Normen en feiten in verband met het kernwapenvraagstuk (1)

1983-10-14
  • Jaargang 27
  • nummer 38
De redactie van de Shalom-krant nodigde dit voorjaar de heer L. van Driel te Nieuw-Lekkerland en mij uit om een publieke discussie te voeren over vragen rondom het kernwapenprobleem. Wij gaven gevolg aan dat verzoek en het resultaat is te vinden in genoemde Shalom-krant van dit jaar die in augustus verschenen is. Mijn ijver was echter te groot geweest, zodat niet alles wat ik in antwoord op de vragen van de heer Van Driel geschreven had kon worden opgenomen. Toch zou ik het jammer vinden wanneer mijn overtollige schrijfsels in de prullenbak verdwenen. Vandaar dat ik ze in ons blad plaats. Mijn gesprekspartner had er zijn verbazing over uitgesproken dat terwijl christenen de onderlinge discussie over vraagstukken als abortus en euthanasie in de regel sterk laten bepalen door bijbelse NORMEN) hun gesprek over kernwapens opeens overwegend beheerst wordt door de praktische FEITEN. Hij vroeg mij of ik die verbazing herkende en deelde. Ik schreef daarop terug dat dat niet het geval was en wel om de volgende redenen:

Elkaar ten goede houden
1) In de eerste plaats wil ik ingaan op de suggestie die ervan uitgaat als deze twee dingen tegenover elkaar worden gesteld: enerzijds het feit dat orthodoxe christenen in de regel abortus en euthanasie afwijzen en anderzijds het feit dat diezelfde christenen het hebben of aanhouden van kernwapens goed praten. Het eerste zou goede zorg voor het ons van God geschonken leven verraden, terwijl het tweede met die goede zorg onder de indruk van de feiten een loopje zou nemen. Ik wil mij tegen deze suggestie krachtig verzetten.
Het hebben of aanhouden van kernwapens kan evengoed als het afwijzen van abortus en euthanasie vrucht zijn van goede zorg voor het leven als goddelijk geschenk.
In de genoemde tegenoverelkaarstelling proef ik steeds het onuitgesproken verwijt dat bedoelde christenen de vragen rondom oorlog en vrede vanuit een verkeerde realiteitszin aan het gezag van de Heilige Schrift onttrekken; dat ze daarover een kwaad geweten hebben en dat ze daarom op dit punt met de bijlbel eigenlijk geen raad weten. Dit is toch niet waar. Het lijkt me daarom voor een goede discussie noodzakelijk dat de gesprekspartners van elkaar (dus in heuse wederkerigheid) aannemen dat het hun beiden achter de Bijbel aan om het behoud van het leven en de vrede gaat en dat ze zich beiden in de keuze van de middelen daartoe door de Heilige Schrift willen laten leiden. Daarbij doet zich dan inderdaad onder hen een ingrijpend verschil voor: de één wil op de bedreiging met kernwapengeweld in navolging van de bergrede reageren met weerloosheid (of althans met het afzien van een machtsbalans), de ander denkt dit geweld van de aanvaller te keren door in navolging van Romeinen 13 te dreigen met het tegengeweld van het overheids'zwaard', - maar beiden gaat het om het behoud van het goede leven en de goede schepping en het luisteren naar het goede Woord van God. Als we reden menen te hebben de ander in deze bedoeling te wantrouwen, komt de discussie in een heel ander licht te staan, ja kan ze eigenlijk niet eens gevoerd worden.

De grenzen van de norm
2) Maar is het dan toch niet zo dat de tegenstanders van de eenzijdige afschaffing of vermindering aan de feiten een grotere plaats inruimen dan de voorstanders? Inderdaad is dat het geval en ik maak me nu op om te gaan uitleggen waarom dat zo is. We moeten hier wat langer bij stil staan omdat de zaak vrij ingewikkeld ligt. Het gaat hierbij om de vraag of wat de Here Jezus over de weerloosheid gezegd heeft ("Zo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe", Matth. 5 : 39) in deze zin tot een algemene norm verheven kan worden dat ze als leefregel dwingend wordt opgelegd ongeacht wat voor feiten daar ook tegenover staan. Mijns inziens kan dat niet. Zelfs binnen de grenzen van de christelijke gemeente is dat onmogelijk. Deze regel is namelijk door de Here zo geestelijk gesteld dat elke gedachte aan een uiterlijk te hanteren wet maar beter achterwege kan blijven, Wij geven dit geweldige woord aan elkaar door en houden het elkaar voor, maar laten het verder aan de Heilige Geest over wat ervan in het leven van de broeder of zuster naast ons terecht komt. Zélf, persóónlijk, voor éigen leven gaan we er evenwel als het goed is een voortdurende worsteling mee aan, dat wèl. Maar de christelijke kerk is niet groot geworden doordat de christenen elkaar hiertoe gingen verplichten met tucht of sancties in geval van nalatigheid. Veeleer doordat christenen zélf, eigener beweging en gestimuleerd door elkaar het hier en daar met vallen en opstaan gingen praktiseren, in persoonlijke navolging van hun Heer. En, moet je begrijpen, zo gaat dat dus toe onder christenen, dat wil zeggen onder mensen wier leven onaantastbaar geborgen is in God en die derhalve het risico dat aan het opvolgen van deze regel verbonden is zonder bezwaar zouden kunnen nemen. Toch heerst onder hen zelfs nog grote schroom bij het verplicht stelten van dit gedrag, vanuit het besef natuurlijk om wat voor verhevens het hier gaat. Maar als we onderling al schroomvallig zijn op dlit punt, hoe grote terughoudendheid is dan wel niet gepast waar het de wereld betreft?
In de wereld immers ontmoeten we mensen die 'geen deel dan in dit leven hebben'. Hun lijfelijke leven is het enige dat ze bezitten. Is het dan niet absurd van hen te vragen dat ze dit allerkostbaarste wat ze hebben blindelings in de waagschaal stellen? Zonder dat daar voor hen enige geborgenheid in leven en sterven tegenover staat? Dat is toch maaien waar niet gezaaid is? Geef de mensen éérst 'n evangelische grond onder de voeten en toon ze dán wat de mogelijkheden zijn van een verlost leven. De gemeente kan toch zeker met dit hoogste gebod de straat niet opgaan alsof het allemanswaar was? In het algemeen moet ze al terughoudend zijn om met de wet van God naar buiten te treden. Ze wordt daarmee zo gemakkelijk misverstaan. Het evangelie is haar sterkste troef. Waar dat geloofd wordt kan er pas gehoorzaamheid aan Gods wet groeien, vrijwillig en voor Gods aangezicht.

Binnen en buiten
Maar is dit nu uit een oogpunt van normatief denken geen slap gepraat? En een uitwijken voor de feiten? Laat ik dan als kroongetuige voor dit 'slappe gepraat' de apostel Paulus oproepen, die ik nu via een wat uitvoeriger citaat aan het woord laat komen. In verband met het voorkomen van een zeer ernstig geval van hoererij in de gemeente van Korinthe schrijft hij het volgende: "Ik schreef u reeds in mijn brief dat gij niet moest omgaan met hoereerders; niet met de hoereerders uit deze wereld in het algemeen of met de geldgierigen en oplichters of afgodendlienaars, want dan zou men wel uit de wereld moeten gaan. Nu evenwel schrijf ik u dat gij met moet omgaan met iemand die onder de broedernaam een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten. Staat het soms aan mij hen te oordelen die buiten zijn? Oordeelt ook gij niet (alleen) hen die in uw kring zijn? Hen die buiten zijn zal God oordelen. Doet wie niet deugt uit uw midden weg" (1 Kor. 5 : 9-13). Moet je nagaan, het gaat hier over die geboden die als norm veel duidelijker en op een veel breder basis overeind staan dan de door Jezus aanbevolen weerloosheid. Is voor de bijval van de laatste een hooggeestelijk leven vereist, de eerstgenoemde dingen kunnen ook zelfs vanuit het meest verstokte ongeloof nog beaamd worden. Hoererij, dronkenschap, laster, - vraag in een ruw café niet of de aanwezigen zich daarvan onthouden, maar als ze hun oordeel over deze zonden moeten geven dan zal ook de meest aangeschotene niet 'goed' zeggen maar 'verkeerd'. De zonde die Paulus in dit gedeelte als ontoelaatbaar aanwijst, werd dan ook prompt door de buitenwacht streng veroordeeld (vs. 1). En toch, hoe parallel de meningen van kerk en wereld op dit gebied ook liepen en lopen, tóoh maakt Paulus verschil tussen binnen de gemeente en daarbuiten. Binnen de gemeente is hij ' streng, daarbuiten niet. Binnen de gemeente oordeelt hij, daarbuiten niet. Waarom? Heeft hij een dubbel normenstelsel? Nee, maar hij beseft dat je dezelfde geboden 'binnen' en 'buiten' niet met even grote kracht tot geldigheid kunt brengen; dat je binnen de gemeente de gehoorzaamheidsplicht evangelisch kunt aanbinden ("Denk er om, de Heer heeft er zijn leven voor gegeven!") en buiten de gemeente niet. Binnen de gemeente zegt de apostel: "Van hoererij ...mag onder u zelfs geen sprake zijn…" (Ef. 5: 3), maar buiten de gemeente is daar niet alleen wèl sprake van maar moeten de christenen met de bedrijvers ervan nog omgaan ook. "Anders zou men wel uit de wereld moeten gaan", klinkt het heel nuchter uit Paulus' mond. Ik geef toe dat in Paulus' dagen die grens tussen 'binnen' en 'buiten' op dit punt scherper en duidelijker te trekken viel dan in onze tijd.
Wat wij nu 'buiten' noemen is immers grotendeels eens 'binnen' gewéést en veel bijbelse beseffen leven er dan ook nog vaag voort. Maar voor ons aangelegen punt (weerloosheid) maakt dat verschil tussen vroeger en nu toch niet veel uit. Daarom geloof ik dat het aangehaalde gedeelte uit de Korinthiërs ons werkelijk verder kan helpen. We kunnen eruit concluderen dat naarmate wij als christenen de blik van ons af naar buiten richten de feiten meer gaan opwegen tegen de normen. Niet natuurlijk dat dit ons eigen gedrag zal mogen beïnvloeden; we hebben het nu immers over het tot algemene gelding brengen van het goddelijke gebod. Welnu, dat heeft dus zijn zeer duidelijke beperkingen, Veel hangt daarbij ook af van de aard van het gebod waarmee de gemeente naar buiten treedt. Voor een anti-abortusprogram zal zij meer steun van niet-gelovige zijde kunnen ontvangen dan voor een weerloosheidspleidooi, omdat het gebod tot bescherming van het leven gemakkelijker beaamd kan worden dan Jezus' eis om de andere wang toe te keren.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief