29 Oktober

1983-12-16
  • Jaargang 27
  • nummer 45
Openb. 6 : 3 en 4
En toen Hij het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom! En een tweede, rossig paard, kwam, en hem die erop zat werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat zij elkaar zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven.

In de weinige woorden van deze tekst worden de verschrikkingen van de oorlog wel heel kernachtig weergegeven. Oorlog wordt hier omschreven als het gebeuren, dat de vrede van de aarde wordt weggenomen. Dat is louter negatief. In theorie kennen wij de rechtvaardige oorlog. En inderdaad, er zijn oorlogen gevoerd die een positief doel dienden, die zin hadden. Maar hoeveel oorlogen betekenen niet enkel, dat de vrede wegvalt, dat agressie over en weer niet langer in toom gehouden wordt? Zo realistisch spreekt het laatste bijbelboek over oorlog, als het wegvallen van vrede, zodat de mensen elkaar afslachten, Let op dat woord slachten; daar klinkt ál de brute verwoesting in door die oorlogen zo vreselijk maakt.
Wie denkt bij dat woord 'slachten' niet aan de Eerste Wereldoorlog, waarbij miljoenen Duitse en Franse jongens elkaar in de loopgraven afgeslacht hebben, zonder dat dat enig doel diende? Wie denkt hierbij niet aan de talloze slachtoffers onder de burgerbevolking in de Tweede Wereldoorlog? En het gebeurt nog steeds; elke dag slachten Iraniërs Irakezen af, en andersom. Honderdduizenden mannen en jongens en kinderen zijn al omgekomen in dit absurde conflict. En als er tenslotte staat, dat de gestalte die al dit geweld ontketent, een groot zwaard ontvangt, dan zweeft het beeld van de mensenmassa ons voor ogen, die vandaag in Den Haag heftig en bang en woedend gewezen heeft op dat zwaard dat groter en dreigender dan ooit blinkt in de zon: het atoomzwaard. Inderdaad - als dat zwaard gehanteerd gaat worden, dan is de vrede meer weg dan ooit, de slachting omvattender dan ooit, de verwoesting zinlozer dan ooit. Wie verstaat niet die gebiedende eis van het volk, dat dat zwaard wèg moet worden gedaan, en in elk geval niet nog groter mag worden gemaakt dan het al is?

De reden dat wij hier bijeen zijn, ligt echter hierin, dat het evangelie méér over de oorlog zegt dan dat zij verschrikkelijk is. Wat die tekst uit Openbaring 6 vooral zo dodelijk ernstig maakt, is dat er in staat dat het de ruiter op het rossige paard gegéven werd de slachtingen op aarde te ontketenen. Met deze uitdrukking 'gegeven worden' wordt in dit bijbelboek altijd weer gedoeld op de macht, die van hoger hand, uit de hemel, verleend wordt aan gestalten en krachten die de wereld bedreigen en demoniseren. Openbaring 6 is het hoofdstuk dat beschrijft, hoe het Lam, onze Heer, Jezus Christus, het boek met de zeven zegels opent, d.w.z. de geschiedenis bestuurt en naar haar ontknoping leidt. Het is onder de regie van Hem, dat deze ruiter de vrede mag wegtrappen op aarde zodat de slachtingen komen. En dat betekent dat wij mensen, al zijn we met z'n honderdduizenden, in feite machteloos staan. Als het Lam Zijn fiat geeft aan de ruiter op het rossige paard om de vrede van de aarde weg te nemen, zullen wij dat niet kunnen keren. Openbaring 6 maakt ons angstig duidelijk, dat over vrede beschikt wordt van Hoger hand.
Daarom zijn wij hier, in de kerk, in het bedehuis, om tot God op te zien, in de nederige erkenning, dat het niet aan ons mensen is, om de vrede op aarde te bewaren en daarover te beschikken. Niet wij maken of breken de vrede - da:t doet Christus, die als enige de macht heeft om de boekrol van de geschiedenis af te rollen. Zo worden wij hier verbonden door de ootmoedige erkenning, dat niet politici of militairen of demonstranten de vrede in de hand hebben, maar God alleen.

Maar hoe kán dat ooit, dat het Lam, dat Zèlf geslacht is, en dat Vredevorst wil heten, een groot, verderfelijk zwaard in handen legt van een vertrapper van de vrede?
Hoe kàn het, dat de grote Zachtmoedige van Zichzelf gezegd heeft: "Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard!"? Omdat Hij, als Gevolmachtigde van Zijn Vader, heel de geschiedenis plaatst in het grote geding dat God met de wereld heeft. Aan het slot van Openbaring 6 is sprake van 'de toorn van het Lam'. Die unieke uitdrukking geeft weer, dat Christus de toorn van Zijn Vader over de zonde op aarde ten volle deelt. De zonde, die de gestalte aanneemt van zedelijk kwaad, maar die haar kern vindt in de miskenning van God, de Schepper die liefde is. Tot de ontknoping van de geschiedenis, waarop het Lam aanwerkt, behoort ten diepste dat aan deze miskenning en negering en verwerping een einde komt. De toorn van het Lam is, dat Hij mokerslagen op de aarde laat neerkomen, om de mensen te confronteren met de Heilige God. De toorn van het Lam is, dat Hij de aarde laat beven en dreunen op zijn grondvesten, opdat de mensen het inzien: "Wij kunnen de Here God niet straffeloos negeren en ontwijken." De toorn van het Lam is, dat Hij de ruiter op het rossige paard de vrede laat wegnemen, opdat de mensen opgeschrikt worden uit hun godloos bestaan. De toorn van het Lam, kortom, moet ertoe leiden, dat als hemel en aarde om ons heen wankelen, alle vastigheid uit het leven verdwenen is, de mensheid het eens en voorgoed weet: God laat Zich uit Zijn schepping niet uitdrijven. De bange vraag, waar Openbaring 6 tenslotte op uit loopt bij alle mensen, koningen en machtigen en slaven en vrijen en rijken en iedereen: "Wie kan bestaan voor de toorn van God en het Lam?" Dat is de grondvraag, die de geschiedenis beheerst. Op die vraag geeft het evangelie een antwoord, dat o.a. in Openbaring 7 blij gegeven wordt: Zij die door God verzegeld worden en hun gewaden gewassen hebben in het bloed van het Lam."
Voor hen is Hij de Vredevorst, die zich door Hem laten verzoenen met de heilige God. Al de plagen en oordelen die volgens dit bijbelboek in opdracht van het Lam de wereld treffen, hebben maar één doel: de mensen toe te drijven naar Zijn kruis, zoals psalm 2 zegt: "Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne."

In dit kader van Gods geding met de wereld zullen wij ook het probleem van de kernbewapening moeten zien. Ten diepste gaat het hier om de toorn van het Lam die tot verootmoediging voor God maant. Paulus zegt in Romeinen 1 dat de toorn van God o.a. daarin bestaat, dat Hij mensen overgeeft aan hun zonden, de gevolgen van hun ongehoorzaamheid niet tegenhoudt.
In die zin beleven wij de toorn van God in de intens gevaarlijke situatie waarin wij onszelf gemanoeuvreerd hebben. Het lijkt wat de bewapening betreft wel een mijnenveld: in welke richting je ook een stap zet, je loopt zeer grote kans op explosies. Ga je door met het opvoeren van de bewapening, dan loop je het zeer ernstige risico van een niet meer in de hand te houden situatie. Daarin heeft de vredesbeweging gelijk. Maar rem je af, dan ontstaat er een hoogst onoverzichtelijke verstoring van het machtsevenwicht, die agressie kan uitlokken.
Daarin heeft Luns gelijk. Eigenlijk kunnen we geen kant uit. En daarin stuiten wij nu op de toorn van God. Het is alsof Hij zegt: "Kijk, dat is nu het resultaat van een wereld zonder Mij. Zo ongelooflijk werkt een wereld zich in de nesten, die Mij uitrangeert. Zo levensgevaarlijk wordt het leven, als Ik jullie aan je drang om het zonder Mij te doen overgeef."

Wat wij dan ook moeten doen, is het doorzien van de bewapeningsproblematiek als niet maar een politiek en ethisch probleem, maar een religieus probleem. De ellendige verlegenheid waarin wij tezamen geraakt zijn in deze wereld, vraagt om maar één ding: dat wij de blik opslaan naar de hemel en naar Gód vragen. Die beweging wil de toorn van het Lam oproepen.
Het is een rampzalige oppervlakkigheid, als ook dit mijnenveld, waarin wij als wereldbevolking rondlopen, alleen maar brengt tot een lastig vallen van politici en militairen. In de dodelijke ernst van onze dagen klinkt de vraag van God: "Wat doet u met Mij?"
En de vreselijkste dreiging die ons boven het hoofd hangt is niet het dood en verderf zaaien van het atoomzwaard, maar de toorn van het Lam.

Dáárom zijn wij hier. Om ons te verootmoedigen voor God, en tot Hem te bidden. Niet, dat de politieke en militaire inspanningen om de vrede na te jagen er niet toe doen. Maar zij krijgen pas werkelijk zin, wanneer ze de diepgang krijgen van de verantwoordelijkheid tegenover God, die zo eindeloos gekrenkt wordt door de vóórtdurende afkerigheid van Hem. Hier ligt voor ons als christenen de grootste dienst, die wij de wereld bewijzen kunnen: haar het gebed en de verootmoediging voor te leven. Moge het Lam genadig acht slaan op Zijn biddende bruid, en ter wille van haar Zijn aangezicht over Zijn schepping doen lichte.

Amen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief