Want déze God is onze God (2)

1983-10-14
  • Jaargang 27
  • nummer 38
Wie heeft het nooit eens meegemaakt, dat hij in een gesprek met niet-gelovigen werd klemgezet met behulp van een beroep op Gods almacht?
Als God alles kan, waarom laat Hij al dat onrecht dan zomaar toe? Waarom komt Hij dan niet tussenbeide? Reageren wij niet vaak wat nerveus op zulke vragen? Hebben ze misschien ook in ons eigen hart voet aan de grond gekregen? Hoe het zij, wanneer anderen ons met een verwijzing naar Gods almacht schaakmat proberen te zetten, voelen wij ons maar al te gauw in het defensief gedrongen. Onze antwoorden zijn vaak pover en wekken naar buiten toe daardoor de indruk alsof hier de achilleshiel van het geloof zou liggen.
Hoewel wij zelf de vragen rond Gods almacht wellicht het liefst uit de weg zouden willen gaan, biedt Gods Woord ons daartoe niet de minste kans. Met een overrompelende vrijmoedigheid spreekt de Schrift over God als de Almachtige, Van nervositeit geen enkel spoor. "lk ben de HERE, en er is geen ander; die het licht formeer en de duisternis schep, die de vrede maak en het kwade schep; Ik de HERE doe rut alles"
(N.B. de Nieuwe Vertaling heeft, in tegenstelling tot de Statenvertaling, 'vrede' en 'kwaad' afgezwakt tot 'heil' en 'onheil'). Er zijn weinig woorden in de Schrift, die zoveel vragen oproepen als deze passage. Mogen wij dit van de HERE zeggen? Dat Hij de vrede maakt èn het kwade schept? Je houdt je hart vast. En toch: het is de HERE zèlf, die zich in deze bewoordingen aan ons openbaart. Hij verzekert het ons immers: "Ik de HERE doe dit alles". Hij ontwijkt de vragen niet, die zijn almacht bij ons mensen kan doen rijzen. Integendeel, de HERE is zelf degene die die vragen in alle hevigheid bij ons oproept.
En één ding moet bier al duidelijk zijn: nergens komt de HERE in zijn Woord aan onze vragen tegemoet, door aan zijn almacht iets af te doen. Helaas wordt dat alles door veel mensen wèl gedaan. Om klaar te komen met de vragen waarvoor de almacht van God ons stelt, helt men er toe over om Gods almacht dan maar te ontkennen. "Wie God na Auschwitz nog is, weet ik niet. Hopelijk niet de almachtige! Want als Hij almachtig is, dan heeft Hij het allemaal toegelaten.
Dan had Hij het kunnen voorkomen, en rest je dus alleen nog de vraag waarom Hij dat dan niet heeft gedaan. Maar als Hij niet de almachtige is, wie is Hij dan wel?
Misschien moet je zeggen: de machteloze, degene die heeft moeten buigen voor de kwaadaardigheid van de mens in zijn vrijheid. Als Hij zich heeft geopenbaard, dan heeft Hij dat gedaan als degene die machteloos toezag, en met alle lijdenden heeft meegeleden"
(p. van Boxel in: Je zult achter de Heer je God aanwandelen). Dit citaat geeft op een onthullende wijze weer hoe op menselijke wijze een uitweg gezocht wordt uit de problemen. Veel christenen houden het niet uit bij de beklemmende vragen, waarvoor de belijdenis van God als de AImachtige hen plaatst, en vluchten in de belijdenis van Gods onmacht.
Dit is echter geen uitweg, maar een weg die regelrecht naar de afgrond voert, Als God de HERE niet meer op kan tegen het kwaad dat de mens aanricht, dan is werkelijk àlles verloren!
En is dàt het nu juist niet, waarvan de HERE ons wil verzekeren als Hij van zichzelf getuigt: "Ik ben de HERE, en er is geen ander; die het licht formeer en de duisternis schep, die de vrede maak en het kwade schep; Ik de HERE doe dit alles"? Dat Hij als Enige tegen het kwaad is opgewassen.
Dat Hij als Enige het kwaad naar zijn hand kan zetten. De kennis van goed en van kwaad maakt ons radeloos. De HERE, maar dan ook alleen Hij, weet er raad mee.
Als de HERE zich zo te kennen geeft als de Onvergelijkelijke, moeten wij daarbij wel bedenken dat Hij zich in deze openbaring in de eerste plaats richt tot Kores, de stichter van het perzische wereldrijk.
Deze Kores krijgt hier te horen, dat hij door de God van Israël in dienst wordt genomen.
De HERE mobiliseert hem om Jeruzalem te heflbouwen en om de ballingen terug te doen keren. Nu had deze Kores, voor het besef van zijn tijd, absolute macht: hij kon zijn onderdanen maken of breken, hij kon het goede over hen beschikken, maar net zo goed het kwade. Zonder pardon zet de HERE, de God van Israël, deze machthebber op zijn plaats: Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak de vrede en schep het kwade; Ik de HERE doe dit alles. Maar roept de soevereine wijze waarop de HERE zich hier presenteert dan geen vragen bij ons op?
Zeker wel! Maar laten wij toch beseffen, dat het vragen zijn die ons boven onze macht gaan. En laten we er goed van doordrongen zijn, dat de HERE zelf aan onze vragen een grens stelt. Want dat is tooh ontegenzeggelijk de bedoeling van het vervolg van onze tekst: "Wee hem die met zijn Formeerder twist, een scherf onder aarden scherven.
Zal ook het leem tot zijn vormer zeggen: wat maakt gij...?" Wie ongelimiteerd blijft doorvragen, is vergeten wie hij is: leem in de handen van de Schepper.
Krijgen wij dan helemaal geen antwoord op de vragen die Gods almacht bij ons wakker maakt? Nee, nergens in zijn Woord maakt de HERE onder de druk van onze vragen zijn almacht voor ons begrijpelijk. Een direct antwoord komt er niet. Wat er wèl komt, is een vraag: een vraag van de kant van de HERE aan ons, om Hem door alles heen te vertrouwen.
"Vel1trouwt Mij mijn zonen en het werk mijner handen toe" (Jes. 45 : 11). Wees er van overtuigd dat Ik met mijn almacht geen schrikbewind voer; dat mijn daden, hoe ondoorgrondelijk ook, niet voortkomen uit willekeur. Wees er van verzekerd, dat je bij Mij, de Almachtige, in goede handen bent. “Want "er is geen God behalve Mij, een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet" (Jes. 45 : 21).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief