 27
  • nummer 37
De apostel Johannes schrijft in een voor ons vaak niet aanstonds begrijpelijke taal. Men zou soms geneigd zijn te denken met een geheimtaal te doen te hebben. En dit is in zoverre juist dat Johannes zich richt tot mensen aan wie het gegeven is de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te verstaan. (om een woord van Christus tegen zijn discipelen te gebruiken, Mt. 13 .:11). Sterk accentueert hij de tweedeling in de mensheid: wie Christus hebben aanvaard en wie Hem hebben verworpen. Tot de eersten richt hij zich. In die zin schrijft Johannes inderdaad voor ingewijden (vgl. 1 Joh. 2 : 21). Hoe meer wij ons dan ook hebben laten onderwijzen door Jezus Christus en ons aan Hem gewonnen hebben gegeven, des te meer zullen we Johannes kunnen verstaan.

Toch blijft er ook dan voor ons bij het lezen van zijn geschriften nog altijd in vergelijking met andere bijbelboeken, en met name de andere evangeliën, een extra moeilijkheid over: de sterk persoonlijke uitdrukkingswijze. Ook waar de boodschap dezelfde is, zal Johannes zich toch vaak anders en voor ons vaak minder direct verstaanbaar, uitdrukken. Ik noem één voorbeeld.
Johannes gebruikt in zijn evangelie nogal eens het woord 'heerlijkheid', waar wij misschien eerder zouden verwachten 'macht'. Neem b.v. de geschiedenis van de opwekking van Lazarus. Als Martha bezwaar maakt tegen het openen van wens graf, zegt Jezus: "Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods men zult?" (11 : 40). Het is dunkt mij duidelijk, dat Jezus hier met 'de heerlijkheid Gods zien' niet precies bedoelt wat Mozes er onder verstond, toen hij de Heere vroeg: "Doe mij toch Uw heerlijkheid zien" (Ex. 33 : 18). Veeleer denkt Jezus hier aan een machtsvertoon van God, en wel met betrekking tot de dood. Jezus bedoelt: Martha zal zien, dat God de macht heeft Lazarus op te wekken. In diezelfde lijn ligt het, wanneer de Vader in 12: 28 op een vraag van den Zoon "Vader, verheerlijk Uw naam!" antwoordt: "Ik heb hem verheerlijkt (nl. in de opwekking van Lazarus) en zal hem nogmaals verheerlijken (nI. in de opwekking van Jezus zelf)!" En zo zal ook in 2: 11 bedoeld zijn, dat Jezus in Kana liet men, dat Hij met goddelijke macht was bekleed.
Men kan dan ook, als men de woordenschat van Johannes er op controleert, constateren, dat hij het gewone woord voor 'macht' (Gr. 'dynamis') in zijn evangelie helemaal niet gebruikt; zulks in tegenstelling tot de andere drie evangelisten, die het herhaaldelijk bezigen (Mt. twaalf maal, Me. tien maal, Lc. vijftien maal).

1 Johannes 2 : 8
Ik wilde - vandaar bovenstaande inleiding - in deze artikelen uitgaan van een plaats uit Johannes' eerste brief, die – voor zover ik heb nagegaan _ naar mijn bescheiden mening nog altijd niet begrepen is; en dat juist vanwege de merkwaardige uitdrukkingswijze waarvan Johannes zich bedient. Ik bedoel 1 Joh. 2 : 8, dat in de NBG-vertaling aldus wordt weergegeven: "Toch schrijf ik u een nieuw gebod, want - wat waarheid is in Hem en in u - de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds". De behandeling ervan geeft tevens aanleiding tot een wat bredere oriëntatie t.a.v. de vraag, wat in het N.T. zoal onder 'waarheid' kan zijn verstaan.
Wie de oorspronkelijke (Griekse) tekst van 1 Joh. 2: 8 vergelijkt, zal aanstonds zien, dat de NBG-vertalers een ingrijpende verandering hebben aangebracht in de woordorde, nl. de verplaatsing van het woord 'want'. De oorspronkelijke tekst immers luidt, letterlijk vertaald, aldus: "Toch ook weer een nieuw gebod schrijf ik u, wat waar is in Hem en in u, omdat de duisternis voorbijgaat en het waarachtige licht reeds schijnt". De laatste zin (over het voorbijgaan van de duisternis en het schijnen van het waarachtige licht) begint met een woord dat 'dat' en 'omdat' kan betekenen, De NBG-vertalers hebben gekozen voor de laatste betekenis, en vertaald 'want', waartegen op zichzelf geen enkel bezwaar is. Maar nu hebben ze dat 'want' teruggebracht tot vóór de zin wat waar is in Hem en in u'. M.a.w. de NBG-vertalers hebben de betrekkelijke bijzin 'wat waar is in Hem en in u' betrokken op de zin die volgt (dat de duisternis voorbij gaat enz.), nièt op die welke voorafgaat (ik schrijf u een nieuw gebod).
Dat nu lijkt mij een zeer aanvechtbare ingreep, al meen ik wel te begrijpen, wat de vertalers tot deze noodsprong heeft geleid. Het betrekkelijk voornaamwoord dat met 'wat' is vertaald, kan nl. moeilijk slaan op het voorafgaande woord 'gebod', omdat dit laatste in het Grieks een vrouwelijk woord is, terwijl het 'wat' de onzijdige vorm heeft. Dat is nu het probleem waarop men hier stuit, en waarvoor men een oplossing zoekt. Keulers 1) blijft uitgaan van de voor de hand liggende veronderstelling, dat het 'wat' terugwijst naar wat voorafgaat, maar betrekt het dan op de uitspraak 'een nieuw gebod schrijf ik u' in zijn geheel: "Dat het gebod der broederliefde nieuw is, is waar in Christus en in de lezers, d.w.z. is als werkelijk bewezen en erkend in het leven van Christus en van zijn volgelingen. Christus had de n:ieuwheid der broederliefde bewezen door voor zijn broeders te sterven (vgl. Joh. 15, 13). Dat de wereld ook in het leven der eerste Christenen een geheel nieuwe liefde zag en bewonderde, is uit de oude schrijvers voldoende bekend".
Ook deze verklaring komt mij lichtelijk gewrongen voor: wat Christus en in Diens voetspoor de zijnen hebben laten zien is de mogelijkheid van vervulling van het nieuwe gebod, niet de nieuwheid van dat gebod.
Ik zal u nu niet vermoeien met andere verklaringen. Ik noemde alleen deze twee om u te laten zien, dat diverse verklaarders van protestantse en rooms-katholieke zijde - hier kennelijk op een moeilijkheid zijn gestoten, en daarvoor een - m.i. onbevredigende oplossing hebben voorgedragen.

Voorstel
Zelf heb ik een poging gedaan het probleem anders te benaderen. Om te beginnen overwoog ik, dat de zin 'wat waar is in Hem en in u' zich ook zó laat vertalen: 'het ware dat in Hem en in u is' 2). Uitgaande van deze mogelijkheid heb ik eens nagegaan, wat volgens Johannes zoal in ons aanwezig kan zijn. Dan levert een onderzoek van déze brief het volgende op: als we 2: 10 even buiten beschouwing laten (waar gezegd wordt "aanstoot is e, niet in hem"), dan blijven de volgende 'bewoners' van ons hart over 3):

a) God of Christus: 3: 24; 4 : 4, 12, 13, 15, 16;
b) Gods - (of Christus') Woord: 1 : 10; 2 : 14, 24 (bis);
c) Christus' zalving (dat mag men wel vertalen als 'de Heilige Geest'): 2 : 27;
d) Gods liefde: 2: 5, 15; 3: 17; 4: 12;
e) de waarheid: 1 : 8; 2 : 4;
f) eeuwig leven: 3 : 15.

Waar nu in de tekst die wij bespreken sprake is van 'het ware' dat in ons woont, ligt het voor de hand uit de pas opgesomde plaatsen eerst die twee eens nader te bekijken, waar gezegd wordt, dat in een bepaald geval 'de waarheid niet in ons (hem) is'; dat zijn dus de teksten onder e.
Dan is het eerste wat ons treft, dat op beide plaatsen in tegenstelling tot 'waarheid' staat het begrip 'leugen' of 'bedrog'. Beide malen is er sprake van valse, misleidende uitlatingen (al behoeven die niet beslist overluid naar buiten te komen; Johannes zal hier ook gedacht hebben aan wat de daar bedoelde mensen zichzelf aanpraten en wijsmaken). Het gaat hier dus over 'de waarheid in ons' zoals die zich uit in beweringen.
Intussen is het wel zo, dat hier iets méér staat dan dat de bedoelde beweringen niet waar zijn. Niet voor niets formuleert Johannes zijn constatering in deze vorm: "dan is de waarheid niet in ons (hem)". Willen wij de diepte van deze uitspraak peilen, dan moeten we in rekening brengen, dat de apostel in deze brief zo dikwijls spreekt van God of Christus zelf die door hun Geest en Woord in ons wonen (zie de reeksen teksten onder a, b en c). Als hier in 1 : 8 en 2 : 4 dus sprake is van 'de waarheid' die niet in ons (hem) woont, dan doelt Johannes niet op een incidenteel leugentje van de mensen in kwestie, maar op een structureel gemis van Gods Geest in hun hart, die hun een zuiver beeld van henzelf en van zijn dienst kan bijbrengen; die hen kan leiden tot de erkenning "ik ben een zondaar en ik heb vergeving nodig", en hen ertoe brengen te doen wat Hij wil. Eigenlijk kunnen we hier wel een gelijkteken zetten tussen 'de waarheid' en 'God' (of 'Christus' of 'de Heilige Geest') en het woord 'Waarheid' met een hoofdletter schrijven.
Dat we hiermee niet te ver gaan, blijkt ook uit andere plaatsen bij Johannes. Ik denk allereerst aan 3 Joh. 12 "Van Demetrius is een goed getuigenis gegeven door allen en door de Waarheid zelf". Hier kan met 'de Waarheid zelf' wel niemand anders bedoeld zijn dan 'God zelf', die - hoe, dat weten wij niet - heeft laten blijken, dat Demetrius en wat deze doet Hem aanstaat. Heel duidelijk is ook 1 Joh. 5 : 6 "en de Geest is het die getuigt, omdat de Geest de Waarheid is".

