Wie is mijn naaste?
1983-11-11
Ook deze keer een gelijkenis. En nog wel een hele bekende.- Jaargang 27
- nummer 42
Een gelijkenis) die onder ons beter bekend staat als de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Ook deze gelijkenis dankt zijn ontstaan aan een concrete vraag, die dit keer gesteld wordt door een wetgeleerde. De wetgeleerde wil wel eens weten wat hij aan Jezus heeft, waar hij met deze rabbi aan toe is. Daarom stelt hij Jezus een vraag, die in de kring van de wetgeleerden als een zeer belangrijke vraag gold. “Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?”
Het beërven van bet eeuwige leven heeft te maken met de goede verhouding tot God. En die goede verhouding openbaart zich in het naleven van de geboden. Daarom stelt bij de vraag: "wat moot ik doen?". Waarbij op de achtergrond de overtuiging een rol speelt, dat "wat je moet doen"
ook te volbrengen is. Hij wil d.m.v. zijn vraag er achter komen waar deze rabbi de accenten plaatst. Jezus stelt een wedervraag, wat onder wetgeleerden een hele normale manier van redeneren is. "Wat staat in de wet geschreven?
Hoe leest gij?". En daarmee brengt Hij een concentratiepunt aan. Het antwoord is in de Schrift te vinden. Het antwoord van de wetgeleerde is wat Israël gelooft en belijdt: "Gij zult de Here, uw God liefhebben uit 'geheel uw hart en met geheel uw zielen met geheet uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf". Dit is de eeuwenoude geloofsbelijdenis der vaderen. Wat je moet doen om het eeuwige leven te beërven is duidelijk en eenvoudig. Het antwoord kun je zo uH de Schrift halen. Samengevat in de liefde tot God en de naaste.
En daarmee 'heeft Jezus hem afdoende beantwoord.
De wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen, zo lezen we in vers 19. Alsof hij daarmee wil zeggen: de zaak ligt toch veel gecompliceerder dan Jezus nu voorgeeft. Wie God is, dat is wel duidelijk, maar ... Wie is mijn naaste? Dat is in de ogen der mensen een praktisch probleem. De naaste. Moet je dan dicht bij huis ,blijven in de kring van bekenden, van geloofsgenoten?
Of is er ook de verre naaste, wiens bestaan we kennen via de tv en de krant? Wordt hij op onze weg geplaatst of moet naar hem op zoek gaan? Het jodendom kende daar net zoveel antwoorden op als wij vandaag. De naaste dat is ...
In het Oude Testament is de naaste allereerst de volksgenoot. Iemand van het eigen volk, met wie men de liefde van God deelt. De naaste wordt niet bepaald door het behoren tot een groep, maar door God die mensen aan elkaar geeft.
Het zelfstandig naamwoord "naaste" is in het hebreeuws afgeleid van een werkwoord, dat betekent: "zich met iemand inlaten, iemand vergezellen, met iemand verbonden zijn". De naaste laat je dus niet links Iiggen, je loopt niet aan z'n nood en ellende voorbij.
In de dagen van Jezus was het jodendom verdeeld over de vraag "wie is de naaste?".
Aan de ene kant waren er de hellenistische joden, die gemene zaak maakten met de Romeinen, die zich aanpasten aan hun tijd.
Voor hen is de naaste gelijk aan de wereldburger. Eerder de Romeinse of Griekse collega, met wie je gezellig een glas kunt drinken, dan de sombere orthodoxe volksgenoot.
Aan de andere kant staat de partij van de "vromen", de chasidiem, waaruit de farizeeërs zijn voortgekomen. Zij zijn 'geneigd om de kring heel erg klein te houden. Vreemdelingen, en ook de onwetende schare, die aan de vervulling van de wet zich niets gelegen laat liggen, behoren die nog wel tot de naaste die je moet lief hebben? En hoe ver trekt nu deze rabbi Jezus de grens? Waar staat hij in het krachtenveld van de elkaar bestrijdende partijen?
Jezus antwoordt hem d.m.v. een gelijkenis, "Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen". In deze situatie zegt Jezus, zijn er drie mensen die in de gelegenheid zijn zich het lot van de man aan te trekken.
Drie mensen. Een priester, een leviet en een Samaritaan.
Hoe komen zij .in deze situatie? "Bij geval", zo staat er. Bij geval of door toeval staat met haaks op Gods voorzienigheid, maar wil hier zeggen: drie mensen kruisen ongewild, zonder vooropgezet doel, de weg van de man. Het gebeurt wel eens dat je in contact komt met iemand, die het op dat moment juist nodig had dat er iemand langs kwam. Dat is ook toevallig, zeggen wij dan. Maar achteraf kom je weleens tot de conclusie, dat het te danken was aan de leiding van de Here. De eerste die voorbij komt is een priester. Hij ziet de man liggen, maar loopt er in een grote boog omheen. Het is verleidelijk om naar een reden te zoeken. Waarom helpt de priester niet? Lag het niet in zijn lijn om te helpen?
Kan hij misschien als verontschuldiging aanvoeren dat hij zich niet mag verontreinigen? Hetzelfde geldt ook voor de leviet, die zich eveneens niet laat bewegen tot hulp. Maar is het nodig om een verklaring te roeken? Leidt dat juist niet af van het feit, dat ze de man hulpeloos laten liggen? Dan is toch elke verklaring een slag in de lucht!
De Samaritaan. Hij komt in de nabijheid van de man. Hij wijkt niet van zijn weg af.' En hem ziende werd hij met ontferming bewogen.
De priester en de leviet blijven het liefst zo ver mogelijk bij die in elkaar geslagen man vandaan. Hoe verder je er van af blijft, hoe makkelijker je jezelf voor het lijden kunt toesluiten. De Samaritaan gaat voor de nood van de man niet aan de kant. Hij wordt met ontferming bewogen. De verschrikkelijke toestand, waarin de man verkeert, snijdt hem door zijn ziel. En die innerlijke ontferming drijft hem aan tot barmhartigheid. D.w.z. hij gaat helpen.
En dat is een aardig trekje in het verhaal, de hulp van de Samaritaan wordt breed uitgemeten. Wat hij allemaal niet gedaan heeft!. Het is een gelijkenis, maar tegelijk IS het of de Here Jezus hier de hulpverlener eens royaal in het zonnetje wil zetten. Hulpverleners zijn kostbare mensen. Mensen met een hart in hun lijf.
Wanneer de Here zijn verhaal gedaan heeft, stelt Hij de wetgeleerde een vraag. Een verrassende vraag. Je zou verwachten dat Hij, voortbordurend op de vraag van de wetgeleerde, een vraag zou stellen, waarop het antwoord moet luiden: ,,.de naaste is de man die in handen van rovers gevallen is".
Maar nee. De vraag is: "wie van deze drie dunkt u, is de naaste geweest van de man, die in handen der rovers is gevallen?" Drie mensen waren er, die de mogelijkheid hadden om de man te helpen. Drie mensen, die zich de naaste hadden kunnen betonen. En wie is dat in dit geval geweest? De naaste? De naaste is hij, die de man barmhartigheid bewezen heeft!
Eigenlijk is de vraag: "wie is mijn naaste" een onjuiste vraag. Een verlammende vraag ook. Want als je de naaste moet gaan zoeken, zul je hem nooit vinden, Je moet de vraag maar eens omdraaien: Voor wie hen ik een naaste? H6e je dat wordt? Heel eenvoudig.
Door je oren en je ogen wijd open te zetten en je hart te laten spreken. Dan zie je mogelijkheden, waar je versteld van staat. Dan kom je in een heleboel situaties terecht, waarin een appèl gedaan wordt op je barmhartigheid, waarin je een naaste kunt zijn. Want de naaste is de man, de vrouw, die het hart laat spreken.