Veelstromen land

1983-12-16
  • Jaargang 27
  • nummer 45
Ds A. M. van Leeuwen heeft in twee artikelen gereageerd op wat ik schreef over de pluraliteit van de kerk en "klassiek-gereformeerd". Ik ben hem daar dankbaar voor en waardeer zowel vorm als inhoud van zijn artikelen. Dit is mijn reactie op zijn eerste artikel. Boven het artikel in dit nummer heb ik het woord 'veelstromenland’ gezet. Met behulp van dat woord) dat ik ook in mijn eerste artikelen bij herhaling gebruikt heb zal ik dit keer nog eens proberen duidelijk te maken wat ik heb bedoeld te zeggen. Dit keer zonder het woord pluraliteit te gebruiken.

Waar het mij om ging is om het ontwerpen van een nieuwe visie op de kerk. Wij komen allen uit een traditie waarin wij bij het nadenken over de kerk automatisch dachten aan die ene landelijke organisatie - of dat éne kerkverband, waarvan wij deel uitmaakten. In de Vrijg. Gereformeerde Kerk leeft nog steeds de gedachte dat er maar één ware kerk bestaat. De Ned. Geref. Kerken hebben zich van die beschouwing losgemaakt, om niet te zeggen bekeerd. Maar daarmee zijn wij er nog niet. Wat is er bij ons in de plaats gekomen van deze vrijgemaakte zelfbeschouwing?
Ik hoop twee dingen:
1. de visie op de gemeente van Christus als een realiteit die veel wijder en dieper en omvangrijker is dan het eigen verbond van kerken en
2. de visie op de gemeente van Christus als een door Christus begonnen en gedragen beweging. Een beweging, die ingaat op de noden van deze tijd en vindingrijk gebruik maakt van de mogelijkheden vàn deze tijd.
Beide momenten komen het best tot hun recht in het beeld van het veelstromenland.
Ons land is zelf een deltagebied. Wij weten dus uit ervaring wat dat is. Als wij bij de Rijn komen gaan wij niet menen dat dat de enige rivierarm is die het water vanuit de Alpen naar de zee stuwt en bovendien weten wij dat dit deltagebied voortdurend in beweging is - in de vorm van deltawerken, opnieuw gevormde rivierarmen en doorgebroken en weer omgelegde dijken, Deze visie, hopelijk verhelderd door dit beeld van het veelstromenland is aan de ene kant naar mijn mening bevrijdend. Wij behoeven niet krampachtig rond te lopen. Als er een nieuwe gemeente ontstaat, dan is dat niet altijd een ramp. Het kan ook een zegen zijn. Ah wij een kerk tegenkomen in een heel oud kerkverband, waar het evangelie gebracht wordt en geloofsgemeenschap beoefend dan is daar een echte verschijningsvorm van het lichaam van Christus.
Als er los van enig kerkverband een campingevangelisatiedienst is waar Christus verkondigd wordt, dan is daar een openbaring van het lichaam van Christus.
Als er doelgerichte samenkomsten zijn voor het bereiken van kinderen met het evangelie - bijv. het kinderwerk Timotheus dan is daar de gemeente van Christus in actie, ook al zijn de leden van vele kerken afkomstig. Zo kan ik verdergaan. De Evangelische Alliantie beoogt de vele bewegingen en kerken die op grond van hetzelfde evangelie werkzaam zijn samen te binden door dwarsverbindingen aan te brengen. Niet door samen te smelten.

Nu blijkt dat deze visie - in ieder geval bij ds Van Leeuwen - toch ook wel heel wat vragen oproept. Relativeert dat niet de verschrikking van de verdeeldheid? Stimuleert dat plaatselijke kerken niet om maar een geheel eigen leven te gaan leiden los van de gemeenschap met zusterkerken? En vooral, heb ik mij niet te onkritisch opgesteld tegenover een pluralistische samenleving. Alsof de kerk. zich daaraan moest aanpassen... en zo zelf ook haar eenheid verliezen...

