"Op Uw zaligheid wacht ik, Here"
1983-12-09
De meesten van U zullen de titel van mijn toespraak wel hebben thuis gebracht. "Op Uw zaligheid wacht ik, Here" - het zijn de woorden die vader Jakob op zijn sterfbed sprak, toen hij bezig was zijn zonen één voor één te zegenen.- Jaargang 27
- nummer 44
Middenin die zegenspreuken last hij dan dit adventswoord in. Als U het naleest in dat grootse bijbelhoofdstuk, Genesis 49, dan doet U een eigenaardige ontdekking. Zijn dit eigenlijk wel zegeningen die de aartsvader uitspreekt? Zeker, sommige wel, maar andere niet.
Er zijn zelfs vloekwoorden onder. Over de zonen Simeon en Levi bijvoorbeeld: "vervloekt is hun toorn, want dit is hevig en hun grimmigheid, want die is hard."
En zo is er meer. Verwijten worden gedaan, er wordt gespot, ironische toespelingen worden gemaakt.
Het is bijna onmogelijk je voor te stellen dat op deze wijze een vader afscheid neemt van zijn kinderen. Totdat je je realiseert dat hier de Geest heerst over het vlees en dat niet zozeer een vader spreekt tot zijn kinderen als wel een profeet tot zijn toekomstig volk.
"Komt bijeen, opdat ik U bekend make wat U in de toekomende dagen wedervaren zal", luidt het aan het begin. Jakob heeft woorden moeten spreken die hem als vader ten hoogste verheugd, maar ook ten diepste pijn gedaan zullen hebben.
Toch spreekt de bijbel van 'de zegen van Jakob', alsof er in dit bekende hoofdstuk alleen maar licht schijnt zonder schaduw, Hoe kan dat? Als een profeet vandaag zich tot de ganse oecumene der kerken ZlOU richten (zoals vader Jakob de oecumene van de twaalf stammen van Israël voor ogen had) dan zou hij, als hij eerlijk was, ook moeten prijzen en laken, moeten zegenen en vervloeken. Hoe kan dan toch zijn gehele boodschap als zegen getypeerd worden? En trouwens ook de bijbel zelf, die evenzeer die beide kanten kent van zegen en vloek, hoe kan hij als geheel niettemin de naam van 'evangelie' dragen, 'blijde boodschap'?
Dat kan omdat de vloek de zegen dient. Er is in de bijbel geen evenwicht tussen die twee, zodat het bij de Here God om zo te zeggen kan vriezen en dooien en Hij een soort kruis-of-munt-spel met ons speelt. Nee, met ál zijn woorden, Lovend of afkeurend, prijzend of bestraffend, zegenend of vervloekend, duwt de Here God ons één kant op en dat is de kant van zijn heit U weet wellicht dat in de zegen van Jakob het woord over Juda het hoogtepunt vormt. "Juda, gij zijt het; U zullen uw broeders loven... De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt en hem zullen de volken gehoorzaam zijn". Een klinkklare adventstekst, die de komst aankondigt van de Zaligmaker. Als je deze woorden leest, dan denk je: wat een prachtig moment voor vader Jakob om hier die verzuchting te slaken: op uw zaligheid wacht ik, Here. Maar nee, de aartsvader heeft dit woord in het midden van zijn toespraak geplaatst, toen hij op de helft was van de spreuken over zijn twaalf zonen.
En zo heeft hij met dit verwachtingswoord ze alle twaalf omarmd en ze aan de voeten van de vorst uit Juda's stam neergezet. Hij heeft gezegd: ik en jullie allemaal, - wij moeten het van Hem hebben, wij moeten zijn heil verwachten. Wie ik ook ben, want ook mijn leven kent schaduwplekken, en wie jullie ook zijn, lievelingen en schavuiten, wij moeten samen naar dat midden toe, naar die Ene, van God gegevene, aan wie zelfs de volken onderdanig zullen wezen.
En toen is er dit gebeurd in Israëls geschiedenis dat er, de tijden door, uit al die stammen gekomen zijn die zich hielden aan de komende Zoon uit Juda. Velen hebben dat gedaan, niet allen. 'Op Uw zaligheid wacht ik, Here" had vader Jakob gezegd en het was een parool, en wachtwoord voor allen. De boodschap zat er in: volg mij in deze verwachting! Maar nog eens: velen, niet aIIen hebben dat gedaan.
Dit woord is als een zwaard door de ziel van heel het volk gegaan.
Het was tot een val en een opstanding van velen in Israël, zoals dat steeds gaat met het Woord van God: de ene is het een levensgeur ten leven, de andere een doodslucht ten dode. Zo waren er - stel ik mij voor Rubenieten, die later die woorden van vader Jakob hoorden en zeiden: Wat? Heeft hij zo'n smet op onze stam gegooid en ons voorgoed opgescheept met het brandmerk der schande? Mogen wij vanwege een misstap van onze stamvader de eerstgeborenen niet zijn in het midden van Israël? Wij nemen dat niet! En geestelijk namen zij afscheid van het volk dat wachtte op Gods heil.
Maar er waren er ook uit diezelfde stam die een andere houding aan ..
namen. "Wij buigen ons onder dit oordeel", zeiden ze en daarmee verdiepten zij hun heilsverwachting en schoven zij geestelijk op in de richting van de Messias van Israël.
J a, zegt u, maar nu noemt u er ook ééntje: Ruben, die het huwelijk van zijn vader aantastte. Hoe zat dat met de anderen? Er waren toch ook lieve jongens bij? En die konden toch zeker recht doorlopen? Die hoefden toch niet onder zo'n juk door? Ach, ik denk dat het in het leven erg moeilijk is om met je fouten, maar ook om met je bevoorrechting goed om te gaan.
Neem nou Jozef die in de zegen van Jakob met het goede overladen wordt en dat is niet vreemd als je aan de 1"01 van deze zoon in Egypte denkt. Maar als je dan eens nagaat wat voor een hautaine rakkers de zonen van Jozef ingeschiedenis van Israël vaak geweest zijn, Efraïm en Manasse, wel, dan moet je zeggen dat er zich ook door die stammen heen een schifting heeft moeten voltrekken en dat het ook bij hen slechts een overschot is geweest dat zich bij de heilsverwachting van de aartsvader aansloot. En hetzelfde is te zeggen van Juda. Velen van die stam is de wijn van de Messiasbelofte naar het hoofd gestegen. Ze hebben er onder hun broeders de tiran mee uitgehangen.
Nee, héél Israël, álle twaalf stammen, zij hebben zichzelf moeten verloochenen om Jakob in zijn adventsverwachting te volgen.
En dat geldt voor de kerk van alle tijden en plaatsen. De deur van de geboortekerk in Bethlehem is expres erg laag gehouden. Om uit te beelden dat wie het heil des Heren verwachten en daartoe de Christus aanbidden, door de knieën moeten. Bozen en goeden gelijkelijk Boos en goed, die woorden krijgen in de ontmoeting met Christus een andere betekenis. Boos is wie tegen Christus' heil nee zegt en in z'n oude hoogmoed, fatsoenlijk of onfatsoenlijk, verder wil leven, en goed is wie bij zijn eigen deugden en ondeugden vandaan loopt en met vader Jakob zegt: op Uw zaligheid wacht ik, Here.
Toespraak voor de Alle dag-kerk op 30 november j.l.