Léven... In vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid (2)

1983-12-16
  • Jaargang 27
  • nummer 45
Het is nu niet direct een bemoedigende titel, die hier boven prijkt. Staan overheid en burger dan als strijdende partijen tegenover elkaar?
Zoals we zullen zien aan de hand van de beschrijving van liberalisme en socialisme, is er inderdaad aanleiding tot een dergelijke typering van de verhouding overheid-burger.

We kunnen dat begrijpen als we letten op de visies op 'verantwoordelijkheid' (de maatschappijvisie) bij beide stromingen, en als we (door)vragen naar datgene waarop zij zich in vertrouwen oriënteren (het geloofsmotief) bij het denken over mens en wereld, en bij het handelen in de lijn van dat denken (de politieke stellingname).
Bij dat laatste willen we met name nog aandacht besteden aan de vraag in hoeverre liberalisme en socialisme bijdragen tot het bewaren, dan wel vergroten of verkleinen, van de vrijheidsruimte van de mens om in verantwoordelijkheid en vertrouwen - tegenover God, bovenal - te kunnen leven. Dan wordt wel duidelijk waarom gesproken kan worden over een strijd tussen overheid en burger, althans binnen liberalistische resp. socialistische visie.

Liberalisme: afgedwongen vrijheid
Het liberalisme is één van de kinderen van de Franse Revolutie (1789). Er zijn stellig gronden aan te voeren om zelfs nog verder terug te gaan in de geschiedenis van de westerse cultuur, voor het vinden van de wortels van het liberalisme. Maar voor dit moment is het voldoende om het liberalisme te typeren als één van de geestesstromingen, die zijn voortgekomen uit de zgn. 'Verlichting'. Vrijwel ieder kent wel de leuze 'Ni Dieu, ni maître', misschien zelfs zonder te weten dat die leuze veelvuldig klonk tijdens de Franse Revolutie. De 'verlichte' mens van toen wilde van geen God of meester weten.

De verlichte mens van nu al evenmin. De mens meent het zelf wel af te kunnen. Hij denkt zelf wel uit te kunnen maken wat goed of kwaad is, zonder openbaring daaromtrent van Godswege. De mens leeft en handelt in de illusie dat hij zichzelf tot meester kan zijn.
En maar al te dikwijls ziet hij over het hoofd dat hij door zichzelf tot meester te zijn, de ander tot dictator is, niet in het minst doordat hij de grenzen van goed en kwaad naar eigen believen bepaalt. 'In het moderne taalgebruik haalt het woord 'zelf' een zeer hoge frequentie zelfbestuur, zelfontplooiing, zelfverwerkelijking...jezelf zijn... De moderne mens schijnt het goed met zichzelf getroffen te hebben: hij is blijkbaar een goede baas voor zichzelf. De anderen - de medemensen - vormen een voortdurende bedreiging van je persoonlijke vrijheid. Vandaar de beroemde uitspraak van de Franse filosoof Sartre: de hel, dat zijn DE ANDEREN (v. Doorn in Dengerink, 1980; vgl. ook Van Riessen, Mondigheid en de machten, pag. 110).

Het liberalisme oriënteert zich op de vrijheid van het individu. De VVD voerde vorig jaar campagne onder de leuze 'opkomen voor jezelf'. Daaruit blijkt het geloofsmotief van het liberalisme: men baseert haar denken en handelen op verabsoluteerde rechten van het individu.

Op die grondslag bouwt het liberalisme haar visie op mens en samenleving, haar maatschappijvisie; ze vertrouwt erop dat een goede samenleving kan groeien, mits men uitgaat van het individu en zijn rechten. Een overheid wordt slechts getolereerd, voor zover ze die rechten van het individu veiligstelt. Dat bepaalt de grenzen van het 'sociaal contract' (Rousseau), dat bestaat tussen overheid en burger. De overheid bezit geen eigen gezag, noch minder gezag van Godswege, maar slechts gedelegeerd gezag: het volk kan te allen tijde met absolute volmacht de overheid tot de orde roepen.

Met betrekking tot de verschillende samenlevingsverbanden als school, bedrijf, vereniging, kerkverband etc. betekent de liberalistische keuze voor vrijheid, dat er geen sprake van kan zijn dat enig samenlevingsverband ondergeschikt zou zijn aan de overheid, aan de staat. De overheid heeft net zo min iets te zeggen over de gang van zaken binnen een bedrijf of vereniging - hoe gek het er ook mag toegaan - als omgekeerd het verenigingsbestuur niets heeft in te brengen met betrekking tot de staat.

Intussen moeten we niet uit het oog verliezen, tot welke gevolgen deze maatschappijvisie kán (of misschien beter: móet) leiden.
Want: de vrijheid van de één, is de onvrijheid van de ander. Wie geen of nauwelijks grenzen stelt aan de vrijheid van het individu, geeft voor de samenleving ruimte tot 'het recht van de sterkste'.
Men denke slechts aan de liberalistische visie op de economie. De 'laissez faire'-politiek leidt maar al te gemakkelijk - ongemerkt en misschien zelfs wel onbedoeld tot verwaarlozing van de zorg voor de medemens. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen: 'opkomen voor jezelf', nietwaar? Tot welke gevolgen deze politieke stellingname leidt, is wel duidelijk als we letten op het program van een liberalistische partij als de VVD: emancipatie, individualisering van inkomens, vrije markt, abortus, euthanasie - om maar een paar punten te noemen - scoren hoog, terwijl ontwikkelingswerk en sociale zorg per definitie een tweede of lagere rang innemen.

De liberalistische vrijheid is een opgelegde, afgedwongen vrijheid; een vrijheid die gericht is vooral op de eigen persoon; een vrijheid die niet - althans zeker niet in de eerste plaats - gericht is op de ander, de 'naaste' (vgl. Luk. 10: 36, 37). Het is een ongebonden vrijheid, die vroeger of later ten koste gaat van de ander.

Misschien zoudt u willen tegenwerpen, dat het in de praktijk wel meevalt, dat het liberalisme er zo slecht nog niet afkomt. Dat zal wel zo zijn; de wal keert het schip; al te sterke nadruk op het individu roept 'als vanzelf' een accent op de gemeenschap als tegenkracht op.
Dat is echter niet te danken aan het liberalisme zelf, noch aan de goedheid van de liberalen. God leidt de geschiedenis! In Zijn onbegrijpelijke trouwen liefde behoedt God de mens nog(!) voor al te grote ontsporingen.

Socialisme: afgedwongen gelijkheid
Het socialisme is een tweede kind van de Franse Revolutie. Uit de drieslag 'Vrijheid - gelijkheidbroederschap' kiezen de socialisten voor de gelijkheid.

Historisch gezien, is het socialisme in hoge mate te beschouwen als een reactie op het liberalisme. Het socialisme is dan gedurende lange tijd het sterkst (geweest) in die landen, waar de excessen van het liberalisme het meest tot uiting kwamen. Te denken valt aan Engeland, waar met name de lange werkdagen en de mensonterende werkomstandigheden, en niet in het minst ook de verschijnselen kinder- resp. vrouwenarbeid, een belangrijke stoot gaven aan de opkomst van het socialisme (vergelijk H. van Riessen, Maatschappij der Toekomst, pag. 118 e.v.). Voor Duitsland en Frankrijk gelden soortgelijke verklaringen voor de opkomst van het socialisme in diverse verschijningsvormen. Als we op de levensloop van Karl Marx en Friedrich Engels als grondleggers van het (marxistisch-) socialisme letten, dan valt als vanzelf in het oog dat ze nu eens in Frankrijk, dan weer in Engeland opereerden, terwijl tegelijkertijd de invloed van hun denken zich ook - zij het aanvankelijk in mindere mate - uitstrekte over Duitsland.
Toch is het socialisme niet te verstaan als loutere reactie op de excessen van het liberalisme, zo rond de tijd van de industriële revolutie. Het zaad van het socialisme was reeds daarvoor gestrooid. En het was ook al eerder ontkiemd!

Oók het socialisme stelt de autonomie (= zelfwetgeving) van de mens vóórop. Het accent ligt echter nu niet op het individu, maar op de gemeenschap. In de verhouding overheid-burger kiest het liberalisme rechtstreeks voor het individu en zijn rechten. Het socialisme komt echter langs een omweg op hetzelfde punt uit.
Onder de noemer 'gelijkheid' van alle mensen, vindt al evenzeer een verabsolutering van de individuele vrijheid plaats. Treffend eigenlijk dat liberalisme en socialisme elkaar in de praktische politiek op diverse punten zo goed kunnen vinden: emancipatie, individualisering van inkomens, abortus, euthanasie. Dat ligt aan het gemeenschappelijk geloofsmotief: de zelfwetgeving, de autonomie, van de mens. Bij de één met het accent op 'vrijheid' sec, bij de ander op 'gelijkheid'.

Weliswaar verschillen de maatschappijvisies nogal, toch blijft het gezamenlijke startpunt van denken en handelen tot uiting komen (daarover straks nog meer).
Stond het liberalisme vóór 'vrijheid', ook in de verhouding tussen de verschillende samenlevingsverbanden (staat, bedrijf, school, kerkverband...), het socialisme komt op voor de gelijkheid. 'Gelijke kansen voor allen', zowel qua werk en inkomen (ongeacht de situatie, bijv. een gezin), als qua onderwijs (middenschool!) en noem maar op.
En als de mensen uit zichzelf niet 'solidair' zijn, dan moet de overheid dat maar opleggen. De staat is - aldus de socialisten - het hoogste verband in een samenleving, en de overheid heeft dus de bevoegdheid om in te grijpen in een ander samenlevingsverband, als het daar - naar haar oordeel - niet goed gaat. Of dat nu een bedrijf is, of een kerk(verband), of een vereniging, of een school, dat doet niet terzake. De staat, de overheid van die staat, heeft het voor het zeggen.
Ze moet dan de gelijkheid maar opleggen, afdwingen: nivellering, antidiscriminatiewetgeving, emancipatie... Voor de socialist is het individueel belang ten diepste een publiek belang (cf. Rousseau; zie Dengerink, 1980, pag. 67). De vraag is echter of deze oude visie in de huidige praktijk nog wel opgeld doet. Het geeft immers te denken, dat juist uit socialistische kring zoveel aktiegroepen voortkomen, die uit naam van de 'gelijkheid' de meest grove schendingen plegen van de vrijheid van medemensen, ja zelfs van de gelijkheid zelve: krakersbeweging, inspraakbewegingen... Het publieke belang sneuvelt zonder pardon voor het individuele belang of bijzondere groepsbelang. Aldus bezien vormt het (huidige) socialisme, misschien meer nog dan het (huidige) liberalisme, een voedingsbodem voor anarchie. Niet in theorie, wél in de praktijk. En het is maar al te duidelijk dat in een anarchie noch plaats is voor vrijheid, noch voor gelijkheid, laat staan voor broederschap.
Dat moet wel te maken hebben met het feit, dat' het socialisme burgers 'kweekt' die rechten gaan claimen: recht op werk, recht op onderwijs, recht op woonruimte, recht op inspraak, recht op uitkering, recht op... Waar de burger onder de hoede van de Staat als Vadertje Albedil het heeft afgeleerd wat verantwoordelijkheid is, daar dreigen twee gevaren:
- ofwel dat een sterke man (of groep) alle macht tot zich trekt: een totalitair regiem;
- ofwel dat de burgers uit verzet tegen de verregaande bevoogding komen tot een verwerping van alle gezag (c.q. macht) van bovenaf: anarchie. 'Les extrèmes se touchent': de uitersten raken elkaar!

In zijn 'Maatschappij der Toekomst' schetst Van Riessen de opkomst van het collectivisme enerzijds en de nihilistische massamens anderzijds, als de twee kanten van één (vieze!) medaille. Het één (collectivisme) bestaat bij gratie van het ander (nihilistische massamens).
Nog wat scherper gesteld: de ongenormeerde overheidsmacht van het socialisme (wat tendeert naar genoemd 'collectivisme') vormt de voedingsbodem voor het streven naar een ongenormeerde vrijheid van het individu (uitmondend in genoemde 'massamens').
Socialisme en liberalisme roepen elkaar op, versterken elkaar, kunnen niet buiten elkaar bestaan; en ze komen uit hetzelfde nest, dat van het nihilisme, de normloosheid.
Bij de één de normloosheid wat betreft de overheidsmacht, bij de ander normloosheid met betrekking tot de individuele vrijheid.

Terecht typeerde Albeda socialisme en liberalisme als 'twee zusters, die met elkaar in haat en nijd leven' (in een recensie van Goudzwaards' Kapitalisme en Vooruitgang).

De één dwingt de vrijheid af, de ander de gelijkheid, maar...

Waar blijft de broederschap?
Onlangs beëindigde een hoogleraar zijn loopbaan met een rede, getiteld: vrijheid, gelijkheid... eenzaamheid (prof. Hofstee, Wageningen, 1982). De teneur is wel duidelijk, na voorafgaande schets van socialisme en liberalisme.

De Verlichting, zo hoopvol ingezet onder het vaandel 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap', heeft niet gebracht wat ze beloofde. Diverse hedendaagse denkers worstelen met het raadsel van de 'dialectiek der verlichting' 1). Hoe in de wereld is het te begrijpen dat verlichting omsloeg in verblinding en diepe duisternis; wélke denker, die staat in de traditie van de Verlichting, durft nog te claimen, dat hij enig licht kan werpen op de vragen van het leven, van mens en wereld?
Hoe is het te verklaren, dat de mens na een kleine 2 eeuwen strijd om vrijheid zich nog onvrijer voelt dan ooit tevoren? Hoe komt het, dat we op de weg naar gelijkheid van alle mensen eerder stappen achteruit gedaan schijnen te hebben?
En bovenal.. met de broederschap is het bar gesteld. We staan elkaar meer dan ooit naar het leven: dikwijls figuurlijk, soms ook letterlijk.
Hoe komt dat toch?

Voor het liberalisme ligt de verklaring voor de hand. De verzetsstrijder Van Randwijk sprak ooit: 'Een volk dat voor tirannen zwicht Verliest meer dan lijf en leden...
Dan dooft het licht'. Het menselijk 'ego' zou je - met enige dichterlijke vrijheid - als één van die tirannen kunnen beschouwen. Hoeveel vernietigende kracht gaat er niet uit van de zelfzucht, van egoïsme en/of egocentrisme. En juist voor dat 'ego', dat 'zelf' van de mens, heeft het liberalisme gekozen... 'dan dooft het licht'.

Voor het socialisme, met zijn aandacht voor het sociale, voor de gemeenschap, lijkt de verklaring moeilijker. Hoewel, ook zij pousseert de individuele mens, zij het onder de noemer 'gelijkheid'.

"Zo is bijvoorbeeld de 'sociale' wetgeving steeds meer op de individuele mens gericht, los van de verbanden waarin deze functioneert. We krijgen met een 'atomisering' van de samenleving te maken. Mede daardoor valt waarschijnlijk de toenemende vereenzaming in onze westerse wereld te verklaren" (Dengerink, 1980, pag. 68; cursivering van mij).
In een commentaar op het voorontwerp van wet 'Gelijke Behandeling' (de zgn. antidiscriminatiewet), toegespitst op de randvoorwaarden die de wet stelt voor het
werven van personeel, schrijft Dengerink verder: 'Dat wil zeggen, dat het wettelijk verboden zou worden om datgene te onderscheiden (discrimineren) wat op ethische, gerechtigheids-, sociale, economische en (mogelijk ook) geloofsgronden onderscheiden is. Op deze wijze is men bezig in naam van de gelijkheid de menselijke persoonlijkheid en de samenleving waarin hij leeft en werkt, te amputeren of, nog verdergaand, in het hart aan te tasten ...
We kunnen er zelfs aan toevoegen, dat men op deze wijze door de wet tot liefdeloosheid kan worden gedwongen!' (a.w., pag. 68; cursiveringen van mij).

Men lette op de conclusie(s). Ook de 'tiran' van de gelijkheid doet 'het licht doven'.
Bij beiden, socialisme en liberalisme, hebben we te maken met de autonoomverklaring van de mens. Hij is zichzelf tot wet. Daarmee worden - uitgesproken of niet God's geboden terzijde geschoven. Beiden leiden tot nihilisme. Of dat nu machtsnihilisme of vrijheidsnihilisme is, maakt weinig verschil. Het is normloosheid, de mens en de wereld (de schepping) tot schade! Daarom tot slot van deze paragraaf een citaat uit Van Riessen, Mondigheid en de machten: "Dit is dacht ik de samenvatting van de nihilistische toestand, dat de liefde verkoelt. Deze liefde is nl. de inhoud van het grote gebod, van de omvattende norm. Wie God niet liefheeft, kan zijn naaste niet waarlijk liefhebben, al was het alleen maar omdat hij niet meer weet wat een naaste is, wie een mens is. Een aftreksel van liefde is dan toch nog mogelijk. Maar als het gebod als zodanig verdwijnt over de horizon, dan loopt ook deze rest van liefde leeg. De ander, zegt Sar/re, dat is de hel. Zover gekomen, kan men zelfs dit deel van het tweede gebod, dat men zichzelf moet liefhebben, niet meer handhaven. De mens wordt dan innerlijk verscheurd door de spanning van de zelfzucht en de zelfvervreemding, van de zelfhandhaving en de zelfvernietiging. Zo zijn de mensen niet, althans voor het merendeel niet, zal de lezer opmerken".

Nee, nóg niet, Gode zij dank.

Literatuur, waarnaar in dit artikel verwezen is:
- J. D. Dengerink e.a.: De rechtsstaat in geding (themanummer van het blad Beweging) 1980, oktober, Maarssen, Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.
- J. Klampwijk: De dialektiek der Verlichting. 1976, Assen.
- H. van Riessen: Maatschappij der Toekomst. 1952/1973, 5e druk, Franeker.
H. van Riessen: Mondigheid en de machten, Amsterdam.

Na het slotartikel volgt een uitgebreider literatuurlijst je.


Noot:
1) Zie o.m. J. Klapwijk, Dialectiek der Verlichting, 1976

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief