Is deze vertaling betrouwbaar?

1983-12-02
  • Jaargang 27
  • nummer 43
Wie een beetje thuis is in de bijbel) zal bij het gebruik van de GNB vaak de vraag voelen opkomen: kan ik deze vertaling wel vertrouwen? Die vraag is in het geheel niet verwonderlijk. Want al spreekt de vertaling in het algemeen wel aan, en al is zij eenvoudig en daardoor gemakkelijk te begrijpen toch is zij zo verschillend van de bijbel zoals we die kennen dat zij ons toch meermalen vreemd aandoet. We krijgen het gevoel dat we er iets mee kwijtraken. Is die bezorgdheid terecht? Het antwoord kan met zonder meer ja of neen zijn. Daarvoor is de vraag te algemeen en te complex.

Allereerst moeten we vaststellen dat de vertaling beslist nog niet haar definitieve vorm heeft bereikt (zie artikel 3, 26 aug. '83). De veranderingen in drie opeenvolgende edities van het Nieuwe Testament (1972, 1977, 1983) wettigen de veronderstelling dat ook de thans voor het eerst verschenen weergave van het Oude Testament nog wel voor verbetering vatbaar zal blijken. Immers, zelfs na de reeds aangebrachte wijzigingen en ook na een nauwere aansluiting bij de oorspronkelijke tekst wat het N.T. betreft, blijft er, zoals we zagen, nog heel wat ruimte voor kritische opmerkingen. Je zou kunnen zeggen: we zijn dankbaar dat er de vertalers kennelijk alles aan gelegen is de bijbel naar hun beste weten zo goed mogelijk 'in omgangstaal' weer te geven, maar we zijn met voldaan. In zoverre is deze vertaling (nog) niet betrouwbaar.
Maar, zult u zeggen, wanneer zal dit wel het geval zijn? En wie zal dat uitmaken? U hebt gelijk: een vertaling bevredigt nooit ten volle.
En zeker niet alle mensen. Misschien wel het minst degenen die haar tot stand brachten. Die beseffen terdege, reeds tijdens het vertaalwerk, welk een afstand er blijft tussen de vertaling en het oorspronkelijk, hoeveel elementen en nuanceringen niet tot hun recht komen.
Vandaar hun voortdurende aandacht en toewijding tot verbetering van hun eigen werk. In dat opzicht is er geen reden tot bezorgdheid.

"Wacht maar!"
Grondige talenkennis, gepaard met toewijding voor het werk en aandacht voor "de toon van de taal en de 'kleur van de woorden" (zie vorig artikel), blijkt echter nog geen waarborg voor een betrouwbare weergave. Wie vertaalt, geeft onwillekeurig een beetje uitleg van wat hij vertaalt. En wie zich ten doel stelt, zoals de vertalers van de GNB, "dat de vertaalde tekst zo veel mogelijk dezelfde indruk maakt...als de oorspronkelijke tekst", ontkomt er niet aan in zijn weergave al gauw blijk te geven van de indruk die de tekst op hèm maakt. En dan gaat het eigen gevoelen van de vertaler een overheersende rol spelen. Dan komt de vraag naar de betrouwbaarheid van de vertaler aan de orde. Enkele voorbeelden zullen dat duidelijk maken.
Bij het lezen van Mattheüs 23 wordt ieder diep geroerd door de indringende wijze waarop Jezus de farizeeën en schriftgeleerden waarschuwt voor het komende oordeel.
Zeven keer spreekt Jezus het .,wee u" over hen uit. Daarin klinkt allereerst het verschrikkelijke van het lot dat hun te wachten staat, door.
Maar daarnaast heb ik in dit zevenvoudige "wee u" altijd ook gehoord de bewogenheid van onze Heiland over hen die naar zulk een lot op weg zijn. Hij waarschuwt hen en roept hen nog op hun levenshouding grondig te veranderen. In de GNB wordt dit "wee u" vrijwel steeds vervangen door "wacht maar!": "Wacht maar, Chorazin, wacht maar, Betsaïda!" (Mt. 11 : 21); "Wacht maar, schriftgeleerden en Farizeeërs!", "Wacht maar, blinde leiders!" (Mt. 23). Wekt die uitdrukking niet veeleer de indruk dat de spreker met een zeker verlangen uitziet naar het ogenblik waarop het oordeel zal losbarsten? In de zin van: Wacht maar, ik krijg Je nog wel! Of: Wacht maar mijn tijd komt nog! ' Nu is het opvallende, dat dit wee u" op een enkele uitzondering" na door Jézus wordt uitgesproken, En in zijn mond past een "wacht maar" niet, als daarin de zo juist omschreven gevoelswaarde meeklinkt. Als handhaving van de vertaling "wee u" wat bezwaarlijk lijkt, zou "wees gewaarschuwd" overweging verdienen.
Trouwens, als degenen over wie het "wee" wordt uitgesproken niet rechtstreeks worden áángesproken, dan vinden we in de GNB naast handhaving van "wee" ook: "Ongelukkig de wereld": "Ongelukkig de vrouwen... en ongelukkig de moeders..." Mt. 18 : 7; 24 : 19. En de uitroep van Paulus: "Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig" wordt in de GNB goed weergegeven met "Ik zou er ongelukkig aan toe zijn..." (1 Kor. 9 : 16). Maar hoe nauw het luistert bij de weergave, wordt ons wel duidelijk, als we er naast leggen de anders vaak zo treffende vertaling van Anne de Vries: "Ik zou me ellendig voelen als ik niet ... " In het oorspronkelijk staat hier nl.: "Er is wee voor mij".
Bij zo'n constatering word je zelf natuurlijk ook mild in je kritiek.

....dan neem je je vredewens terug"
Ernstiger wordt mijn bezwaar, wanneer de GNB in zijn vertaling met slechts (naar mijn oordeel) mistast in de gevoelswaarde van een uitdrukking, maar geheel onnodig afwijkt van het oorspronkelijk. Dit gebeurt b.v. in Luc. 10 : 5, 6, waar Jezus tot de 72 bij de uitzending volgens de GNB zegt: "Wanneer je ergens binnengaat, moet het eerste zijn wat je zegt: We wensen dit huis vrede toe.
Woont er iemand die de vrede is toegedaan, dan blijft je vredewens voor hem gelden; zo niet dan neem je je vredewens terug". In het oorspronkelijk wordt niet gesproken over 'terugnemen'. Er staat heel gewoon: "dan zal (de vrede) tot u terugkeren". Iedere Nederlander zal dan wel begrijpen, dat de toegewenste vrede als het ware is afgestuit op de persoon aan wie hij was toegewenst. En dat zal hij des te gemakkelijker begrijpen, als ook in het begin van de zin meer letterlijk, maar in goed Nederlands wordt vertaald: "dan zal uw vrede op hem rusten". Dan vindt de vrede daar om zo te zeggen een plekje, waar hij zich kan nestelen. Vindt hij die niet, dan zal hij "terugkeren" tot hem die de vrede toewenste. Dus zonder dat deze zelf iets doet, iets "terugneemt".

"Satan heeft toestemming gekregen"
De gevolgen van deze methode van tekstbewerking - van vertalen kan men daarbij moeilijk meer spreken - zijn op een andere plaats ingrijpender.
Lucas 22 : 31, 32 luidt in de GNB: "Simon, Simon! Satan heeft toestemming gekregen om jullie als koren in een zeef te schudden. Maar ik heb gebeden dat je niet in je geloof te kort schiet. En als je eenmaal tot inkeer bent gekomen, spreek je vrienden dan moed in."
De Willibrordvertaling, die enkele elementen hier scherper tot uitdrukking brengt dan b.v. de Nieuwe Vertaling (951), biedt: "Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken.
Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op uw beurt uw broeders."
Uit deze laatste vertaling wordt duidelijk, wat de Heiland met zijn waarschuwing aan de discipelen bedoelt. De satan heeft alles op alles gezet om, zo mogelijk, de discipelen af te trekken van hun Meester en Heer. Hij heeft "geëist", wat juister is dan 'zeer begeerd' (SV) of 'verlangd' (NV), hen allen te ziften. Hij heeft zijn eis gesteld, zijn 'vordering ingediend' bij God. Daarin ligt wel aangeduid, dat in de rechtsstrijd tussen God en satan zulk een vordering niet zonder meer kon worden afgewezen. Wie denkt hierbij niet aan de geschiedenis van Job?
Maar in de waarschuwing van Jezus wordt niet gewezen op de tóéstemming die aan satan is verleend, maar op de verbeten jácht van satan op Jezus' discipelen. Tegenover die bedreiging voor àllen ("jullie", vert. GNB), heeft Jezus gebéden, in het bijzonder voor Petrus ("je geloof"). In die tegenoverstelling wordt hier de strijd getekend tussen Jezus en satan: satan heeft zijn eis gesteld, maar Jezus heeft gebeden. En aan de uitslag van die strijd behoeft Petrus niet te twijfelen: "En als je eenmaal tot inkeer bent gekomen...". Petrus, het staat vast, dat je Heiland je vasthoudt en bewaart!
Wie echter over de weergave in de GNB gaat nadenken, komt er niet uit. We lezen wel een tegenstelling: "Maar ik heb gebeden...". Die tegenstelling geldt echter in déze vertaling de "gekregen toestemming". Alsof Jezus de "toestemming" wil aanvechten! Integendeel, Hij betwist rechtstreeks de "eis" van satan de discipelen in zijn zeef heen en weer te slingeren.
Zo waarschuwt Hij Petrus en al de discipelen voor de hen bedreigende greep van satan. En Hij bemoedigt hen tevens: Zoals Hij in zijn Messiaans gebed zegt (Joh. 17: 12, N.v.) "Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs".

"de man die al verloren was"
In dezelfde nacht vindt er een andere confrontatie plaats tussen Jezus en satan. Toen Judas het stuk brood uit Jezus' hand had aangenomen, "toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij wilt doen, doe het met spoed... Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond… Toen hij dan heengegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt" (Joh. 13 : 27; 30, 31 N.Y.). Toen voer de satan in Judas. Deze is dus in de greep van satan. En Jezus zegt: "Wat gij wilt doen, doe het met spoed". De situatie van Judas is dus geheel anders dan die van Petrus. Jezus' houding is ook een andere. En in zijn gebed spreekt Hij over Judas als "de zoon des verderfs" (Joh. 17 : 12).
Dat is een Semitische uitdrukking, die in de bijbel verschillende malen wordt aangetroffen: "zonen der ongehoorzaamheid" (Ef. 2 : 2); "kinderen des lichts" (Ef. 5 : 8; 1 Thess. 5: 5), enz. Deze zegswijze bedoelt dan aan te geven, dat iemand geheel door een of andere eigenschap wordt beheerst en bepaald. Die eigenschap zit hem, om zo te zeggen, in het bloed. Een duidelijk voorbeeld daarvan hadden we ook hierboven in "zoon des vredes" (Luc, 10: 6), door de GNB weergegeven met "iemand die de vrede is toegedaan".
Daarnaast kan deze zegswijze ook uitdrukken, dat iemand iets (bijv. straf of veroordeling) waardig is of verdiend heeft: Ef. 2: 3 "kinderen des toorns"; Mt. 23: 15 "kind der heI". De GNB vertaalt dan: "het voorwerp van Gods toorn" en "gij maakt hem rijp voor de hel", een heel geschikte vertaling!
Maar in Joh. 17: 12 acht ik de weergave verwerpelijk en gevaarlijk: "Iik heb over hen gewaakt en niet één van hen is verloren gegaan behalve de man die al verloren was, omdat de Schrift moest worden vervuld". Dit kàn immers naar mijn mening niet anders worden verstaan dan zó, dat Jezus aan het waken over hem niet eens toekwam, omdat "de man al verloren was". En in verband met de volgende woorden: "omdat de Schrift moest worden vervuld", worden de gedachten van de lezer dan gemakkelijk in de richting van een soort noodlot geleid: Judas was allang tevoren voor het verderf bestemd.
Nu staat er letterlijk: "opdat de Schrift vervuld zou worden". En Jezus zelf onderscheidt tegenover Judas duidelijk tussen: "Wel gaat de Zoon des mensen heen, gelijk van Hem geschreven staat' en de verantwoordelijkheid van de verrader "doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt" (Mt. 26: 24, N.V.). Ook lijkt het waarschijnlijker dat de woorden "opdat de Schrift vervuld zou worden" duiden op wat Jezus ondervindt door het verraad van Judas (Ps. 41 : 10) dan op het lot van Judas. Jezus gaat heen "gelijk van Hem geschreven staat".
In 2 Thess. 2 : 3 lezen we van de antichrist: "Eerst moet... de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs"'(N.V.), wat de GNB weergeeft met: "Eerst moet... de mens verschijnen die de wetteloosheid in persoon is (een treffende vertaling, M.) en tot de ondergang is gedoemd". Dit laatste kan juist bedoeld zijn, als het betekent: die de ondergang heeft verdiend. Zo zou ik in Joh. 17: 12 willen vertalen: "behalve de man die de ondergang verdiend had", zoals in Deut. 25: 2 "de zoon van het slaan" wordt vertaald met "slagen verdiend heeft" (St.V. en N.Y.) of: "tot stokslagen veroordeeld wordt" (GNB).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief