De Chr. Geref. Kerken en wij
1983-12-02
"Zouden alle problemen met de Nederl. Geref. Kerken niet komen doordat wij onze profetische roeping tot die kerk beperken?- Jaargang 27
- nummer 43
Dat was de vraag die Prof. w. van 't Spijker zichzelf en de synode stelde tijdens de behandeling van het rapport kerkelijke verhoudingen binnenland. De hoogleraar vroeg zich af of de Christ. Geref. Kerken zich niet meer tot heel orthodox-gereformeerd Nederland zouden moeten richten met de roeping tot eenwording. We kunnen dan op hoger niveau met elkaar praten en hebben geen tijd om elk verschilpuntje diepgaand te bekijken", aldus het verslag in het Ned. Dagblad.
Met de 'strekking van deze woorden kunnen wij van harte instemmen.
In de brief van onze landelijke vergadering aan genoemde synode is dan ook gezegd dat het bij ons niet op bezwaren stuit, wanneer men ook contact onderhoudt met de Geref. Kerken, vrijgemaakt. Graag zouden wij zelfs bij de besprekingen betrokken worden.
In mijn toespraak tot de synode heb ik die kerken uitdrukkelijk genoemd. Het is echter de vraag of een dergelijk lofwaardig streven ons op dit moment uit de impasse helpt.
Zijn er perspectieven in de richting van een kerkelijke vereniging van de orthodox-gereformeerden in ons land. Wanneer we om ergens te beginnen eens letten op geluiden uit de Gerei. Bond in de Hervormde Kerk, dan is duidelijk dat men er daar niet over peinst om te breken met de "Vaderlandse Kerk". Men voelt in deze kringen niets voor een afscheiding en wijst met een zeker recht op de verdeeldheid van kerken, die uit Afscheiding en Doleantie zijn voortgekomen. Zouden we ons allemaal voegen bij die vaderlandse kerk, dan zou de verdeeldheid van de kerken plaats maken voor een verdeeldheid in de éne kerk en zouden we voor het oog één zijn. Zouden we dan de eenheid gevonden hebben die Christus geboden heeft?
Letten we vervolgens op een andere belangrijke groep: de Geref. Kerken, vrijgemaakt.
Na de teleurstellende ervaringen op de synode van de Chr. Geref. Kerken is onder ons nog al eens de vraag gesteld of wij niet beter zouden doen contact te zoeken met deze kerken, die ons toch zeer nastaan. Zouden we het er niet over eens kunnen worden dat het uiteengaan in de zestiger jaren een diep te betreuren feit is en met elkaar overleggen of er een begaanbare weg terug is. Je hoort tegenwoordig uit deze kring stemmen, die doen vermoeden dat er iets aan het veranderen is.
Het lidmaatschap van de Evangelische Omroep wordt door vooraanstaande vrijgemaakten aanbevolen en men werkt mee aan de Evangelische Hogeschool.
Op het punt van samenwerking met andere gelovigen is niet ieder meer zo strak als voorheen.
Daar staat tegenover dat wanneer er pogingen tot toenadering en gesprek worden ondernomen je meestal vergeefs op de deur klopt. Vorig jaar kwam de Open Brief weer even in de publiciteit.
Bij die gelegenheid is wat achtergrondinformatie doorgegeven o.a. dat de ondertekening van deze brief voor de meesten een adhesiebetuiging was. De reactie hierop was uitermate teleurstellend. Het werd uitgelegd als een zoveelste poging om aan de verantwoordelijkheid te ontkomen.
Wanneer de situatie nog zo is, dat een poging om een opening te maken wordt uitgelegd als zwakheid, is de tijd nog niet rijp voor zinvolle gesprekken over een weg tot elkander.
Merkwaardig in dit verband is ook de reactie van de Hoofdredacteur van het Nederl. Dagblad op de bespreking ter christ. geref. synode. De schrijver had graag gezien dat de verhouding tot onze kerken wat meer principieel was beoordeeld en vraagt: "Tillen de Chr. Geref. Kerken minder zwaar aan bepaalde dwalingen of menen zij dat de Gerei. Kerken zaken verkeerd hebben beoordeeld."
Vermoedelijk heeft de schrijver op het oog, wat men in zijn kringen noemd "de leer" van Ds Telder, Ds Visee en Ds Oesterhof. Het ligt niet op mijn weg antwoord op deze vraag te geven; wel moet mij van 't hart dat de Chr. Geref. Kerken heel wat voorzichtiger handelen wanneer zich vragen voordoen die met de leer van de kerk te maken hebben. Leerzaam op dit punt is het boek: En toch niet verteerd, waarin de geschiedenis van deze kerken wordt beschreven.
De schrijver in het Nederl. Dagblad had dus graag gezien dat de Christ. Gereformeerden ons hadden aangesproken op wat genoemd wordt de dwalingen in onze kring.
De oude stellingen worden hier weer betrokken. Ik heb wel eens de indruk gekregen dat er onder Christ. Geref. broeders zijn, die als het er op aan komt liever met de vrijgemaakten dan met ons op weg zouden willen.
Zoals gezegd zal er van onze kant geen bezwaar zijn, wanneer er toenadering wordt gezocht, maar het is niet uitgesloten dat men dan in verwikkelingen geraakt, die overeenkomen met wat in de zestiger jaren zich heeft voltrokken.
In ons blad is indertijd geprotesteerd tegen de inhoud van een memorandum opgesteld door deputaten van de vrijgemaakte kerken ten behoeve van "die Gereformeerde Kerk" in Zuid Afrika.
In dit geschrift wordt niet alleen "voorlichting" gegeven over onze kerken, maar ook de Chr. Geref. Kerken krijgen daarin een beurt.
Aan deze kerken wordt niet slechts verweten dat er een samenwerking met onze kerken bestaat, maar er worden ook bezwaren ingebracht tegen publicaties en uitlatingen in Christ. Geref. kring. Het is daarom de vraag of het de Chr. Geref. Kerken in een contact met de Vrijgemaakten beter zal vergaan dan ons.
Om tot ons uitgangspunt terug te keren: Het zou prachtig zijn, wanneer op een breder niveau gesproken kon worden over kerkelijke hereniging van heel ortbodox-gereformeerd Nederland, want het is inderdaad een benauwde zaak om steeds -weer over dezelfde bezwaren te spreken, terwijl de echte oecumenische vragen niet aan de orde komen.
Met prof. Van 't Spijker zouden we zo'n gesprek toejuichen.
Zien we echter de werkelijkheid binnen de Gerei. Gezindte onder het oog dan blijft dit voorlopig een vrome wens.
Mogelijk zou het een stimulans kunnen zijn, wanneer de Christ. Geref. en de Neder!. Geref. kerken, waarin men toch "eenzelfde dierbaar geloof" deelachtig is, een begin maken om uit de verdeeldheid te geraken. Nu het perspectief dat onze landelijke vergadering voor ogen stond voorlopig geen werkelijkheid wordt, zullen onze deputaten en de kerkelijke vergaderingen zich nader hebben te beraden.
Intussen blijven we een kleine gemeenschap temidden van andere, grotere kerken van gereformeerd belijden. Het is geen benijdenswaardige positie die we innemen.
Het lukt maar niet om te verenigen of te herenigen. Laten we hopen dat onze gemeenschap tegen dit isolement is opgewassen. We hebben onze verplichtingen ten aanzien van de gezamenlijke zendingsarbeid en voor het onderhoud van emeriti-predikanten, predikantsweduwen en wezen. Er zou meer zijn te noemen, maar dit is wel voldoende om een ieder te doen beseffen hoezeer het er op aan komt dat we trouw zijn in het naleven van wat we elkander hebben beloofd: de onderwerping aan de Schrift, de handhaving van ons gereformeerd belijden en het onderhouden van de regels voor kerkelijk samenleven.
Laat ons intussen volhardend blijven zoeken naar wegen waarop we de eenheid met onze Christ. gereformeerde en andere broeders en zusters onder Gods zegen zouden mogen vinden. Het zij in de gebeden aanbevolen.