Bezinning op de ambten (diensten - 2)
1983-12-09
Twee soorten ouderlingen?- Jaargang 27
- nummer 44
Het onderscheid in bevoegdheden tussen predikanten en ouderlingen wordt in de gereformeerde traditie gebaseerd op 1 Tim. 5 : 17, waar Paulus schrijft dat de ouderlingen die goede leiding geven, dubbel eerbewijs toekomt, vooral hun die arbeiden in prediking en onderricht. Door de klemtoon op "prediking en onderricht" te leggen leest men in deze tekst, dat Paulus onderscheid maakt tussen ouderlingen die niet prediken en geen onderricht geven en ouderlingen die dat wel doen. De eerste soort ouderlingen is men "regeerouderlingen" gaan noemen, waarmee men dan de huidige ouderlingen bedoelt. De tweede soort ouderlingen typeerde men als "leerouderlingen". Zij zijn de huidige predikanten. Op die manier meende men het onderscheid in bevoegdheden tussen predikanten en ouderlingen bijbels gefundeerd te hebben. Prof. dr C. Trimp, die overigens geen principiële scheiding tussen predikant en ouderling wil aanvaarden, meent "dat een predikant een bredere, meer uitgebreide taak heeft dan een ouderling. Hij is ouderling met een aantal speciale taken; hij moet immers niet alleen arbeiden in de regering der kerk, in zielszorg en huisbezoek ... maar bovendien zijn werk maken van het leren. Hij arbeidt tegelijk "in het Woord" en is daarom "belast met prediking en onderricht" (1 Tim. 5 : 17). En dááraan hangt, naar oerreformatorische overtuiging, de bediening der sacramenten" (a.w. pag. 36).
Dat de bediening van de "sacramenten" hangt aan de ambtelijke prediking mag dan een oerreformatorische overtuiging zijn, we menen duidelijk gemaakt te hebben dat het Nieuwe Testament deze exclusieve binding niet kent.
We kunnen het dan ook niet eens zijn met de traditionele interpretatie van 1 Tim. 5: 17. We zijn van mening dat ze niet gesteund wordt door de rest van het Nieuwe Testament, maar beïnvloed is door de reeds gesignaleerde restanten van een klerikaal denken. Doordat men zich daarvan niet helemaal kon losmaken, zocht men in het Nieuwe Testament naar Schriftplaatsen die deze visie steunden. Zo kwam men vanuit deze visie tot de boven weergegeven interpretatie van 1 Tim. 5: 17. De doorlopende tendens van het Nieuwe Testament had duidelijk kunnen maken, dat deze interpretatie niet juist kon zijn.
Prof. Trimp moet toegeven, dat er inderdaad wel een "klerikaal trekje" te vinden is in de gereformeerde kerkelijke orde (a.w. p. 33) en dat een "ambtsmagisch" denken over het predikantenambt niet geheel zonder invloed gebleven is. Daarom pleit hij ervoor, dat ook ouderlingen de bevoegdheid krijgen ambtsdragers en huwelijken te bevestigen, openbare belijdenis af te nemen en de zegengroet uit te spreken (a.w. p. 39). Ondanks deze correctie op het traditionele patroon laat hij toch de nieuwtestamentische gegevens niet voldoende tot hun recht komen en blijft ook hij nog steken in resten van klerikaal denken.
Handelingen 2
Het Nieuwe Testament geeft ons een ander beeld. Zo komen we er nergens tegen, dat de prediking het privilege is van één bepaalde groep ambtsdragers. De evangelieverkondiging wordt zelfs niet aan ambtsdragers in het algemeen voorbehouden. Als de Heilige Geest wordt uitgestort op de Pinksterdag, is de hele gemeente die toen uit ongeveer 120 personen bestond (Hand. 1 : 15), bijeen (Hand. 2: 1). De Heilige Geest werd uitgestort op ieder van hen (2 : 3, 4). En ze beginnen allemaal in verschillende talen de grote daden van God door te geven, zodat alle aanwezige toehoorders in hun eigen taal horen wat er gezegd wordt (2 : 4, 6, 8, 11). Niet alleen de apostelen doen dat, maar alle 120 aanwezigen, vrouwen incluis (vgl. 1 : 14). En als Petrus zijn bekende toespraak houdt, wordt voor zijn spreken in vs. 14 precies hetzelfde woord gebruikt als voor het spreken van alle anderen in vs. 4. Er bestaat dus geen enkel onderscheid in karakter tussen wat Petrus doet en wat de anderen doen.
Het is in Hand. 2 niet zo, dat Petrus het Woord van God bedient en dat de anderen slechts een stichtelijk woord spreken. Het woordgebruik van Lucas in Hand. 2 maakt duidelijk, dat er helemaal geen verschil in karakter bestaat tussen het spreken van Petrus en dat van de anderen. Dat valt, nu het tijdperk van de Geest is aangebroken, ook niet anders te verwachten. Voor het tijdperk van de Geest zou het immers volgens de profetie van Joël kenmerkend zijn, dat allen - mannen en vrouwen, ouden en jongeren, vrijen en slaven - gaan profeteren. In de oude bedeling waren het slechts enkelingen die door de Geest werden aangegrepen om te profeteren, het Woord van God door te geven, spreekbuis van God te zijn. Maar als de Geest is uitgestort, worden alle gemeenteleden spreekbuizen van God en beginnen ze het Woord van God door te geven. Het onderscheid tussen Woordverkondiging en een stichtelijk woord spreken is dan ook een uitvinding van klerikaal denken en is niet in het Nieuwe Testament terug te vinden.
Evangelie verkondigen
Dat blijkt ten overvloede uit Hand. 8. We lezen daar, dat gewone gemeenteleden uit Jeruzalem in het hele land het evangelie verkondigden (vs. 4). Ze waren heus niet allemaal oudsten. Ze waren zeker geen apostelen (vs. 1). Toch verkondigden ze overal waar ze kwamen, het evangelie. Het woord dat Lucas hier gebruikt voor deze evangelieverkondiging komen we in het Nieuwe Testament vaker tegen. Hier volgen een aantal teksten waar we het vinden:
Hand.5: 42- de apostelen in Jeruzalem verkondigen daar het evangelie.
Hand. 8 : 25 - Petrus en Johannes verkondigen het evangelie aan veel dorpen in Samaria.
Hand. 8 : 35, 40 - Filippus verkondigd Jezus aan de Ethiopische minister en later in Asdod en omgeving,
Hand. 11 : 20 - Verstrooide christenen uit Jeruzalem verkondigen het evangelie aan de heidenen in Antiochië.
Hand. 14 : 7, 21 - Paulus en Barnabas verkondigen het evangelie in Lystra en Derba en omgeving,
Hand. 16 : 10 - Paulus, Silas, Timotheüs en Lucas concluderen uit Paulus' nachtgezicht dat God hen roept om in Macedonië het evangelie te verkondigen.
Rom. 1 : 15 - Paulus is bereid ook in Rome het evangelie te verkondigen.
Opnieuw wijst het woordgebruik van Lucas uit, dat er geen enkel verschil in karakter bestaat tussen wat de verstrooide gemeenteleden uit Jeruzalem doen (8 : 4; 11 : 2'0) en wat de apostelen, Paulus, Barnabas en Filippus doen. Dr Hendriks die Hand. 8 : 4 ook noemt, merkt daarbij op dat het hier gaat over "het doorgeven van het evangelie in de directe omgeving van de gemeente; het gaat om mensen, met wie de gemeenteleden in aanraking komen in hun woonplaats, of in de verstrooiing.
Echter, wanneer het gaat om de prediking van het evangelie aan 'de volken' of 'de ganse schepping', zien wij in het Nieuwe Testament het ambt naar voren komen" (aw. p.49).
Wanneer we de bovengenoemde Schriftplaatsen zorgvuldig lezen, kunnen we het door Hendriks gemaakte onderscheid niet terugvinden. Integendeel. Deze teksten zetten het juist op losse schroeven.
In Hand. 5 : 42 zijn het juist de apostelen (ambtsdragers) die in de directe omgeving van de gemeente het evangelie verkondigen, terwijl in Hand. 11 : 20 gewone gemeenteleden ver van huis het evangelie verkondigen aan de Grieken. Dat is precies het omgekeerde van wat Hendriks poneert. Er is in het bijbelse spraakgebruik 'geen nuanceverschil - laat staan een wezenlijk onderscheid - te constateren tussen de evangelieverkondiging door gemeenteleden en die door de apostelen.
1 Timotheüs 5 : 17
Tegen deze achtergrond zou het uitermate vreemd zijn, als Paulus in 1 Tim. 5 : 17 ineens twee groepen ouderlingen ging onderscheiden, waarvan de ene groep zich wel bezig hield met de prediktng van het evangelie en het geven van onderricht, maar de andere groep niet en daar zelfs niet de bevoegdheid toe bezat. Dat zou tegen de teneur van het hele Nieuwe Testament ingaan. Bovendien valt de bewuste tweedeling ook niet uit 1 Tim. 5 : 17 zelf te destilleren. Hoe zouden ouderlingen op een andere wijze goed kunnen regeren en goed leiding kunnen geven dan door Woord en onderricht? De traditionele tweedeling suggereert - onbedoeld en ongewild - dat "regeerouderlingen"
op goede wijze leiding kunnen geven zonder daarbij onderricht te geven in het Woord van God. Door een scheiding aan te brengen tussen ouderlingen die leiding geven èn ouderlingen die arbeiden in prediking en onderricht, wordt uit elkaar getrokken wat volgens het Nieuwe Testament onlosmakelijk met elkaar verweven . is. Leiding geven en onderricht geven kunnen niet met waterdichte schotten van elkaar geïsoleerd worden. Goed leiding geven kan niet anders dan door onderricht te geven in het Woord. En onderricht geven in het Woord impliceert leiding geven. Daarom moeten we in 1 Tim. 5 : 17 bij de woorden "vooral hun die arbeiden in prediking en onderricht" de klemtoon niet leggen op prediking en onderricht, alsof oudsten ook nog ergens anders in zouden kunnen arbeiden. De klemtoon moet gelegd worden op het arbeiden: vooral hun die arbeiden in prediking en onderricht. Paulus gebruikt hier voor "arbeiden" een woord dat hij ook voor zijn eigen werk gebruikt en dat de kleur heeft van: voortdurend intensief bezig zijn.
Als we de klemtoon zó leggen, past dat ook veel beter in het verband van Paulus' woorden. Het is b.v. helemaal niet in te zien, waarom "leerouderlingen" in tegenstelling tot "regeerouderlingen" dubbele eer (= materiële ondersteuning) waardig geacht moeten worden.
Daar is geen enkel motief voor te bedenken, tenzij men de "leerouderlingen" als een hoger geplaatste en belangrijker groep zou gaan zien dan de "regeerouderlingen". Maar dat zou in strijd zijn met de antihiërarchische tendens van heel het Nieuwe Testament.
Wanneer we in 1 Tim. 5: 17 de klemtoon op "arbeiden" leggen, lossen de problemen waarin we ons verstrikken door de klemtoon anders te leggen, zich als vanzelf op. Uiteraard hebben alle oudsten een taak ten opzichte van prediking en onderricht, Maar sommigen van hen arbeiden daar echt in. Zij hebben er een complete dagtaak aan. Ze zijn fulltime bezig met prediking en onderricht. Bij de overigen is dat niet zo. Zij doen het alleen in hun vrije tijd. Hoogstens trekken 'ze er af en toe een dag of een paar dagen voor uit. Maar ze arbeiden er niet in. Ze zijn er niet dag in dag uit onafgebroken mee heiig.
Ruime ondersteuning
In 1 Tim. 5: 17. schrijft Paulus voor erop te letten, dat met name de ouderlingen die een dagtaak hebben in prediking en onderricht, niet in de problemen komen wat hun levensonderhoud betreft. De anderen hebben tenslotte een bron van inkomsten in hun dagelijks werk. Maar zij die al hun tijd geven aan prediking en onderricht, hebben geen enkele bron van inkomsten.
Daarom moet vooral deze groep oudsten aandacht hebben inzake hun levensonderhoud en ruime materiële ondersteuning ontvangen. Want - voegt Paulus eraan toe - de Schrift zegt: ge zult een dorsende os niet muilbanden.
In 1 Cor. 9: 1-14 gebruikt Paulus hetzelfde citaat uit Deut. 25 : 4 om duidelijk te maken, dat degenen die hun leven in dienst gesteld hebben van de prediking van het evangelie, daartoe in staat gesteld behoren te worden door in hun levensonderhoud te voorzien.
Het feit dat Paulus deze tekst ook citeert in 1 Tim. 5 : 18, maakt duidelijk dat we bij "dubbel eerbewijs" aan materiële ondersteuning moeten denken. En die ondersteuning moet niet karig maar ruimschoots gegeven worden. Dat is iets waar alle oudsten die 'goede leiding geven, recht op hebben, zonder dat ze overigens van dat recht gebruik hoeven te maken (vgl. 1 Cor. 9 : 12). Maar heel in het bijzonder geldt die noodzaak van ondersteuning voor die oudsten die geen bron van inkomsten hebben. Het blijkt dus, dat 1 Tim. 5 : 17 op geen enkele wijze steun geeft aan het creëren van een verschil in bevoegdheden tussen predikant en ouderling. Paulus introduceert hier niet twee groepen ouderlingen, waarvan de ene groep meer- bevoegdheden zou bezitten dan de andere groep, maar hij is erop bedacht dat die ouderlingen die al hun tijd besteden aan prediking en onderricht, daarvan niet de dupe worden met betrekking tot hun levensonderhoud.
Herders en leraars
Ook uit Ef. 4: 11 valt geen verschil in bevoegdheden tussen predikanten en ouderlingen af te leiden. Bi] de woorden "herders en leraars" denkt men veelal uitsluitend aan de huidige predikanten. Maar dat is niet juist. Paulus denkt hier aan de ouderlingen.
De woorden "herder en leraar" duiden twee aspecten aan van een en dezelfde functie. Een ouderling is herder. Dat is de ene kant van zijn werk. Hij is ook leraar. Dat is de andere kant van zijn werk. Als herders moeten de ouderlingen de gemeente weiden en hoeden en leiden.
Als leraars moeten ze de gemeente onderwijzen.
Deze beide kanten van het werk van ouderlingen komen in het Nieuwe Testament duidelijk naar voren. In Hand. 20 : 28 zegt Paulus b.v. tot de ouderlingen van Efeze: ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden. Daar staat het heel duidelijk: ouderlingen zijn herders die de kudde, de gemeente, moeten weiden. Deze tekst alleen al maakt het onmogelijk om bij "herders en leraars" in Ef. 4: 11 uitsluitend aan predikanten te denken.
Ook 1 Petr. 5 : 1 v.v. kan hier genoemd worden. Daar richt Petrus zich tot de ouderlingen en hij zegt tot hen: hoedt de kudde Gods die bij u is, '" niet als heersers... maar als voorbeelden van de kudde. En wanneer de Opperherder verschijnt, zult ge de onverwelkelijke krans der heerlijkheid ontvangen. Deze woorden spreken voor zichzelf.
Petrus ziet de ouderlingen als herders, die onder verantwoordelijkheid aan de Opperherder Christus de gemeente moeten hoeden door haar voor te gaan.
Dat ook het onderwijzen in de leer tot de taak van de ouderlingen behoort, blijkt heel duidelijk uit II Tim. 3: 2, waar Paulus schrijft dat een ouderling bekwaam moet zijn om te ouderwijzen en ook uit Tit. 1: 9, waar Paulus van de ouderlingen verlangt, dat ze zich houden aan het betrouwbare woord van de leer, zodat ze ook in staat zijn te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen.
De bovengenoemde passages uit het Nieuwe Testament hebben stuk voor stuk betrekking op oudsten, ouderlingen. Ze maken ondubbelzinnig duidelijk, dat ouderlingen zowel herders zijn, die de gemeente Gods moeten weiden, alsook leraars, die de gemeente op grond van de apostolische leer moeten onderwijzen en haar bij die leer moeten bewaren.
Met andere woorden: in het Nieuwe Testament hebben ouderlingen dezelfde taak die in de gereformeerde traditie uitsluitend aan predikanten wordt toegekend. We moeten dan ook constateren, dat de oude bevestigingsformulieren en ook art. 30 van de NGB, waar de typering "heI1der" niet aan de ouderlingen maar uitsluitend aan de predikanten wordt toegekend, op dit punt niet in de lijn van het Nieuwe Testament liggen.
Ook prof. Trimp constateert dat (a.w. p. 41 v.v.)en acht "enige nadere reformatie hier niet ongepast" (p. 46). Helaas staat hijzelf deze nadere reformatie weer in de weg door op grond van een onjuiste interpretatie van 1 Tim. 5 : 17 (zie boven) toch vast te houden aan een verschil in bedieningsvorm. Ouderlingen en predikanten bekleden weliswaar hetzelfde ambt en er is geen soortverschil tussen beider ambtsdienst, maar - zegt hij predikanten oefenen dat ambt openbaar uit en ouderlingen doen dat niet-openbaar (a.w. p. 47).
Het is volstrekt onduidelijk wat dit onderscheid (openbaar/niet openbaar) met 1 Tim. 5: 17 te maken heeft. Ook met de grootste welwillendheid kan dit onderscheid niet in deze tekst gesignaleerd worden.
Het komt op ons af als een noodconstructie om het traditionele onderscheid in bevoegdheden tussen predikanten en ouderlingen te kunnen handhaven. Door vanuit het Nieuwe Testament terecht te concluderen dat er geen verschil van aard, soort, karakter bestaat tussen het ambt van predikant en dat van ouderling (a.w. p. 43), zet prof. Trimp het traditionele onderscheid in bevoegdheden tussen predikanten en ouderlingen volledig op losse schroeven. Via een noodsprong probeert hij dat onderscheid dan toch weer te handhaven door een verschil in wijze van dienst (openbaar/niet-openbaar) te poneren. Dit verschil valt inderdaad in de gereformeerde traditie te constateren. In het Nieuwe Testament is het nergens te vinden.
Prof. Trimp kegelt eerst - met argumenten ontleend aan het Nieuwe Testament, de traditionele constructie omver, om haar daarna - met argumenten aan die constructie zelf ontleend - weer overeind te zetten. Bij de aanduiding ”herders en leraars" moeten we dus niet uitsluitend aan de huidige predikanten denken. Het gaat hier om ouderlingen in het algemeen, waartoe de huidige predikanten ook behoren.
Er is dan ook geen enkele bijbelse grond te vinden voor een constructie waarbij predikanten meer bevoegdheden bezitten dan hun collega-ouderlingen, Die constructie is in de reformatorische traditie wel ontstaan, maar kan in het licht van de bijbelse gegevens geen stand boud en. Het Akkoord van kerkelijk samenleven is in dit opzicht wel in overeenstemming met de gereformeerde traditie, maar niet met de Schrift. De bevoegdheden die het Nieuwe Testament aan ouderlingen toekent, worden in het Akkoord sterk ingeperkt. Daardoor wordt een belangrijk stuk bijbelse ruimte en souplesse illegitiem gemaakt.
Om eventuele misverstanden te voorkomen zij nadrukkelijk opgemerkt dat het bovenstaande geen pleidooi is voor het afschaffen van het predikantschap. Precies zoals er in de tijd van het Nieuwe Testament ouderlingen waren, die hun volledige dagtaak vonden in het opbouwen van de gemeente van Christus, is het ook vandaag belangrijk dat er ouderlingen zijn, die kennis hebben van de grondtalen waarin de bijbel geschreven is, die op de hoogte zijn met allerlei theologische stromingen en ontwikkelingen en die "vrijgesteld" zijn om al hun tijd te besteden aan het werken in de gemeente. Het bovenstaande is geen aanval op het bestaan van predikanten. Het is wel gericht tegen de monocultuur waarin predikanten veel grotere bevoegdheden hebben gekregen dan hun collega-ouderlingen.
(slot volgt)