Te Berde
1983-11-04
Dit stukje schrijf ik op zondagmiddag.- Jaargang 27
- nummer 41
Vanmorgen reden we naar de kerk door een van de mooiste streken van Nederland. Het gebied rond Winterswijk. Als ik het goed begrijp wil de regering van dit deel van de Achterhoek dan ook een landschapspark maken. Ik geloof niet dat alle inwoners van de streek het daarmee eens zijn. Maar het is inderdaad wel zo mooi dat het verdiend een landschapspark te zijn. Het had de afgelopen nacht nogal wat gevroren. Het gevolg was dat de bladeren in grote hoeveelheden -van de bomen vielen. De zon scheen erover en door de bomen. De bestrating was op sommige plaatsen niet te zien. Er lag een licht bruin tapijt over. En natuurlijk schoot het gedicht van Jacqueline van der Waals door mijn gedachten.
"Ik keek in de gouden heerlijkheid van een najaarslaan." En "waar gouden de portalen zijn, hoe zullen dan de zalen zijn!". En: "Indien van goud de gangen zijn, hoe groot moet mijn verlangen zijn, de zalen in te gaan." Dat verlangen is inderdaad vaak niet groot genoeg.
Althans bij mij niet. En ik vermoed bij een groot deel van de christenen niet. Want hoe mooi zal de nieuwe aarde zijn, als de oude al zo fraai is.
We kunnen niet groot genoeg denken van Gods almacht en van de trouw aan Zijn belofte.
Niet zo lang geleden was er een nieuwsdame van de N.O.S., die het voor haar intelligentie niet passend vond om bij voorbeeld de eerste sneeuw in Drenthe te verslaan. Maar ik denk dat je pas een echte goede journalist bent, als je zo iets fraais als een najaarslaan of de eerste sneeuw in Drenthe goed kunt overbrengen aan de mensen. Dat is nl. veel moeilijker dan het verslaan van een grote demonstratie. Veel moeilijker dan de acties van de ambtenaren en tendvolgers weer te geven. Want dat is makkelijk genoeg. En dan heb je de aandacht van de mensen wel.
Hoe arm is een ieder die geen schoonheid meer ziet in de vallende bladeren in de herfst en de eerste sneeuw in Drenthe. Als we maar open ogen hebben en een hart vol liefde voor wat God geschapen heeft. Mij zongen op deze zondagmorgen de bladeren een tale, mij was het kruid beleefd. Van de grote naam van God.