Verscheidenheid: Ja! Pluraliteit: Nee!
1983-12-09
In de maand oktober publiceerde ds W. G. Rietkerk een drietal artikelen) waarin hij een lans brak voor een plurale ontwikkeling van de kerk. In onze kerken moeten wij niet krampachtig streven naar eenvormigheid) maar bewust kiezen voor pluraliteit.- Jaargang 27
- nummer 44
Deze pluraliteit - hoewel op zichzelf niet zonder gevaren - is een voorwaarde om de 20e eeuwse mens een 20e eeuwse mens te worden. Dit pleidooi voor een plurale kerk heeft bij mij het één en ander losgemaakt. Het resultaat van mijn overwegingen leg ik u hierbij voor. Deze week ga ik in op de eerste twee artikelen van ds Rietkerk. Een volgende week hoop ik te reageren op het slotartikel.
Plural'isme
Dat wij in een pluralistische maatschappij leven, ervaren we de laatste tijd aan den lijve. Allerlei groepen in de samenleving vechten om hun eigen belangen. Tussen al die groepen bestaat een zeker machtsevenwicht. Maar omdat de belangen nogal eens tegengesteld blijken te zijn, is dat evenwicht heel snel verstoord. Met alle gevolgen van dien. Een pluralistische samenleving wordt niet beheerst door de klassenstrijd, maar door de botsing van groepsbelangen, Het waardevolle van de artikelen van ds Rietkerk ligt voor mij hierin, dat hij op een indringende wijze de vraag in het midden van onze kerken legt: hoe moeten wij in onze samenleving, die in 1000 eilandjes uiteen is gevallen, kerk van Jezus Christus zijn?
Pluraliteit
Gezien de slotsom waartoe hij aan het einde van de eerste twee artikelen komt, is het ds Rietkerk in heel zijn betoog hierom begonnen, dat wij het ene geloof, dat wij samen met heel ons voorgeslacht belijden, helder verwoorden zullen met het oog op onze tijd. Zijn pleidooi voor een plurale kerk wil aan dat doel dienstbaar zijn. De kerk moet de mensen van de 20e eeuw dáár opzoeken waar ze werkelijk zijn, om hen zo met het Evangelie te bereiken. "Een kerk die zich vastlegt op één sociale laag of die alleen present is in een bepaalde sektor van de samenleving mist haar roeping om Christus te verkondigen en te vertegenwoordigen in alle sektoren van de samenleving" .
Ds Rietkerk blijft echter bij de verscheidenheid binnen de plaatselijke gemeente niet staan, maar voert het pleit voor ruimte voor verschillen tussen de gemeenten onderling.
"...geen enkele kerk heeft de volle waarheid in pacht, in geen enkele plaatselijke gemeente vinden wij alle kleuren van het heil, maar in de veelkleurigheid van gemeenschappen en plaatselijke kerken, waar ieder de leiding van Gods Geest volgt, komen hiér andere Geestesgaven naar voren dan dáár, beluister je in deze gemeente weer iets wat je ginds niet hoort en komen naast de ambten ook de gaven beter tot hun recht". Aldus omschrijft ds Rietkerk de door hem.
voorgestane pluraliteit. Juist die pluraliteit moet de kerk vandaag de kans bieden om de 20e eeuwse mens een 20e eeuwse mens te worden. Voor mij ligt hier de kernvraag: is het werkelijk onze roeping om als een plurale kerk de pluralistische samenleving van onze tijd tegemoet te treden?
De feiten
Het is opmerkelijk dat ds Rietkerk bij zijn pleidooi voor een plurale kerk zijn uitgangspunt neemt in de geschiedenis. Hij begint namelijk met de constatering "dat de vorm en structuur van de kerk altijd nauw samenhangt met de vormen en structuren van de samenleving".
Is dit echter wel een constatering in de zin van een vaststelling van feiten?
We geven onmiddellijk toe, dat de kerk zich in de loop van de geschiedenis maar al te vaak heeft aangepast aan de heersende maatschappelijke structuur. Maar gelukkig is het ook wel eens anders geweest. De bestuursvorm die in 1816 aan de Hervormde Kerk werd opgelegd, paste uitstekend in het staatsbestel van die dagen.
Toch hebben onze vaderen er zich hartstochtelijk tegen verzet, omdat deze bestuursvorm een sta in de weg bleek te zijn voor een kerkelijk leven in gehoorzaamheid aan Christus.
Juist omdat we uit de geschiedenis weten, dat de structuur van de kerk zomaar overeenkomst gaat vertonen met die van de samenleving, zullen we temeer bedacht moeten zijn op het gevaar dat de samenleving ons een structuur opdringt, die aan de kerk zelf wezensvreemd is.
Ds Rietkerk bagatelliseert dat gevaar. Het is nu eenmaal een historisch gegeven dat de kerkelijke structuur een nauwe samenhang vertoont met die van de samenleving.
"A;Is het eigene van de gemeente van Christus en haar uniekheid maar genoeg benadrukt wordt is dat niet erg, misschien zelfs voor de hand liggend of soms onvermijdelijk".
Deze laconieke omgang met de feiten wreekt zich m.i. in een wel heel argeloos en onzorgvuldig gebruik van het woord 'pluraal'. Nu eens wordt het gebruikt in de zin van 'veelkleurig', 'een zekere verscheidenheid bevattende'; dan weer krijg je de indruk dat er 'pluriform' mee wordt bedoeld. En dat, terwijl het woord letterlijk 'meervoudig"
betekent. Daar komt nog bij, dat dit woord in het hedendaagse spraakgebruik zijn lading ontleent aan de sociologie. Sociologen gebruiken het - ds Rietkerk geeft dat zelf ook ergens aan om er een bepaalde maatschappijvorm mee te karakteriseren. Volgens een gangbare definitie is een plurale samenleving een samenleving welke twee of meer groepen herbergt, die qua ras en cultuur sterk verschillen en een eigen leven leiden (!), maar niettemin economisch en politiek één maatschappij vormen. Als het begrip 'pluraliteit' door het gebruik zó gestempeld is, doen we er m.i. verstandig aan om het niet te gebruiken met het oog op de kerk.
Het Nieuwe Testament
Na een oriëntatie aan de hand van de feiten volgt de bezinning op het Nieuwe Testament. De conclusie van ds Rietkerk luidt: "Wij zien in het N.T. hoe de kerk naar haar wezen pluraal is. De pluraliteit die ds Rietkerk hier op het oog heeft gaat verder dan een zekere mate van verscheidenheid. "Al direct van de aanvang af blijkt er in de N.T.-ische gemeenten 'een enorme ruimte voor onderlinge verschillen". Ds Rietkerk licht deze uitspraak toe, door o.a. te wijzen op de verschillen tussen de joodse christenen en de heiden-christenen.
Nu is hei verschil tussen joods-christelijke en heiden-christelijke gemeenten vanuit het Nieuwe Testament inderdaad gemakkelijk aan te tonen. Maar de kerk van vandaag zijn die verschillen op geen enkele wijze normatief!
Historisch gezien mogen we zeggen dat een ontwikkeling in plurale richting voor de jonge kerk een reëel gevaar is geweest: joods-christelijke en heiden-christelijke gemeenten die, binnen een formeel kerkverband. een geheel eigen leven leidden. Als overgangsmaatregel is een enigszins gescheiden optrekken van christenen met een joodse en met een heidense achtergrond ook wel getolereerd, maar dan uitsluitend als fase in de groei naar eenheid. Niet de feiten die van dit moeizame proces getuigen zijn voor ons normatief, maar de opdracht om bij alle verscheidenheid één te zijn (vgl. Ef. 2: 11-22). Het is een eenheid die gefundeerd ligt in Jezus Christus en in het Woord. Maar die eenheid is wel degelijk bestemd om in de gemeenten ieder voor zich en in hun onderling verkeer concreet gestalte aan te nemen.
Het Nieuwe Testament laat op openhartige wijze zien, dat de groei naar eenheid tussen joden en heidenen in de kerk met heel wat storingen gepaard is gegaan. Dat mag ons best wat ontspannen maken in het omgaan met de verschillen van inzicht die er in de kerken kunnen bestaan. We mogen er echter geen excuus aan ontlenen, om daarmee' werkelijke verschillen te legitimeren. De gemeenten, waarmee we in het Nieuwe Testament te maken hebben, kennen zeer zeker een bepaalde mate van verscheidenheid. Elke gemeente heeft een andere ontstaansgeschiedenis; de ene gemeente leeft onder andere omstandigheden dan de andere. Niettemin is de kerk naar haar wezen één, niet pluraal.
"Voor allen alles..."
Tenslotte kom ik terug op de vraag die ds Rietkerk in ons midden legt: hoe moeten wij in een pluralistische samenleving kerk van Jezus Christus zijn? Het lijkt me een uitstekende gedachte om op deze vraag een antwoord te zoeken aan de hand van 1 Kor. 9: 19-23 zoals ds Rietkerk dat zelf aangeeft. Paulus verklaart daar, dat hij de jood een jood is geworden om joden te winnen, en dat hij de heiden een heiden is geworden om heidenen te winnen.
Willen wij de mens van de 20e eeuw winnen voor het Evangelie, dan zullen we a.h.w. in zijn huid moeten kruipen. Dat betekent niet dat we het Evangelie voor de tegenwoordige mens acceptabel moeten maken. Door de jood een jood en de Griek een Griek te worden heeft iemand als Paulus ervaren dat het kruis voor de jood een ergernis en voor de Griek een dwaasheid was, heeft hij gepeild waar de weerstand tegen het Evangelie wezenlijk was.
Wat in dit verband echter van groot belang is, is dat we zien dat het hier gaat om de éne Paulus, die zowel op het joodse als op het Griekse front strijdt: "Voor allen ben ik alles geweest om in elk geval enkelen te redden" (1 Kor. 9: 22). Is dàt ook niet de opdracht voor de gemeente vandaag. Dat elke gemeente probeert om zoveel mogelijk 'voor allen alles' te zijn? Dat iedere gemeente zich zoveel mogelijk richt op àlle sectoren van de samenleving?
Ik geef toe dat je nooit helemaal ontkomt aan een zekere taakverdeling tussen de gemeente onderling. Maar moeten we dat als ideaal propageren? Een kerk in een universiteitsstad zal extra aandacht moeten besteden aan studenten, maar zal m.i. geen studentengemeente moeten worden. Zelf ben ik tenminste blij, dat ik tijdens mijn studie in Utrecht lid was van een 'gewone' gemeente, waar je als student samen met zakenlui, middenstanders, huismoeders, ambtenaren en noem maar op, kèrk mocht zijn. De door God geschapen verscheidenheid in de samenleving is in onze tijd vergroeid tot pluralisme.
Ik ben van mening dat een kerk, die kiest voor pluraliteit, zich het schema laat opdrukken van de maatschappij waar ze in leeft. Een plurale kerk geeft geen antwoord op het pluralisme, maar vertoont er de afspiegeling van. Een antwoord geven we alleen, wanneer wij ons, zonder de verscheidenheid plat te slaan, met alle macht er voor inzetten om elkaar in liefde te verdragen en zo de eenheid van de Geest te bewaren (Ef. 4 : 2).