Getuigen
Er valt op te letten, dat in beide pas genoemde teksten van 'de Waarheid' gesproken wordt in verband met 'getuigen'. Nu heeft 'getuigen' in het N.T. vaak een wat diepere betekenis dan wij in het christelijk spraakgebruik er aan plegen te hechten. Wij gebruiken het woord nog al eens in deze zin: tegenover 'buitenstaanders' spreken uit en over het evangelie, rekenschap afleggen van de hoop die in ons is. Maar het bijbelse 'getuigen' roept meermalen de sfeer op van de rechtspraak, God heeft nI. een rechtsgeding met Zijn volk. Vóór de hemelvaart zegt Jezus tegen Zijn discipelen, dat ze kracht zullen ontvangen, doordat de Geest over hen zal worden uitgestort, en dan zullen ze Zijn getuigen moeten zijn te Jeruzalem, in Judea en Samaria, en tot de grenzen der aarde (Hand. 1 : 7, 8).
Maar zie nu eens, hoe Petrus dit uitwerkt, als de Geest op de Pinksterdag werkelijk over hem en zijn medeapostelen is gekomen: dit is, zo zegt hij, vervulling van de profetie uit Joël "Ik zal in die dagen Mijn Geest uitstorten, en de mensen zullen profeteren... vóórdat de grote en doorluchtige dag des Heeren kom!" (Hand. 2: 18-20).
De 'dag des Heeren' dat is: de dag van het oordeel, waarop God vonnis wijst en dat voltrekt.
Wel, in de rechtspraak speelt de waarheidsvraag een uiterst belangrijke rol. Het komt erop aan, dat de feitelijke toedracht aan het licht wordt gebracht, zodat komt vast te staan, wat het vergrijp is, en W!Ïede schuldigen zijn. Van getuigen in een proces moet dan ook voldoende vaststaan, dat ze betrouwbaar zijn, dat ze de waarheid spreken. Vandaar dat de begrippen 'getuigen' en 'waarheid' vaak samengaan. Welnu: God zelf en Zijn Geest zijn wel de meest betrouwbare getuigen die men zich kan wensen: Zij zijn 'de Waarheid zelf'.
Het is, wanneer men dit bedenkt, niet verwonderlijk, dat Paulus 'de Waarheid' als getuige aanroept in een eedsformule, t.w. in 2 Cor. 11 : 10. Letterlijk zegt hij: "De Waarheid van Christus is in mij, dat deze onafhankelijkheid van u, waar ik prat op ga, intact zal blijven".
Paulus verankert hier de vastheid van zijn voornemen niet in zijn eigen mensenhart, dat van nature bedriegelijk is, maar in Christus we in hem woont (vgl. Gal. 2 : 20), Christus die de Waarheid in eigen persoon is, en niet liegen kan. De verbinding van 'Waarheid' met 'getuigen' vinden we verder nog in Joh. 18: 37, waar Jezus tegen Pilatus zegt: "Daarvoor ben Ik geboren, en daarvoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de Waarheid te getuigen". Dat hier opnieuw de hoofdletter op z'n plaats is, bewijst wat onmiddellijk volgt: "Ieder die uit de Waarheid is hoort naar Mijn stem". De betekenis van deze laatste woorden wordt duidelijk uit Joh. 3 : 8 "De Geest blaast waarheen Hij wil, en gij hoort Zijn stem (nI. in de woorden van Mij, Christus), maar gij weet niet, waar Hij vandaan komt of waar Hij heengaat - wij zouden zeggen: "u kunt Hem niet thuis brengen" -; dat is wèl het geval met ieder die uit den Geest geboren is". 5) Wie 'uit de Waarheid zijn', dat zijn dus - zoals het in Joh. 1: 13 heet - de mensen "die uit God geboren zijn".
Christus is - zo krijgt Pilatus hier te horen, al begrijpt hij het, gezien zijn reactie in v. 38, blijkbaar niet - 'Gods getuige', evenals later de apostelen (1 Cor. 15 : 15). In Diens geding met Zijn volk vallen Hij en zij den Heere bij. (Vgl. Rom. 3: 4; ook Lc. 7: 35, waar 'de Wijsheid' = 'God', vgI.11 : 49.)

Efeze 4 : 20·24
In het kader van dit aspect van het nieuwtestamentische woord 'waarheid' (waarbij het dus vooral gaat om de tegenhanger van 'leugen', 'bedrog', 'valse voorstellingen (of ook: leer)') zou ik nog aandacht willen vragen voor Ef. 4: 20-24. Ook daar heeft men naar mijn oordeel de Griekse tekst niet erg gelukkig weergegeven. Nu is de grondtekst bier ook bepaald niet gemakkelijk.
Om te beginnen meen ik, dat we met een vraagzin te maken hebben. 6) Ik zou v. 20 en de eerste helft van v. 21 zo willen weergeven: "Maar u, hebt u niet zó den Christus geleerd, als u werkelijk (over) Hem gehoord hebt en in Hem onderwezen bent,: ...?" Het opvallende aan de formulering die Paulus hier gebruikt is, dat èn 'leren' èn 'horen' hier een persoonlijk lijdend voorwerp hebben. (Gewoonlijk hoort en leert men iets, niet iemand 7.) Christus wordt hier, om zo te zeggen, voorgesteld als de 'stof' die ze hebben geleerd, en als de 'les' die ze hebben gehoord.
En in dezelfde lijn ligt wat volgt: Christus is het 'vak' waarin zij zijn onderwezen. Dat is een heel korte, en op het centrale onderwerp geconcentreerde, samenvatting van de christelijke leer. Als Paulus' 'catechisanten' gevraagd zou worden: "Wat leerden jullie bij Paulus? Wat kreeg je bij hem op catechisatie te horen? Waarin kregen jullie les van hem?", dan zouden ze kort en goed moeten antwoorden: "Christus". Nu stelt Paulus dus, als ik hem tenminste goed begrijp, zijn lezers deze vraag: "Als jullie dan echt les hebben gehad in 'Christus', hebben jullie dien 'Christus' dan niet zó geleerd: dat ... "; d.w.z. "kwam die Christus-les, die jullie geleerd hebben, dan niet hierop neer: dat..." en dan volgt in v. 22 de nadere uitwerking van dat 'zo', m.a.w. de inhoud van die "Christus-les". Over die nadere uitwerking dan nu. Het is een lange zin - hij loopt door tot het eind van v. 24 - en voor de overzichtelijkheid geef ik alleen het hoofdmoment ervan weer en laat tal van details weg.
De les was dan deze: " .. dat u den ouden mens moest uitdoen, en den nieuwen mens moest aantrekken... ".
'Oude mens' en 'nieuwe mens' worden hier voorgesteld als een oude plunje en een nieuw pak. Dat beeld van de kleding zien we Paulus herhaaldelijk gebruiken.") Zo zegt hij b.v. in Gal. 3 : 27, dat allen die in Christus gedoopt zijn Christus hebben 'aangetrokken'.
Maar voor Paulus geldt, zou men kunnen zeggen: 'de kleren maken de man': "ik leef niet meer, Christus leeft in mij" zegt hij in Gal. 2 : 20. Nu is het goed, er even op te letten, hoe Paulus in Ef. 4: 22-24 dien ouden en dien nieuwen mens kenschetst. Van den eersten zegt hij: "die kapot gaat aan de begeerten van het bedrog", van den tweeden: "die naar God(s beeld) - Gen. 1: 27! - geschapen is in rechtmatigheid en heiligheid van de waarheid". 9) We zien hier dus weer de oude tegenstelling, die we ook in 1 Joh. 1 : 8 en 2 : 4 tegenkwamen: tegenover 'de waarheid' staat het bedrog. En het zou mij, gezien de m.i. niet te ontkennen zinspeling op Gen. 1 : 27, die de apostel hier maakt, niet verbazij, als Paulus hier bewust heeft gedacht aan het bedrog van de slang in het paradijs, waardoor de verboden vrucht de vrouw opeens ZlO begeerlijk voorkwam.
Gezien nu déze context geloof ik, dat we de tweede helft van v. 21 zó moeten vertalen: "omdat in Jezus de waarheid is" 10). Paulus borduurt hier, denk ik, op hetzelfde stramien als Jezus in Joh. 8: 40-47, • maar nu tracht gij Mij te doden, een mens die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader ... Gij hebt den duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne (een zinspeling op wat Kaïn deed, vgl. 1 Joh. 3 : 12) en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen .waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar, ja de vader der leugen...". Paulus zal dus bedoelen: u is geleerd, dat u, omdat in Christus de waarheid is (d.w.z. omdat in Hem Gods stem gehoord wordt, die u betrouwbare informatie verschaft over Zichzelf en Zijn wil, over u en over de geschapen dingen), ...dat u nu ook naar God zult luisteren, en niet langer het oor zult laten hangen naar den Satan die u misleidt door u allerlei begeerlijks voor te spiegelen, maar uiteindelijk uw leven te vernielen.

2 Petrus 1 : 12
Tot slot zou ik in dit verband nog willen wijzen op 2 Petr. 1 : 12, waar Petrus spreekt van "de verschenen waarheid". De apostel bezigt hier een werkwoord ("verschijnen, ergens komen") dat correspondeert op het zelfstandig naamwoord dat hij in v. 16 gebruikt, en dat daar vertaald is met "komst". Het woord duidt vaak aan Christus' wederkomst, soms ook - zo hier - Christus' komst in het vlees. Opnieuw zouden we, gelet op dit woordgebruik, bijna geneigd zijn het woord 'Waarheid' met een hoofdletter te schrijven.
Maar wat de inhoud van het begrip 'waarheid' hier betreft, wijs ik op wat volgt in het begin van hoofdstuk 2, waar Petrus waarschuwt tegen "valse leraars" (die hij vergelijkt met de "valse profeten" onder het O.T.), die werken met "verzonnen redeneringen", en door wier schuld "de weg der waarheid gelasterd wordt". Opnieuw dus 'waarheid' in tegenstelling tot 'misleiding'.


Noten:
1) Dr Jos. Keuiers, De katholieke brieven en het boek der Openbaring, Roermond en Maaseik 1956,blz. 183.

2) Het is nl. typisch voor de Griekse zinsbouw. dat men - om het maar even zo uit te drukken - het antecedent in de relatieve zin schuift; dat men dus, waar wij zouden zeggen "de macht die ik heb" aldus formuleert: "welke macht ik heb".

3) Over 3 : 9, dat men volgens de gangbare vertaling (“Gods zaad blijft In hem (= den gelovige)") geneigd zou zijn ook in deze reeks te betrekken. maar dat volgens mij zó moet worden gelezen: "Gods zaad (= Gods kinderen) woont in Hem (= Christus)", schreef ik in de 14e jrg. van 'Opbouw', blz. 78.

4) Zie R. Schippers, Getuigen van Jezus Christus in het Nieuwe Testament. Franeker 1938.

5) Over deze tekst schreef ik in de 6de jaargang van 'Opbouw'. blz. 156.

6) T.a.v. leestekens e.d. gaf de oorspronkelijke schrijfwijze van Griekse teksten weinig houvast. Latere uitgevers hebben hier zelf hun weg moeten zoeken. En naar mijn indruk Is er op dit punt nog wel het een en ander te verbeteren. Een sprekend voorbeeld is de slotpericoop van Rom. 8. T.a.v. VVo 35/36 Is het aanstonds duidelijk geweest, dat er na de beginvraag ("Wie zal ons scheiden van Christus' liefde?") een aantal antwoorden worden gesuggereerd ("Verdrukking misschien of benarde omstandigheden of vervolging? Gebrek aan voedsel of kleding? Gevaar of terechtstelling?"), welke suggesties dan met kracht worden afgewezen ("Maar In al die dingen winnen wlj het nu juist met glans!"). Maar men heeft niet gezien, dat de verzen 33 en 34 precies zo zijn opgezet, Men moet daar vertalen: "Wie zal een aanklacht indienen regen Gods uitverkorenen ? God soms? Maar die spreekt ons nu juist vrij! Wie zal hen veroordelen?
Christus Jezus soms? Maar die is nu juist voor ons gestorven, of liever: opgewekt! Hij zit ook aan Gods rechterhand en pleit zelfs voor ons!"
(De Willibrordus-vertalers zijn hier de goede richting ingeslagen.)

7) Als bedoeld was 'Christus horen' in de zin zoals wij spreken van 'een dominee horen', zou het woord 'Christus' in een andere naamval hebben gestaan. Bovendien hebben de mensen aan wie deze brief is gericht niet onder het gehoor van Christus zelf gezeten.

8) Zie mijn artikelen 'Het beeld van ·de kleding bij Paulus' in de tien/de jaargang van 'Opbouw'. blz. 349, 357, 363.

9) Ik ben iets dichter bij de grondtekst gebleven dan de NEG-vertalers.
Stellig kan in het nieuw-tesamentisch Grieks de genetivus van een substarstivum wel eens vertaald worden door het corresponderende adjectivum, b.v. Opb. 13: 3 "wond van de dood" = dodelijke wond. Maar hiér zou naar mijn overtuiging zo'n vertaling vervlakkend werken. Het historisch reliëf van deze tekst blijft het best zichtbaar, als men 'het bedrog' en 'de waarheid' als twee bijna persoonlijke grootheden tegenover elkaar laat staan.

10) Voor 'kathoos' in de betekenis 'omdat' vgl. b.v. Rom. 1 : 28, 11) Zo is Paulus, denk ik, vaker op een bepaald spoor gezet door Jezus zelf, Ik denk aan wat hij doet, wanneer hij tegenover hen die de rechtvaardiging uit de werken der wet verwachten de ileer van de rechtvaardiging uit het getoer verdedigd, Hij brengt dan meermalen (Gal. 4 : 21-31; Rom. 9 : 7-9, zij het minder expliciet dan op de eerstgenoemde plaats) de tegenstelling tussen die twee opvattingen op de noemer 'Ismaël contra Izaäk'. Een aanknopingspunt daarvoor gaf Jezus zelf in Joh. 8 : 35. Vgl. mijn artikel 'Zoon en slaaf' in de 7de jaargang van 'Opbouw' blz. 140.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief