Achter die deur in Wittenberg (1)
1983-10-21
Eén druppel van Christus' bloed zou genoeg zijn geweest voor de verlossing van de gehele mensheid. Uit die rijke overvloed van Christus' offer is een schat voortgekomen die niet in een doek moet worden geborgen of in een akker verstopt, maar die gebruikt moet worden. Deze schat is door God toevertrouwd aan zijn plaatsbekleders op aarde, aan de heilige Petrus en zijn opvolgers, om te worden aangewend voor de gehele of gedeeltelijke verzoening van de tijdelijke zonden, die begaan zijn door gelovigen, die berouw hebben en hebben gebiecht.- Jaargang 27
- nummer 39
Uitspraak van Paus Clemens VI in de jaar 1342.
Een gulle gever
We gaan terug naar het jaar 1150. De graaf van Molise wil van zijn vrouw scheiden. De motieven voor die ernstige stap worden door een kerkelijke rechtbank beoordeeld, voorgezeten door Paus Eugenius III. Kennelijk een impulsief man, want,als de vraag naar de redenen van scheiding wordt besproken. barst de Paus plotseling in tranen uit en werpt zich aan de voeten van de graaf. Zijn mijter vaM hierbij van zijn hoofd en rolt in het stof. Als aanwezige bisschoppen en kardinalen de Paus weer overeind hebben geholpen en zijn mijter hebben teruggebracht, smeekt deze in aller aanwezigheid de graaf om zijn vrouw toch terug te nemen, En, voegt hij eraan toe, "om uw bereidheid in dezen ie doen toenemen zal ik, de opvolger van Petrus en plaatsbekleder van Christus, aan wie de sleutels van het hemelrijk zijn geschonken, uw gezellin een onmetelijke bruidschat meegeven: mits u haar terugneemt en haar trouw zijt, zal ze u een onschendbaarheid (voor door de kerk opgelegde straffen) geven voor álle zonden die u tot nu toe hebt begaan. Op de Dag des Oordeels zal ik daarvoor aansprakelijk zijn."
Bij deze gebeurtenis, door een der aanwezigen opgetekend, zien we een Paus die zijn herderlijke taak zeer ernstig neemt, een graaf die voor deze redevoering zwicht en zijn vrouw terugneemt èn een Kerk die hier een begin meemaakt van die later zo verguisde instelling: de aflaat.
Winst, voor tijd en eeuwigheid
"Een" begin; feitelijk niet hèt begin. Al eerder, tijdens het begin der Kruistochten is er sprake van een aflaat. En zelfs nog eerder is er sprake van iets dat in zijn implicaties op aflaten lijkt, Al in het jaar 853 wordt door een Paus verklaard dat God degenen die "voor de waarheid des geloofs, de redding van het vaderland en de verdediging van de christenheid" zijn gesneuveld als loon op hun werken de hemelse gewesten niet onthouden zal. Bijna dertig jaar later wordt een opvolger gevraagd of mensen, die voor de zaak des geloofs gesneuveld zijn of nog zullen sneuvelen, aflaat voor hun zonden, of zo u wilt, kwijtschelding van straf kunnen ontvangen.
Het antwoord: "Door tussenkomst van de apostel, die macht heeft in de hemel te blinden of te ontbinden, spreek ik hem, voor zover mijn recht het me toelaat, van hun zonden vrij en draag ik hen in mijn gebeden aan de Heer op."
Het gaat hierbij - we moeten dat wel steeds bedenken - meer om de straffen die de Kerk als boetedoening oplegt dan om de eeuwige straffen, die slechts door God kunnen worden uitgesproken. Toch, en dat msvan belang om te zien, gaat het hier om de macht van de Paus. Hij meent, vanuit de door hem geclaimde status van plaatsbekleder van Christus te zijn, over goddelijke volmachten te kunnen beschikken.
Al spoedig zijn het niet meer de doden, maar de levenden die van kerkelijke straffen kwijtschelding of vermindering kunnen krijgen. In 1080, net vóór de eerste Kruistocht start, verklaart een Paus dat iedereen die tegen de ongelovigen in het Heilige Land zal optrekken, vergeving van al zijn zonden en de zegen voor dit en het komende leven zal krijgen. En een concilie, dat van Clermont in 1095, zegt het zo: "Iedereen die uit zuivere devotie, met om eer of geld, tot bevrijding van de Kerk Gods naar Jeruzalem vertrekt, zal deze voor een 'algehele boetedoening worden aangerekend. "
Inflatie
Later zien we hoe meer manieren ontstaan waarop men aflaten kan krijgen. Niet door per se zèlf Palestinawaards te gaan, maar door bijvoorbeeld een plaatsvervanger te bekostigen. Of door een grote som gelds te besteden aan verfraaiing
of opbouw van een kerk of klooster. Of, door een reis te maken, niet naar Jeruzalem, maar naar Rome. In het jaar 1300 wordt een Jubeljaar en een jubileumaflaat afgekondigd, In de zeven kerken aldaar zijn aflaten te verdienen, geldig voor 100, 10'00 of (in de kerk van St. Eustatius) zelfs voor miljoenen jaren. En zo'n twee miljoen mensen zijn dat jaar naar de Eeuwige Stad getrokken; het was een van dè gebeurtenissen uit die tijd! Twee miljoen mensen komen opdagen, gedreven door verlangen hun toekomstige zielenheil veilig te stellen.
Zoals Professor Eekhof zegt, in een boek uit 1917: "het boetewezen was versteend en veruiterlijkt; de aflaat was pasmunt geworden." Of, in de woorden van de Britse kerkhistoricus Southern: "er was sprake van een spiraal van inflatie". Het systeem werd ondermijnd door voortdurende afbrokkeling van "de koopkracht" van de aflaten. Ze werden teveel ingezet, teveel gebruikt, te goedkoop gemaakt. En moeiten konden niet uitblijven. De Protestantse Reformatie is er een direct gevolg van geworden.
Maar voorlopig is het nog niet zover. We zien allereerst de inflatie voortwoekeren. Twee miljoen pelgrims in Rome, in 1300. Vijftig jaar later (bij bet volgende jubeljaar) komt er maar een fractie van dat bezoekersaantal. Eén reden is de massale sterfte, vanwege de Zwarte Dood, de schrikwekkende pestepidemieën. Maar een àndere reden ligt in het feit dat men ook "thuis" aflaten kan ontvangen; men hoeft er niet per se helemaal voor naar Rome. In 1525 - al weer 7 jaar na het aanslaan van de 95 stellingen - kan men in Amsterdam alle "Romeinse aflaten" verkrijgen door in de stad zeven kerken aan te doen. Het blijkt zelfs mogelijk zeven altaren en "staties" in één kerk te zetten om hetzelfde resultaat te verkrijgen. En wat te denken van de kermis in Bergen op Zoom in 1518, waar "kostelijke aflaten" als prijs worden uitgeloofd?
Verkorting van het Louteringsproces in het vagevuur, mits je kon ballengooien! (Zie Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen.)
Onterecht
Toch kunnen wij als Protestanten ook té negatief over het hele verschijnsel oordelen. Zo in de trant van: allemaal pauselijke geldingsdrang of bot commercialisme. Ongetwijfeld waren motieven van geldelijk gewin niet weg te denken en moet de pauselijke pretentie uitdeler van Christus' genadegaven te zijn beslist worden verworpen.
Maar er waren wel degelijk ook meer nobele, zij het niet altijd even doordachte, beweegredenen.
Het verhaal van de graaf van Molise is al verteld. Hier nog een voorbeeld. De Paus gaat met zijn entourage op bezoek bij Italiaanse kloosterzusters. Het is het jaar ]476. De biechtvader der zusters Franciscanessen vraagt de Heilige Vader om een aflaat en deze schenkt hem die: een volle aflaat voor het naderende Mariafeest. Maar omdat de Paus feitelijk nog wat meer wil doen, voegt hij eraan toe: "Daarnaast, ontvangt men volkomen vergeving van schuld en straf iedere keer dat u uw zonden biecht." "Wat!", roepen de meegekomen kardinalen, "iedere keer?" "Ja", geeft de Paus ten antwoord, "ik geef u alles wat ik zelf bezit." Waarop de kardinalen eenparig voor hem neerknielen en uitroepen: "Geef dit ook aan ons."
De Paus: "In orde, het geldt ook voor u." Ondoordacht, te impulsief maar niet kwaad of doortrapt bedoeld. Alhoewel, het is natuurlijk een uitvloeisel van een visie op de Paus die de Schrift ons nergens leert. God heeft geen menselijke genade-uitdelers nodig! Zo wordt het onvermijdelijk dat ieder die zich principieel tegen het verschijnsel der aflaat verzet, in botsing komt met de machthebber in Rome. Zoals de geschiedenis leert.
Morgen is te laat
Dat gebeurt als Luther met hamer en papier door de straten van Wittenberg loopt. Hij is ten zeerste verontrust door de invloed van de aflatenhandel op zijn pastorale praktijk, Mensen blijken niet meer bang voor de door hem uitgesproken vermaning en opgelegde straffen.
Ze hebben al een aflaat op zak, een vrijbrief om vragen van tijdelijke en eeuwig oordeel niet meer zo ernstig te zien als ronder het bezit van deze documenten.
En al is Luther zich er van bewust dat in "zijn" gebied, dat van de keurvorst Frederik van Saksen, niet zulke botte praktijken voorkomen als die welke door Tetzel bedreven worden - Tetzel heeft geen toestemming om in deze regio te opereren - daarmee is niet alles gezegd. Morgen, 1 november, is het Allerheiligen 1517. Dan wordt hij in de Slotkapel verwacht voor een bijzonder schouwspel dat zowel met relieken als met aflaten te maken heeft. Op Allerheiligen wordt namelijk de keurvorstelijke collectie heilige voorwerpen getoond.
Frederik is een hartstochtelijk verzamelaar van relikwieën; van zijn reis naar het Heilige Land heeft hij onder andere meegenomen: een stukje van de trap waaronder Lazarus gelegen heeft, roet uit de gloeiende oven, waarin Daniël's drie vrienden ongedeerd zijn gebleven, een deel van de baard van Christus en een paar goed bewaard gebleven kinderen, die te Bethlehem door Herodes zijn vermoord. Frederig had 17.443 onderdelen van heiligen". (Volgens een andere schrijver waren het er 19.013; maar hoe dan ook, een hele verzameling.) En waar zulke relikwieën getoond worden, vallen vaak bijzondere aflaten te verkrijgen. Op Allerheiligen zou het volk dan ook weer toestromen. En wat dan? Het kwaad, dat er achter zat moest worden bestreden. Te lang had Luther inmiddels de Bijbel bestudeerd (èn aan de Universiteit gedoceerd) om eraan te twijfelen of de aflatenhandel was door en door corrupt.
Morgen zou hij, samen met zijn collega's van de Universiteit in de Kapel verwacht worden. Dat was traditie. Frederik was tenslotte stichter en voornaamste begunstiger van de academische instelling waarvoor Luther werkte. Maar een dag éérder, 31 oktober, wordt een papier met stellingen aangeslagen, zoals gebruik was in die dagen. Een uitdaging tot een theologisch dispuut. Een simpele daad.
Later zou hij zeggen: "ik vreesde een toon te gaan ringen, die misschien voor mijn stem te hoog zou blijken te zijn." Hoe kwam hij er bij ... Een gezette jonge man van 34 jaar heeft een papier volgeschreven. Pas na 150 jaar trekt in heel Europa de kruitdamp op.