Via de kansel naar de balie
1983-12-16
Bij het woord 'advent' bevindt ons aller denken zich op de lijn van de tijd. Onze gedachten maken een voorwaartse beweging en snellen de toekomst in,de wederkomst des Heren tegemoet, zoals ook het oude Israël naar voren keek als het zich indachtig maakte dat zijn Messias in aantocht was. Deze denk beweging langs de baan van de tijd heeft ervoor gezorgd dat wij in ons geloof de geschiedenis hoogschatten en het historisch besef aanwakkeren. "Hoe laat is het op de klok van de wereldgeschiedenis?", vragen we aan elkaar en om op die vraag bescheid te weten lezen we om zo te zeggen met ons linker oog de krant en met ons rechteroog de bijbel. Zo zijn wij christelijk-historisch, - naar een typering die nog niet zo lang geleden vrij gekomen is.- Jaargang 27
- nummer 45
Toch kan dit voorwaartse denken in een eenzijdigheid ontaarden. De bijbel heeft het over nog een advent van Christus en die is lokaal van aard. Daarbij worden onze gedachten niet heengeleid naar een punt in de tijd maar naar een plaats in de ruimte. "Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here die gij zoekt, de Engel des Verbonds die gij begeert ... " De tempel is hier de plaats der verzoening waar de Here in vrede met zijn volk de rust en de zegen van de sabbat wil genieten. Elke kerkdienst heeft als het goed is daar iets van. Zo is advent óók het komen van Christus naar de kerk.
Natuurlijk mogen wij die twee bewegingen die er in het komen van onze Here zitten opgesloten niet tegen elkaar uitspelen. We zullen ze tezamen moeten nemen. Dat levert dan op dat wij elke kerkdienst mogen zien in het perspectief van Christus' wederkomst aan het einde der dagen en dat omgekeerd Christus' grote dag al enigermate tegenwoordig wordt gesteld in de gemeentelijke samenkomst op de zondag.
We kunnen het verband nog dieper stellen. Met het oog op zijn komen ten gerichte wil de Here éérst de dienst der verzoening instellen opdat zoveel mogelijk mensen aan dat gericht zullen ontkomen. In dit Schriftgedeelte komen we een ongeduldig vragen naar de dag des oordeels tegen: "waar is de God van het recht?" (2: 17). De profeet antwoordt daarop dat de Here tot zijn tempel zal komen. Is dat wel een antwoord? Jazeker!
Met het oog op het eind gericht gaat de Here zich nog eens opnieuw en nu definitief bemoeien met de verzoeningsdienst. Want Hij wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen.
Als je daar eens op gaat letten dan is eigenlijk heel Israëls geschiedenis vol van dat komen van de Here naar zijn tempel. Reeds in Abtaham's leven is dat aangeduid.
De Here riep hem uit Ur der Chaldeeën naar Kanaän en in dat Kanaän riep de Here hem weer naar het midden van het land, naar de plaats waar eens de tempel zou staan. "Ga naar het land dat Ik u wijzen zal", was in Genesis 12 tot de aartsvader gezegd en in Genesis 22 spint God verder aan deze draad en zegt Hij tot hem: "Ga naar één der bergen van het land die Ik u noemen zal". Dat wil zeggen: op Moria, de latere tempelberg, bereikte de trektocht van .
Abraham achter de Here aan zijn eindpunt. Dáár wou God hem hebben, dáárheen ging Hij hem voor. "Uit Oer is hij getogen / ten antwoord op een stem, / die riep hem uit den hoge / op naar Jeruzalem" (Gez. 3 : 2).
Deze beweging heeft zich later herhaald in de geschiedenis van het volk uit Abraham gesproten. Het gebeuren van uit- en intocht kreeg in de dagen van David een vervolg toen de ark des Heren in Jeruzalem werd gebracht en de tempel des Heren op Sion werd gebouwd.
De beweging die onder Mozes begonnen was kwam pas onder Salomo in de tempel tot rust. Zoals in één van de psalmen staat: "Hij bracht hen naar zijn heilig gebied, naar de berg die zijn rechterhand had verworven" (Ps. 78: 54). In zo'n zin zie je de geschiedenis van Abraham tot Salomo in één pennenstreek voor je. Het is één komen (en brengen) van de Here naar zijn tempel.
Het is vooral de Engel des HEREN geweest die Israël naar die plaats der verzoening is voorgegaan. Zo was het al in Mozes' dagen beloofd: "Zie Ik zend een engel voor uw aangezicht om u te bewaren op de weg en om u te brengen naar de plaats die Ik u bereid heb" (Ex. 23 : 20). In Maleachi's dagen had zich deze figuur in tweeën gesplitst: een engel-
voorbereider, in wie de profeet zichzelf mocht herkennen. Het Nieuwe Testament ziet er de gestalte van Johannes de Doper in, die alle voorgaande profeten in zich samenvatte. Daarnaast onderscheiden we hier de Engel des Verbonds die zelf de naam 'Here' draagt. Hij is de Christus vóór de vleeswording des Woords, Maleachi zegt nu dat de engelprofeet de weg bereidt voor de Engel des Verbonds, maar dat dit niet wegneemt dat deze Here toch plotseling komt. Zo'n ongewone verschijning is deze laatste dat alle voorbereiding het element van verrassing niet kan wegnemen. En de engelprofeet èn de Engel des Verbonds, zij beiden hebben het trage Israël heengedreven naar de plaats van de rust. Zonder hen zou het volk onderweg verdwaald zijn of verstrikt in de zorgvuldigheden des levens. Daarom heeft Israël deze Bode, in wie God zelf was, liefgekregen. Hij was 'de Here die zij zochten' en 'de Engel des Verbonds die zij begeerden'. Inderdaad is er zonder Christus geen tempeldienst, geen kerkdienst en geen dienst der verzoening. Daarom hebben ook wij Christus zo lief.
Maar is nu Christus' advent in de tempel enkel en alleen evangelie?
Of verschijnt Hij hier meer met een zweep van touwtjes in zijn handen om de voorhof schoon te vegen? Zeker is dit laatste óók het geval. En dat komt doordat in Maleachi's dagen zowel het volk als de priesters de verzoeningsdienst in een slordige sleur hadden laten ontaarden. Daarom komt God in Christus naar zijn tempel om deze verzoeningsdienst te herstellen.
"Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de HERE in gerechtigheid offer brengen. Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de HERE aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren" (3 : 3, 4). Wie zich tegen deze reiniging verzet wordt door Christus' tempeladvent bedreigd: "wie kan de dag van zijn komst verdragen en wie zal bestaan als Hij verschijnt?" (3 : 2).
Maar als eenmaal de dienst der verzoening hersteld is, dan kan van die gezegende plaats ook een krachtige en duidelijke prediking uitgaan naar de gemeente en via de gemeente naar de wereld. Dan is Christus "een snelle aanklager tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de HERE der heerscharen" (3 : 5). Dan kan de kerk strenge tucht oefenen over haar leden en daarin tot een bewarende kracht in een verrottende samenleving worden gesteld.
Bij het einde van dit Schriftgedeelte (3 : 5) moeten we terugdenken aan het begin (2: 17). Waar kwamen we vandaan? Van bij de cynische vraag onder de mensen van die tijd: "Waar is de God van het recht?" Zwijgt God misschien bij al het onrecht dat in de wereld geschiedt? Daarop mag de profeet antwoorden: "Zie, Hij komt!" 'Ten gerichte'?, - zoals de vertalers als opschrift boven dit stukje hebben gezet? Zeker, 'Hij komt, Hij komt om d' aard te richten', maar - Hij komt via de kerk, met vóór Zich uit het evangelie der verzoening.
Hij werkt heen naar het einde van de wereld, ja, maar Hij werkt éérst heen naar het figuurlijke midden van de wereld, 'de navel der aarde', zoals het geestelijke Jeruzalem bij Ezechiël heet (38: 12).
Tussen Christus' eerste advent van zijn vleeswording en zijn laatste advent op de wolken des hemels heeft de profeet het hier over nog een advent: die op de zondag, te tien uur en vijf uur, in de regel. Dáár komt Christus naar toe om de verzoeningsdienst in te stellen en zuiver te houden en om van daaruit de wereld onder de genade en onder het oordeel te plaatsen. Zo gaat Christus in op de schreeuw om recht die uit onze wereld omhoog stijgt. Via de kansel naar de balie.