Een abc van het N.T.: Loon
1983-12-16
Waarschijnlijk zullen alle lezers van dit stukje wel bekend zijn met antw. 62 van de Catechismus: "dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn". Waarop verder wordt gevraagd of onze goede werken niets verdienen, daar God ze toch wil belonen? Daarop wordt dan geantwoord: "Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade", Dit zal wel ontleend zijn aan Rom. 4 : 4: "Nu wordt hem, die werkt het loon niet toegerekend uit genade) maar krachtens verplichting". Uit dit alles wordt door velen we de conclusie getrokken, dat het op goede werken zo niet aankomt en dat ze vrij nutteloos zijn. Maar hoe zit het dan met het loon dat op vele plaatsen wordt toegezegd aan hen, die hun gaven in dienst van de HERE besteden? Daarover gaat dit artikel.- Jaargang 27
- nummer 45
Op veel plaatsen komt het woord loon voor in de gewone zin, zoals wij het doorgaans gebruiken: Een arbeider is zijn loon waard. Hij verdient het. Er is sprake van het loon der goddelozen. Niemand van ons zal wel beweren, dat zij het niet verdiend hebben. Verder lezen we ergens: "De bezoldiging der zonde is de dood". Wat we ook wel kunnen vertalen: het loon der zonde is de dood. Als Jezus de Farizeeën waarschuwt, dat ze van hun bidden en van hun aalmoezen geven geen show moeten maken, om door de mensen gezien te worden, dan zegt hij daarvan: "Zij hebben hun loon weg". Aan de oude vertalers was de betekenis daarvan niet recht duidelijk. Maar uit later gevonden geschriften is duidelijk geworden, dat dit betekent: "Zij hebben hun loon reeds". Ze wilden door de mensen worden gezien? Nu, dat is gebeurd. Dat loon hebben ze al binnen. Verder hebben ze niets meer te verwachten.
Aan Zijn discipelen geeft Hij dan de vermaning om in het verborgene gaven te geven en te bidden. Dan zal God het hun "vergelden". Zouden we niet mogen zeggen, dat God hun loon zal geven? Dat Hij het hun zal beloven? We durven niet zeggen, dat ze dat loon verdiend hebben. Maar waarom wordt dan hetzelfde woord "loon" gebruikt?
Dat gebeurt heel vaak in de Schrift. In Matth. 10: 42 zegt de Heiland: "Wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan".
In Matth. 25 wordt wel niet het woord "loon" gebruikt, maar zouden we niet mogen zeggen, dat de rechtvaardigen, de schapen, beloond worden met ingang in het Koninkrijk der hemelen; terwijl de bokken als loon krijgen de eeuwige straf? Als de rechtvaardigen vragen, wáár zij de Here gezien hebben als arm en naakt en gevangen enz., dan wil dat niet zeggen, dat zij niet geweten hebben, dat ze aan arme mensen weldadigheid hebben bewezen. Maar wél dat ze niet wisten, dat ze daarmee dit aan de Hére deden. De genoemde teksten zouden met vele te vermeerderen zijn. In 1 Kor. 3 : 8 lezen we zelfs dit: "Elk zal zijn eigen loon krijgen naar zijn werk".
En in vers 14 staat: "Als het werk, dat iemand opgebouwd heeft (op het fundament Christus), stand houdt (in het vuur der beproeving), zal hij loon ontvangen".
In dit verband mag ook wel gewezen worden op 11 Kor 5: 10: "Wij moeten allen openbaar worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder wegdrage, wat hij in zijn lichaam verricht heeft, hetzij goed, hetzij kwaad".
In Hebr. 11 wordt Mozes genoemd als geloofsgetuige, die liever smaadheid leed met het volk van God, dan de weelde aan Farao's hof te genieten. "Want hij hield zijn blik gericht op de vergelding". We mogen wel zeggen: Hij rekende op loon.
Wat is nu het verschil tussen verdiend loon en genade loon? Is dit laatste zonder enige verdienste? Maar is het dan nog wel loon? Mijns inziens ligt de oplossing in deze richting. In welke verhouding staan we tot God? De Farizeeën zagen in God wel de genadige.
Maar Zijn genade bestond daarin, dat zij door onderhouding van de Wet veel verdiensten verzamelden. Ze hadden om zo te zeggen een contract met God. Zoals een arbeider heeft met een baas. De werkman geeft zijn werkkracht en de baas belooft loon. Naar de regel: Ik geef wat opdat gij geeft. Maar wie in de Here Jezus gelooft, kent God als zijn hemelse Vader.
Hij heeft Zijn kinderen lief. En zij op hun beurt hebben Hem lief.
Het is hun niet om loon te doen. Maar om Hem te behagen. Maar ze mogen wel rekenen op loon.
Dat heeft Hij immers beloofd? We zouden het kunnen vergelijken met een knecht of dienstbode enerzijds en met een zoon of dochter anderzijds. De eersten hebben een contract met de baas. Vóór wat hóórt wat! En als de baas geen loon meer geven wil of kan, dan stappen ze op. Maar een zoon of dochter heeft geen contract. Ze lopen ook niet weg, als Vader soms geen loon kán geven. De zaak van hun vader is ook hun zaak. Ze willen als het nodig is ook best overwerk doen. Maar Vader geeft wel loon, als hij kán.
Dat laatste is bij onze hemelse Vader geen vraag. En we mogen er op rekenen, dat ons loon groot zal zijn in de hemelen. D.w.z. bij God. Waarvan genoten zal worden ook op een nieuwe aarde. Laten we die niet vergeten. Wat door gelovigen nogal eens gebeurt. Waarin dat loon zal bestaan? Wie zal het zeggen. Maar het zal niet tegenvallen, het zal groot zijn. Maar wij bepalen dat niet. Wij stellen geen eisen. Onze hemelse Vader bepaalt dat.
Dat blijkt ook uit een gelijkenis, die ik in dit verband wil bespreken.
Het verhaal van de arbeiders in de wijngaard, die op verschillende uren worden aangenomen. Sommigen op het derde uur, anderen op de middag en anderen op het elfde uur. Bij uitbetaling krijgen ze evenveel. Wat volgens Farizeeën helemaal niet klopte. Die van het derde uur mopperden dan ook. Zij dachten veel meer te ontvangen. Maar de heer vraagt hen, waarom ze jaloers zijn. Ze krijgen toch wat is overeengekomen? Die jaloersheid mag in het Koninkrijk der hemelen niet voorkomen. Wie ter elfder ure zich bekeren, zullen dezelfde zaligheid erven als zij, die heel hun leven in dienst van de HERE besteed hebben. Wat doet het er toe? Afgunst past bij Gods familie niet.
Nog een gelijkenis wil ik in dit verband ter sprake brengen. Die van Luk. 17:7-10: "Stel dat iemand van jullie een knecht heeft. Die is aan het ploegen of hoedt de kudden. Hij komt van het land. Zul je dan tegen hem zeggen: kom maar vlug eten? Natuurlijk niet.
Je zegt tegen hem: maak mijn eten klaar. En doe je schort voor om mij tijdens de maaltijd te bedienen; daarna kun je ook gaan eten. Is hij de knecht soms dankbaar? Die heeft alleen gedaan wat hem is opgedragen. Hetzelfde geldt voor jullie: wanneer jullie alles hebt gedaan wat is opgedragen, zegt dan nog: "We zijn onnutte knechten; we hebben alleen onze plicht gedaan". Dat verhaal klinkt ons vreemd in de oren. Die "knecht" was een slaaf. En zo waren de "heren", eigenaars. Gelukkig is de slavernij bij ons verdwenen. Gelukkig is onze HERE ook niet zulk een "heer". Het gaat om dat laatste zinnetje: de slaaf heeft alleen gedaan wat hem is opgedragen. Zo zullen allen, die hun gaven stellen in dienst van Gods Koninkrijk, alleen maar kunnen zeggen: We hebben onze plicht gedaan.
Meer niet. Dat geldt van alle volgelingen van de Here Jezus. Er is verscheidenheid van gaven. Wie veel ontvangen heeft, moet veel doen, van hem zal veel gevraagd worden. Wie weinig ontving, van die zal weinig worden gevraagd.
Wil dat nu zeggen, dat ons werk geheel nutteloos is? Dat we geen zegen kunnen verspreiden? Dat mogen en kunnen we niet zeggen, als we trachten te onderhouden al wat Christus ons geboden heeft.
Maar al zouden we heel onze plicht en nog wel volmaakt gedaan hebben, dan hebben we nog niet meer gedaan dan wat we schuldig zijn. We kunnen God niets toebrengen. Hij hoeft ons geen "dankje" te zeggen. We zijn het eigendom Gods en van Christus. God heeft ons niet nodig. Wij mogen nooit zeggen onmisbaar te zijn. En dat we voor God nuttig zijn. Maar dat moeten en kunnen we wel voor broeders en zusters en voor onze naasten zijn. En God zal dat lonen. Een verklaarder tekende bij dit vers aan: "Ongelukkig wie de HERE onnut noemt. Zalig wie zichzelf zo noemt". Hoogmoed is een van de hoofdzonden, die altijd weer de kop opsteekt. Daarvoor kan dit woord ons bewaren.
Tot slot nog een opmerking. Wie uit de wet leeft, op eigen werken en kracht steunt, maakt een optelsom van z'n goede werken. En een van de slechte. Naar welke kant slaat de schaal over? Maar hij komt nooit echt tot rust. Want wie zal zeggen of zijn berekening bij God geldt? De Talmud zegt dan ook: Zekerheid der zaligheid is in dit leven niet te krijgen! We moeten niet uit de wet, doch van genade leven. Maar wel onze roeping en verkiezing vast maken. Door een leven in de vrees des HEREN. Als we dat met ernst doen, zullen we niet uitvallen, zoals Petrus schrijft. Levend uit het geloof naar aanwijzing van het Evangelie. Dan zullen we dat nooit gronden op onze goede werken. Wel wordt ons geloof gesterkt door geloofswerken. Niet door een rekensom te maken of een logische conclusie: "Ik deed zoveel, dus mag ik geloven, dat ik geloof". Zó niet. Maar spontaan. Als we ons in dienst stellen van Christus, dan groeit ons geloof en geloofszekerheid.