Gods Woord laten staan
1983-12-16
Zijn pleidooi voor een plurale kerk sloot ds W. G. Rietkerk in Opbouw van 21 oktober jol. af met een artikel onder de titel: Pluraliteit en 'klassiek gereformeerd'. Ds Rietkerk karakteriseert dit slotartikel zelf als "een persoonlijke ontboezeming over pro en contra het gereformeerd-zijn". Daarmee brengt hij de lezer in een lastig parket. In het publiek kritisch reageren op een persoonlijke ontboezeming getuigt over het algemeen niet van fijn gevoel. Omdat ds Rietkerk zijn ontboezeming naar ik aanneem aan de openbaarheid heeft prijsgegeven "tot opbouw van het gereformeerde leven", stap ik toch maar over dit bezwaar heen. De zaak zelf is een publieke gedachtewisseling zeker waard.- Jaargang 27
- nummer 45
Bewogenheid
Wie tot zich door laat dringen wat ds Rietkerk schrijft over de gereformeerde traditie, proeft daarin een sterke bewogenheid voor hen die hoe dan ook door de gereformeerde leer gewond zijn. Zo stelt hij bijvoorbeeld vast, als hij zijn gedachten laat gaan over de dubbele uitverkiezing: "Wat een afschuwelijke angsten heeft die leer niet opgeleverd".
Vanuit zijn bewogenheid voelt ds Rietkerk zich gedrongen om resoluut stelling te nemen tegen wat wel het 'klassiek gereformeerde' is genoemd. Begrijp ik hem goed, dan beluistert ds Rietkerk in deze uitdrukking een soort canonisatie van alles wat gereformeerd heet.
Maar is dat nu wel fair? Voor een goed verstaander zijn de intenties die aan deze uitdrukking ten grondslag liggen toch niet onduidelijk? Wie pleit voor het 'klassiek gereformeerde' komt op voor een bewust zich oriënteren aan de eigenlijke drijfveren van de Reformatie. En daar kunnen we toch geen bezwaar tegen maken.
Identiteit
Eén van die drijfveren noemt ds Rietkerk zelf, als hij teruggrijpt op een uitspraak van Lubber, die ook de diepste beweeggrond van de gereformeerde Reformatie is geworden: Das Wort Gottes sollen sie stehen lassen - Gods Woord zullen ze laten staan. Wij hebben het niet te zeggen over het Woord van God, dat Woord heeft zeggenschap over ons!
Waar dit uitgangspunt geëerbiedigd wordt, tekent zich wel degelijk zoiets af als een gereformeerde identiteit. Meer toegespitst zie ik die identiteit in een niet aflatend verlangen om Gods Woord in àlle opzichten recht te doen. In een huiver om Gods Woord te snel in de rede te vallen, zodat wij de Geest niet uit laten spreken. In een voortdurende waakzaamheid tegen een versimpeling van de bijbelse boodschap. In een diepgeworteld argwaan tegen de rede, die van nature geneigd is over het Woord te heersen. In de bereidheid om naar het Woord van God te blijven luisteren, ook wanneer het vragen of zelfs weerstanden bij ons wakker roept.
Bij ds Rietkerk bespeur ik de vrees, dat de bezinning op onze identiteit enkel maar kan leiden tot het zich afzetten tegen andere christenen.
Daarom stelt hij: onze identiteit ligt in Christus en in zijn Woord. Daar knoopt hij echter de opmerking aan vast: "Datzelfde geldt wonderlijk genoeg ook van een anglicaan of methodist". Mij klinkt dat te relativerend. Onze identiteit is gefundeerd in Christus en in zijn Woord, maar wordt toch óók bepaald door de wijze waarop wij ons opstellen tegenover Christus en de manier waarop wij omgaan met dat Woord. Wat dat laatste betreft zijn er tussen de kerken - helaas - wezenlijke verschillen. Zo heeft, om maar een voorbeeld te noemen, in de methodistische omgang met de Schrift het rationalisme altijd een stevige vinger in de pap gehad.
Toegegeven, de bezinning op eigen identiteit kàn uitlopen op een hoogmoedig aanprijzen van eigen, exclusieve waren. Maar de zorg om een eigen identiteit kan heel wel in dienst staan van de worsteling om de katholiciteit van het christendom. Wanneer wij het goede bewaren van wat ons in de gereformeerde traditie is toevertrouwd, kon dat wel eens van waarde zijn voor heel de kerk van Christus. Zo gaat het in het 'sola scriptura' niet om een specialiteit die de Reformatie alleen voor eigen gebruik heeft willen reserveren, maar om een zaak die van fundamenteel belang is voor de gehele kerk.
Dordt
De spits van ds Rietkerks kritiek op het 'klassiek gereformeerde' is gericht op de leer van de dubbele uitverkiezing of predestinatie, zoals die verdedigd is door een man als Gomarus en zoals die beleden wordt in de Dordtse Leerregels.
Wie deze leer vandaag nog onopgeefbaar acht, wordt door ds Rietkerk bij voorbaat in de berm geduwd: "Wij mogen ons gelukkig prijzen dat dit vandaag nauwelijks meer geleerd wordt". Als oud-student van de Rijksuniversiteit van Utrecht mag ik hier misschien toch even de stem van professor Van Ruler laten horen, die in het laatste artikel dat hij geschreven heeft o.a. het volgende zegt: "Aan deze waarheid (die van de dubbele predestinatie, AMvL) zou ik geen ogenblik willen komen. Ze is, dunkt mij, de diepste doorgronding van het menselijke bestaan, welke ooit gevonden is. Aan Calvijn en de vaderen van Dordrecht komt de eer toe, dat zij de geestelijke moed en kracht hebben opgebracht, deze waarheid tot op de bodem toe uit te. spreken en het in haar uit te houden, hoe groot de spanning ook moge zijn, welke zij in de geestelijke existentie aanbrengt" (Theologisch Werk III, p. 104).
Ds Rietkerk wijst de leer van de dubbele uitverkiezing in krachtige bewoordingen van de hand. Vervolgens werpt hij de vraag op, of er dan van verkiezing nog wel sprake kan zijn. Het antwoord luidt: "Jawel, maar de Schrift leert dat dat een handelen is van God in de tijd en ten tweede dat God in dat heilshandelen àlle mensen op het oog heeft". Met het eerste kan ik in zoverre meegaan, dat voor mij vaststaat, dat er in de Schrift over de verkiezing óók gesproken wordt als een handelen Gods in de tijd. Maar het tweede deel van het antwoord roept een vraag bij mij op. Als ds Rietkerk stelt dat uitverkiezing een handelen van God is, dat àlle mensen op het oog heeft, wat is dan nog de betekenis van het woord uitverkiezen?
Uit-verkiezen (ek-legomai: zo komen we het in de grondtekst van het Nieuwe Testament regelmatig tegen) betekent, hoe je het ook wendt of keert: uit een bepaalde groep sommigen aannemen en aan anderen voorbijgaan. Ds Rietkerk daarentegen denkt bij het woord uit-verkiezing aan Gods liefde voor àlle mensen, die de mens voor de keuze stelt om daar wel of niet op in te gaan. Op deze wijze wordt het wel erg verwarrend om het woord uitverkiezing nog te handhaven: het moment van de keuze is uit Gods handelen weggevallen en aan de mens toegevallen.
De vaderen van Dordt hebben er rekenschap van willen afleggen, dat onze God "die wil dat alle mensen behouden worden" (1 Tim. 2 : 4) in zijn heilshandelen toch een verkiezend God is en blijft. Voor ons verstand geeft dat een enorme spanning. Maar die spanning is wel voluit bijbels, Ik noem één voorbeeld. Jezus zelf zegt ter afsluiting van de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal: "Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren" (Matth. 22: 14).
Als ds Rietkerk stelt dat de gereformeerde leer van de dubbele uitverkiezing nodig gecorrigeerd moet worden, verwacht de lezer een aanzet daartoe. Maar van correctie is geen sprake. Ds Rietkerk stapt eenvoudig van het onderwerp van de uitverkiezing af en gaat dan over op het spreken over Gods liefde voor alle mensen. Ten aanzien van de uitverkiezing wordt daarmee echter niets beslist. In de vier Schriftplaatsen (Joh. 8 : 12, 2 Petr. 3: 9, 1 Tim. 2: 3, 4, Tit. 2 : 11) die ds Rietkerk citeert wordt met geen woord over de verkiezing gerept.
Wittenberg
Het spreken over verkiezing en verwerping is geen primeur geweest van de synode van Dordrecht in 1618-1619. Wie dit onderwerp aansnijdt, raakt één van de meest gevoelige snaren in het hart van de Reformatie. Dat de predestinatie in het denken van Calvijn een grote rol heeft gespeeld is algemeen bekend. Maar we kunnen nog verder terug gaan: tot op Luther. Zijn debat met Erasmus over de vrije wil draaide in feite om de uitverkiezing.
Erasmus ging er van uit dat de mens in principe een neutraal wezen was, dat zelf het vermogen had om te kiezen tussen goed en kwaad. Luther stelde daar tegenover, dat de mens na de zondeval zijn Wilsvrijheid heeft verloren: hij kan zich niet meer uit eigen kracht tot het goede wenden. De zekerheid van mijn heil ligt daarom niet in mijn eigen keuze voor God, maar in Gods uitverkiezing.
Tegenover het humanisme van Brasmus zet Luther alles op de kaart van Gods predestinatie.
Daarbij dienen we dan te bedenken dat Luther zelf zijn boek over de onvrije wil waarin hij Erasmus van antwoord dient altijd heeft beschouwd als één van de twee boeken, die hij van al zijn werken de meest belangrijke achtte. Een bewijs hoe na de uitverkiezing hem aan het hart heeft gelegen. Bij het licht van het kruis van Christus heeft hij dáár zijn troost gezocht.
Door naar vandaag In de gereformeerde traditie is deze lijn doorgetrokken. Via Calvijn, die ten opzichte van Luther een man van de tweede generatie was, loopt hij naar Dordt. Twee eeuwen na hun ontstaan vervullen de Dordtse Leerregels opnieuw een sleutelrol in de kerkgeschiedenis.
Dit belijdenisgeschrift is namelijk wel genoemd het 'Credo van de Afscheiding'. Tegenover de Groninger Richting die leefde uit het vertrouwen dat de mens zelf het goede wel zou kiezen àls hij maar op de juiste wijze opgevoed en gevormd werd, zocht de Afscheiding zijn toevlucht in Gods verkiezend welbehagen.
En ook vandaag, in de strijd tegen een modern humanisme dat zich sterk verwant voelt aan Erasmus, kunnen we de belijdenis aangaande Gods verkiezen èn verwerpen niet missen. Ook de mens van de 20e eeuw is geen neutraal wezen, aan wie je de keuze tussen goed en kwaad met een gerust hart kunt overlaten. Van nature - als kinderen van een in zonde gevallen Adam - zijn wij geneigd God en onze naaste te haten. Van nature zijn we onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
Alleen wanneer wij aan die belijdenis vasthouden, hebben we verweer tegen het humanisme dat zich vandaag sterk maakt. Dat deze belijdenis, evenals de belijdenis aangaande Gods verkiezen en verwerpen voor allerlei misverstand vatbaar is, wals ds Rietkerk bij herhaling naar voren brengt, is een ding dat zeker is.
Maar ligt daar nu net niet de taak voor de prediking, de catechese en het pastoraat? In zijn inleiding op de brief aan de Romeinen zegt Luther dat de predestinatie een sterke wijn is, die niet ieder zomaar kan verdragen. Om 'aan te kunnen' wat Paulus in Romeinen 9 tot en met 11 over Gods vrijmacht verkondigt, moet .je eerst door de eerste acht hoofdstukken heen zijn gekropen.
Zonder de kennis van het kruis loopt een mens zich op Gods verkiezing stuk. Maar wie onder het kruis is doorgegaan, die zal uit de predestinatie troost putten.