Om bij het laatste te beginnen: Ik heb nergens gezegd dat wij ons bij een pluralistische samenleving moesten aanpassen, maar wèl meen ik dat wij ongemerkt en ongewild ook zelf iets van die plurale ontwikkeling van de samenleving hebben meegekregen. Dat heb ik niet kritiekloos geconstateerd: ik heb de gevaren ervan aangewezen, precies dezelfde die ds Van Leeuwen in zijn artikel 'herhaalt. Alleen heb ik ook de kansen ervan genoemd. Ik meen n.l. dat de Geest van God gewerkt heeft dwars door situaties heen die van menselijk standpunt gezien alleen maar op zondige tekortkomingen en verdeeldheid teruggaan.
Er heeft zich in de twintigste eeuw in de kerk iets herhaald wat wij ook al in Handelingen 15 35-41 lezen, n.l. dat er door een twist tussen Paulus en Barnabas niet maar 3, maar zelfs 4 zendelingen erop uittrokken. "Er ontstond verbittering" lezen wij in vs. 39. Daar valt geen goed woord van te zeggen. Maar wonder boven wonder is de uitkomst dit dat er daardoor twee teams van zendelingen op uittrokken i.p.v. één! Natuurlijk is dat geen excuus om maar ruzie te zoeken. Wel opent het de ogen voor de vrijmacht van Gods Geest die zelfs aanvankelijk zondige menselijke twisten gebruikt om in grotere veelkleurigheid met zijn werk verder te gaan.
Zo zie ik in het ontstaan van de vele bewegingen en vrije groepen een werk van Gods Geest - en ik zie in veel plaatselijke gemeenten van verschillende kerkverbanden de gestalte van Christus.
Het water dat door de rivier heenstroomt dàt is de eenheid, maar blijkbaar brak het zich in veel armen uiteen.
Sommigen zijn ontstaan door menselijke gaten. Maar er bleef door Gods genade gezond water heen stromen - anderen zijn organisch gevormd door de werking van het water zelf. Hier raak ik nu de kern van de moeite in alle discussies over de pluriformiteit van de kerk. A. Kuyper heeft hierover geschreven in Gemene Gratie deel III, bladz. 231-245, K. Schilder heeft daarop kritiek geleverd in "De Reformatie", welke artikelen zijn gebundeld in zijn verzamelde werken "De Kerk", dl. I, bladz. 48 e.v., 303 e.v. en 384 e.v.
Het kernprobleem zit hierop vast dat Kuyper het verschijnsel van de pluriforme kerk vooral positief benaderde _ om het in mijn eerder gekozen beeld uit te drukken: hij zag alleen maar hoe het water uit de Alpen op een natuurlijke wijze in veel armen uiteen stroomde. K. Schilder daarentegen zag veel scherper hoe die pluriformiteit vrucht was van menselijk falen en wel moest leiden tot de te veroordelen opvatting van een pluriforme waarheid. Hij had de neiging alléén daarop te letten. De Schrift leert ons naar mijn inzicht dat beide gelijk hadden. Als wij de kerk bezien vanuit Christus dan moeten wij over haar éénheid spreken en is iedere gedachte zelfs aan verdeeldheid te verwerpen met Paulus' woord: is Christus dan gedeeld?
(1 Cor. 1: 12). Maar als wij de kerk bezien vanuit het werk van de Heilige Geest is zij naar haar aard veelkleurig en pluriform omdat naar het onderwijs van de Schrift in 1 Oor. 12-14 "de werking van de Geest zèlf veelkleurig is en niet éénvormig. Hoor maar hoe Paulus in een vast ritme het er inhamert: er is verscheidenheid in genadegaven, er is verscheidenheid in bedieningen, er is verscheidenheid in werkingen! (1 Cor. 12 : 4-6).
Had Kuyper er geen oog voor dat veel pluriformiteit veroorzaakt is door menselijk falen? Ja wel: hij schrijft zelfs letterlijk: "de pluriformiteit is historisch op een wijze tot stand gekomen die het eenheidsbesef beledigt". Alleen die historische oorsprong diskwalificeert bij Kuyper de voortgang niet maar maakte een bijbelse veelkleurigheid mogelijk.
Hoe vreemd die gedachte op het eerste oog ook is, toch is zij wel vanuit de Schrift te ondersteunen (Hand. 15 zie boven). Wat mij hindert bij Kuyper is zijn redeneren vanuit de biologie en vanuit de voorbeelden in de natuur. Dat zou ook mij verweten kunnen worden als ik het voorbeeld van een rivier kies. Ik hoop dat ik dat met de verwijzing naar het werk van de Heilige Geest (o.a. 1 Cor. 12-14, ook al is dit veel te beknopt) heb ondervangen.

Tot slot: terug naar de discussie met Van Leeuwen. Hij zegt: verscheidenheid: ja; pluraliteit: neen.
Zijn woordgebruik is meer ontleend aan Kuyper dan het mijne.
Ik heb pas na het schrijven van mijn vorige artikelen ontdekt dat Kuyper pluraliteit afwees en pluriformiteit aanprees. Ik heb pluralisme afgewezen en pluraliteit aangeprezen. Wie echter beter toeziet merkt dat dit een kwestie van woorden is: ik heb met pluraliteit (zie dikgedrukt boven kolom 2 in 1e artikel: veelkleurigheid) hetzelfde bedoeld als Kuyper met pluriformiteit - en ik wees met de verwerping van pluralisme hetzelfde af als Kuyper met de woord pluraliteit, Daarmee zijn Van Leeuwen en ik elkaar dicht genaderd.
Dat wij toch met elkaar botsen, moet wel toe te schrijven zijn aan een verschil in beoordeling van wat vandaag in onze kerken gezegd moet worden. Ik ben van mening dat het paradoxaal genoeg zó ligt dat wie zich beijverden Voor de eenheid van de kerk en daar altijd maar de nadruk op legden vaak juist haar verdeeldheid bevorderd hebben. Terwijl het juiste schriftuurlijke inzicht in haar verscheidenheid en veelkleurigheid naar ik hoop en bid juist haar ware eenheid bevorderd.
Daarom meen ik dat wij op dit moment met dit laatste gediend zijn. Dat zal niet leiden tot een organisatorische eenheid - ook al mag dat gerust - maar het zal wel de ware eenheid versterken en dat is de eenheid van hetzelfde geloof, één doop, één Heer, één God en Vader van allen, die is boven allen, en door allen en in allen. (Ef. 4 : 5).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief