Bezinning op de ambten (diensten - 3)

1983-12-16
  • Jaargang 27
  • nummer 45
Compleet
Hoe ziet het Nieuwe Testament de verhouding tussen de ambten, of liever: tussen de verschillende diensten? In Hand. 14 : 23 en Tit. 1 : 5 wordt gesproken over de aanstelling van oudsten.
Het gaat in beide gevallen over gemeenten die pas ontstaan zijn en waar nog geen ambtelijke stuctuur aanwezig is. Het valt op, dat in geen van beide gevallen gesproken wordt over het aanstellen van diakenen. In 1 Tim. 3 komen de diakenen wel ter sprake. Het is zinvol ons af te vragen, waarom Titus niet de opdracht kreeg ook diakenen aan te stellen en waarom dat ook niet gebeurde in plaatsen als Lystra, Iconium en Antiochië.

Op die vraag geeft Paulus in Tit. 1 : 5 zelf antwoord. De Willibrord-vertaling heeft hier: ik heb u achtergelaten met de bedoeling, dat ge de organisatie van de kerk zoudt voltooien door in elke stad presbyters aan te steIlen. Paulus stelt hier, dat de structuur van een gemeente compleet is, als er ouderlingen zijn aangesteld. Zolang dat nog niet het geval is, ontbreekt er nog iets aan een gemeente. Dan is ze nog niet af. Maar zodra er ouderlingen zijn, ontbreekt er niets meer.
Dat is een belangrijke aanwijzing voor de manier waarop de christelijke gemeente georganiseerd behoort te worden. In de loop van de kerkgeschiedenis heeft men doorlopend gezegd: de kerkelijke organisatie is nog lang niet compleet als er ouderlingen zijn. Er moet nog veel meer bijkomen. Een kerk die alleen maar ouderlingen heeft, is helemaal niet compleet.
In feite is zo'n kerk maar heel gebrekkig georganiseerd. Een kerkelijke structuur die blijft staan bij de figuur van de ouderling en die daarboven niets meer aan organisatievormen kent, kan eigenlijk in deze wereld niet goed functioneren.
Om dat te kunnen, zijn nog andere structuren, superstructuren, vereist. En die zijn er dan ook in allerlei vormen gekomen: bisschoppen, kardinalen, pausen, concilies, predikanten met grotere bevoegdheden dan ouderlingen, synodes, etc. Dat alles betekent een negatie van het nieuwtestamentische grondpatroon dat Paulus geeft: een gemeente is compleet, zodra er ouderlingen zijn. Een organisatievorm die daar bovenuit gaat, wil het uiteindelijk beter weten dan Paulus.

Geen exclusiviteit
Maar hoe zit het dan met de diakenen? Want die kent het Nieuwe Testament ook. In 1 Tim. 3 worden de vereisten opgesomd, waaraan ze moeten voldoen. Wijst dat er niet op, dat we Tit. 1: 5 toch niet zo absoluut moeten opvatten en dat de kerkelijke organisatie wel voor uitbreiding vatbaar is? We hebben in de diakenen niet te maken met een uitbreiding van het grondpatroon dat Paulus in Tit. 1 : 5 aangeeft, maar met een differentiatie binnen dat grondpatroon.
De komst van de diakenen voegt niets toe aan dit patroon en vult geen hiaat op, maar speelt zich af binnen het kader van dit grondpatroon.
We moeten het ons zo voorstellen: aanvankelijk werden alle ambtelijke taken binnen de gemeente door de ouderlingen vervuld. Het ouderlingschap was allesomvattend.
Maar als die taak te omvangrijk werd en men het niet meer aan kon, kwamen er diakenen die een deel van die taak overnamen. Diezelfde ontwikkeling kunnen we ook in de gemeente van Jeruzalem constateren. Aanvankelijk waren er in de gemeente daar geen andere ambtsdragers dan de apostelen. Maar op een gegeven ogenblik groeit een bepaald onderdeel van hun taak hun boven het hoofd (Hand. 6: 1, 2). Dan worden er zeven broeders aangesteld, die een deel van hun taak overnemen. Er vindt een spreiding van taken plaats. Er komt een taakverdeling: de apostelen zullen zich bezighouden met de bediening van het Woord en met het gebed, terwijl de zeven broeders hun aandacht zullen richten op de dagelijkse verzorging van de weduwen.
Het is duidelijk dat op deze wijze geen uitbreiding gegeven werd aan het aantal taken. Dat blijft gelijk. Daar verandert niets aan. Ze worden alleen verdeeld. Maar deze verdeling betekent allerminst, dat de apostelen nu nooit meer de tafels mochten bedienen of dat die zeven broeders uitgesloten zouden zijn van de bediening van het Woord en van het gebed. In onze kerkelijke praktijk is het ondenkbaar dat een diaken het Woord van God zou bedienen in een samenkomst van de gemeente. Wij hebben tussen de ambten scherpe grenslijnen getrokken, die op geen enkele wijze overschreden mogen worden. Elk ambt heeft bij ons exclusieve bevoegdheden en die exclusiviteit draagt een absoluut karakter. In het Nieuwe Testament was dat heel duidelijk niet het geval. Ter illustratie daarvan blijven we nog even bij de zeven broeders van Hand. 6. Ze zullen na hun aanstelling heus wel de tafels bediend hebben in de gemeente van Jeruzalem. Daarvoor waren ze immers aangesteld. Maar daarover wordt in Handelingen verder met geen woord gerept. Er wordt zelfs niet meer op die taak gezinspeeld.
Maar er wordt wel vermeld dat Stefanus, een van die zeven, grote wonderen en tekenen deed en het evangelie verkondigde (Hand, 6 : 8 - 7: 53). Stefanus' marteldood vond zijn aanleiding niet in de taak waarvoor hij was aangesteld, maar in zijn prediking. En Filippus, ook een van die zeven, predikt in Samaria en doet daar wonderen en doopt er (Hand. 8: 5-8, 12).
Dat waren typisch taken die de apostelen op zich genomen hadden en die niet behoorden tot de specifieke opdracht die de zeven broeders toegewezen gekregen hadden. Dat maakt zonder meer duidelijk, dat er in het Nieuwe Testament geen waterdichte afscheiding tussen de verschillende diensten bestaat. Ze schuiven in elkaar over en overlappen elkaar.
De differentiatie die er komt, draagt geen exclusief en geen principieel karakter.

Vloeiende grenzen
Dat geldt ook voor de verhouding tussen apostelen en oudsten. De gemeente van Jeruzalem blijkt na verloop van tijd ook oudsten te hebben (vgl. Hand. 11 : 30; 15 : 2), hoewel hun aanstelling niet vermeld wordt. Dat hun werk niet principieel verschilde van dat der apostelen, blijkt bv. uit het feit dat Petrus zichzelf een medeoudste noemt (1 Petr. 5: 1). Hun beider taak kan dan ook met hetzelfde woord aangeduid worden. In Joh. 21 : 16 zegt Christus tot Petrus: hoed mijn schapen. In 1 Petr. 5 : 2 geeft Petrus aan de oudsten precies dezelfde opdracht en hij gebruikt daarvoor ook hetzelfde woord: hoedt de kudde Gods. En in Hand. 20: 28 zegt Paulus tot de oudsten van Efeze, dat de Heilige Geest hen tot opzieners heeft aangesteld om de gemeente Gods te weiden. Ook Paulus gebruikt daar hetzelfde woord.
De tot nu toe genoemde plaatsen uit het Nieuwe Testament laten zien, dat er in de gemeente van Jeruzalem na verloop van enige tijd een differentiatie van ambten komt. Er zijn dan niet alleen apostelen, zoals in het begin, maar ook broeders die de tafels bedienen en oudsten. Deze drie verschillende ambten krijgen wel elk een eigen toespitsing, maar deze toespitsing betekent geen vereniging van bevoegdheden. Zo heeft - om daar nog .een voorbeeld van te noemen - de apostel Paulus ook werk gedaan, dat wij typisch diaconaal zouden noemen: geld inzamelen voor en overbrengen naar de verarmde gemeente te Jeruzalem.
Wat we hierboven gevonden hebben, is nu ook van toepassing op het werk van oudsten en diakenen. Het heeft bij beide wel een eigen toespitsing, maar deze toespitsing mag niet verabsoluteerd worden. Prof. L. Floor schrijft, dat de grens tussen de verschillende ambten vloeiend is en dat elke ambtsdrager op de toegespitste wijze van zijn eigen ambt deel heeft aan de andere ambten (L. Floor, In dieselfde spore. Een onderzoek na die struktuur van die sendingwerk. Potchefstroom, 1964, pag. 24, 25).
In de gereformeerde traditie is het diakenambt altijd gefundeerd in Hand. 6. Volgens het oude bevestigingsformulier is dat ambt toen ingesteld voor de verzorging van de armen. In het licht van de nieuwtestamentische gegevens is het vastpinnen van het werk der diakenen op de armenzorg niet te handhaven. Er zijn in heel het Nieuwe Testament maar drie plaatsen waar het woord diaken een specifieke ambtsdrager aanduidt, nl. Rom. 16: 1; Fil. 1: 1 en 1 Tim. 3. In deze drie plaatsen vinden we echter geen enkele aanwijzing met betrekking tot hun werkzaamheden.
In een studierapport dat diende op een synode van Die Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika, wordt dan ook geconcludeerd, dat er volgens het Nieuwe Testament geen enkele grond bestaat om het diakenambt als armenverzorging te kwalificeren (Handelinge van die 35ste Sinodale Vergadering van die Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika, 1964, pag. 401). En prof.Trimp is van mening dat er. een beslissende fout in de meningsvorming gemaakt is, toen men het werk van diakenen ging beperken tot het zorgen voor armen (Zorgen voor de gemeente, pag. 202 v.).
Hij wijst erop, dat de diakenen in de eerste eeuwen van de christelijke kerk een geweldig gevarieerde hoeveelheid taken behartigd hebben.
Ze zetten zich in voor zieken, gevangenen, krijgsgevangenen, verbannen en, dwangarbeiders, arbeidsongeschikten, wezen, vondelingen, bejaarden, zwakzinnigen, enz. (a.w. pag. 204). Ze waren, met andere woorden, actief op heel het gebied van het sociale en maatschappelijke werk, niet alleen binnen, maar ook buiten de kerk.
Prof. Trimp concludeert, "dat de afbakening van het arbeidsveld en de grenzen van de taakopvatting steeds bijzonder vloeiend zijn geweest" (a.w. pag. 205).
We vinden in heel het Nieuwe Testament dus nergens een taakomschrijving voor diakenen. Dat is ook niet nodig. Want diakenen nemen gewoon een deel van de taak van de oudsten over. De taak van de oudsten in de gemeente is allesomvattend. Over die taak worden in het Nieuwe Testament wel de nodige aanwijzingen gegeven. Daarom is het overbodig ook nog eens een taakomschrijving voor diakenen te geven. Ze nemen immers een deel van de taak der oudsten over. In de ene gemeente kan dat dit aspect van de taak der oudsten geweest zijn, in een andere gemeente weer een ander aspect.
Het werk van diakenen kan dus van gemeente tot gemeente verschillend geweest zijn.
Maar welk aspect ze ook voor hun rekening namen, het betekende nooit dat de oudsten nu in het vervolg helemaal van dat aspect moesten afblijven. En het betekende ook niet dat de taken die de oudsten bleven vervullen, strikt verboden terrein vormden voor de diakenen. De oude strijdvraag of diakenen al of niet deel uitmaken van de kerkeraad en of ze aanwezig kunnen zijn bij huisbezoekrapportage en tuchtzaken, smelt in het licht van het bovenstaande weg als sneeuw voor de zon.

Conclusie
Wanneer we de nieuwtestamentische stand van zaken op ons laten inwerken, kunnen we niet anders dan concluderen dat in het Akkoord van kerkelijk samenleven een traditioneel patroon gehandhaafd wordt, dat niet alleen de nieuwtestamentische souplesse mist, maar bovendien in verschillende opzichten als onschriftuurlijk getypeerd moet worden. We betreuren het dat dit patroon, juist in een situatie waarin het op de helling genomen kon worden, toch weer is vastgelegd. We hopen dat er desondanks toch een diepgaande bezinning over deze zaak in onze kerken op gang mag komen.

In opdracht van de kerkenraad van de Ned. Geref. Kerk "Tehuisgemeente" te Groningen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief