Ambt en gemeente
1976-11-12
We hebben in de Nieuwtestamentische kerk te doen met mondige gelovigen. Het tijdperk van het Oude Verbond met zijn onmondige leden behoort tot het verleden.- Jaargang 20
- nummer 44
Gij zijt dus niet meer slaaf doch zoon, schrijft Paulus in Gal. 4: 7. Deze mondigheid houdt een principiële onafhankelijkheid van mensen in, zo hebben we in een vorig artikel gezien en nader uitgewerkt. De vraag gaat nu echter klemmen welke ruimte er zo over blijft voor het ambt in de gemeente van Christus?
Slechts die van broederlijk optreden tegen broeders op de basis van wederzijdse gelijkheid van positie?
Bij Luther vinden we de gedachte dat de gelovigen allen priesters in gelijke zin zijn en met gelijke rechten. "Toch kunnen we niet allen; en, indien we het al kenden, moeten we niet allen in het publiek dienen en onderwijzen" schrijft hij in De vrijheid van een christen. 1) Terwille van de orde draagt de gemeente de Woordverkondiging en de Sacramentsbediening aan bepaalde personen op, die zij daarvoor geschikt acht, meent hij. Zo is de prediker de mond van de gemeente. De rechten van de velen worden opgedragen aan de ene. 2) Het ambt wordt op deze manier gefundeerd in de gemeente en gemaakt tot haar orgaan. Het wordt een zaak van orde en niet van ordening! Wel heeft Luther deze gedachtengang verbonden met de stelling dat het ambt door Christus is ingezet, maar toch op deze zwakke wijze dat wat de kerk doet -- overdracht van haar rechten -- teruggevoerd wordt op de instelling van Christus en op zijn geven van bijzondere geschiktheid en qaven.3) In Gereformeerde kring is wel gezegd dat het kerkelijke ambt opgekomen is uit het algemene ambt der gelovigen of uit hun algemene dienst (vergelijk hiervoor zondag 12b van de Heid. Catechismus) 4) Maar met deze stelling komt men, ongewild, toch in de buurt van Luther.
Het kerkelijke ambt staat zeker niet los van het algemene priesterschap der gelovigen en hun toerusting met de Heilige Geest. Deze vormt er in zekere zin de basis van. De ambtsdragers, over welke wij nu spreken, worden uit de gemeente gerecruteerd. Uit die gemeente, die de Geest en zijn gaven heeft ontvangen.
Maar ze worden daaruit gerecruteerd volgens de instelling van Christus en als door Hem zelf. Hij geeft ze als ambtsdragers aan zijn gemeente, als een geschenk van Hem zelf. Zo zegt de apostel het uitdrukkelijk in Ef. 4 : 11.
Ze zijn daarom niet maar organen van de gemeente, zoals ook van Gereformeerde zijde wel is betoogd. Bavinck noemt deze en andere opvattingen slechts ten deze juist. 5) God verwaardigt Zich de monden en tongen der memsen zich te heiligen, opdat in die zijn stem zou klinken, zegt Calvijn. 6) Zij vertegenwoordigen zijn persoon. Hij vertoont zo in zekere zin zichzelf tegenwoordig. 7)
In bepaalde gevallen kunnen de ambtsdragers als orgaan van de gemeente optreden, zoals de predikant in het gebed in de eredienst en verder ook in het uitoefenen van de tucht, waarin de gehele gemeente is betrokken. Maar dit betekent toch niet dat zij orgaan van de gemeente in deze zin zijn dat zij geroepen zouden zijn om de wil van de gemeente of van de meerderheid van de gemeente uit te voeren, alsof de gemeente zichzelf door hen zou regeren in de zin van een volksdemocratie!
De kerk wordt geregeerd door Christus, die zijn gezag over haar uitoefent door zijn Woord en Geest en de ambtsdragers gebruikt als zijn instrumenten.
Daarom treden zij in de gemeente op in zijn Naam en kan er zelfs van een "tegenover" sprake zijn, wanneer zij nl. geroepen worden om met het Woord de gemeente te vermanen en terecht te wijzen, Tit. 1 : 9, 2: 15. Paulus heeft zich Dok meermalen genoodzaakt gezien de gemeente ernstig te vermanen, zie b.v. 2 Cor. 5, Gal. 3, en er is geen enkele reden aan te voeren dat de gemeenten van nu beter zouden zijn dan die van zijn tijd.
Natuurlijk zullen de ambtsdragers zichzelf altijd moeten voorhouden dat zij zich te wachten hebben voor wat Petrus noemt de heerschappijvoering, 1 Petr. 6 : 3 en dat hun ambt naar zijn diepste wezen dienst is, zoals Christus gekomen is om te dienen. Maar in onze tijd met zijn nivelleringstendenzen moet er toch met nadruk op gewezen worden dat in de Christocratie waaronder de kerk valt -- en zij is géén democratie -- de ambtsdragers hun in deze bedeling onvervangbare plaats hebben, die meebrengt dat zij als wachters over de zielen rekenschap hebben af te leggen, Hebr. 13: 17. Dat zal hen in hun soms van alle kanten aangevreten amsbtbewustzijn moeten sterken om toch door de kracht van de Geest werkelijk ambtsdrager te zijn en de kudde te verzorgen, in kwaad gerucht en goed gerucht, naar het voorbeeld van de apostel Paulus, zoals hij dat beschrijft in 2 Cor. 6 : 3-10.
In een mondige gemeente is plaats voor ambtsdragers, omdat mondigheid niet synoniem 'is met volmaaktheid. Zij die kénnen, moeten nog in kennis toenemen, Ef. 3 : 19, en daartoe wil de Here Christus de gave van de ambtsdragers gebruiken, 4: 11-16. Zij die geloven moeten in het geloof gesterkt worden en daartoe dient het ambt in de gemeente. Zo wordt de wederoprichting der heiligen volbracht, zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, zo wassen wij op door alles in Hem, die het Hoofd is, en groeien wij onderling samen, zo worden wij allen gebracht tot de eenheid van Christus ... indien wij de ons bediende leer niet verachten, schrijft Calvijn " ... Immers het licht en de warmte der zon, of spijs en drank zijn niet zo noodzakelijk tot het koesteren en onderhouden van het tegenwoordige leven, als het ambt van apostel en herder tot het bewaren van de kerk op aarde." 6) Bucer spreekt in dit verband eerbiedig van een mysterie, waarvan wij geen reden kunnen doorgronden en acht de predikers noodzakelijk met een conditionele noodzakelijkheid. 7) Maar hij houdt toch onverzwakt vast aan de instelling Gods, die zich echter concretiseert binnen de gewone menselijke verhoudingen. Zo kan hij afwijzen het gevaar dat Gods genade zozeer aan de mensen wordt gebonden dat het genade karakter wordt aangetast (Rome), maar anderzijds ook het gevaar een menselijk medium in het werk van de toepassing des heils te ontkennen (sacramentariars en anabaptisten). 8) Nog één citaat van Bucer. "Iedere dwaling omtrent de ambten van de kerk, de verachting en het misbruik ervan, komt dus alleen hieruit voort, dat de mensen niet werkelijk geloven en begrijpen, dat God zelf door deze diensten met hen handelt en hun eeuwig heil verwerkt.8?) Het ambt is bij Bucer het genademiddel bij uitstek, onder beding echter dat de dienstknechtsgestaIte ervan nimmer ge schonden zal worden. 9) Zo de samenvatting van Dr W. van 't Spijker.
Onze tijd is het ambt niet welgezind.
Daarom zullen wij in de kerk ons moeten hoeden de geest van de tijd bij te vallen.
Hebr. 13: 17 is ook voor ons geschreven.
Daarin is sprake van gehoorzaamheid en onderwerping aan de voorgangers, woorden, die in onze wereld niet “in" zijn. Maar zij zullen ons niet zwaar vallen, wanneer wij in de zorg van de ambtsdragers die goede leiding geven, 1 Tim. 5 : 17, de zorg van onze Heer en Heiland zelf zien. Als wij dat bedenken dan vallen wij de woorden van de schrijver van de brief aan de Hebreeën bij: Laten zij het (hun werk) met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende. want dat zou ons geen nut doen. Hebr. 13 : 17.
Hoe mondiger de gemeente is en hoe meer zij de mannelijke rijkheid heeft bereikt hoe rijker zij met haar trouwe ambtsdragers zich zal weten. Gelukkig geeft de praktijk hiervan vaak vele voorbeelden te zien.
1) Par. 17 Vertaling dr C. N. Impeta.
2) R. Seeberg. Lehrbüch der Dogmengeschichte.
5de dr. lVI. pag. 360 en Hans Küng, Structuren van de kerk. pag. 117.
3) Künq, a.w. pag. 132.
4) Chr. Encyclopaedle, I. pag. 63.
ook 362
5) Geref. Dogm. 3e dr. IV. pag. 361, zie 6) Institutie. IV, II. 2. vert. A. Sizoo.
7) Dr W. van "t Spijker, De ambten bij Martin Bucer, pag. 351. De ambten zijn necessitate hijpothetica noodzakelijk.
Bavinck, G.D. IV. 361.
8) dezelfde, pag. 352.
9) idem, pag. 355.