Edom
1983-12-23
Edom is het land waar de nakomelingen van Esau wonen. Esau, die zijn eerstgeboorterecht aan Jakob verkoopt, hoort van zijn vader Isaäk dat hij zal moeten gaan wonen in de minder vruchtbare streken. Hij krijgt toegewezen het gebergte Seïr, waar de Horieten wonen die hij dus moet gaan verjagen (Deut. 2 : 12, 22). Het gebergte Seïr ligt tussen Sinaï en Kades (Deut. 1 : 2). De grensberg tussen Edom en Israël is de Kale Berg (Jos. 11 : 17; 12: 7).- Jaargang 27
- nummer 46
De Horieten worden door de Edemieten verdreven (zie o.a. Gen. 36; Deut. 2). In Gen. 36 worden een aantal nakomelingen van Bsau genoemd, vgl. 1 Kron. 1 : 43-54.
De Edomieten wonen dus in het door hen veroverde gebied als de Israëlieten vanuit Egypte door de woestijn trekken. Een vreedzame doortocht wordt hen geweigerd (Num. 20 : 14-21). Edorn legt tegenover Israël dus duidelijk vijandigheid aan de dag, maar desondanks wordt in Deut. 23 : 7 gezegd dat de Edomiet door Israël niet mag worden verafschuwd, omdat hij Israëls broeder is. God blijft Edom zien als een broedervolk.
De stam Juda krijgt in het land Kanaän een gebied toegewezen dat grenst aan Edom (Joz. 15 : 1). Herhaaldelijk is er oorlog tussen Israël en Edom. Zoek de hierna genoemde bijbelplaatsen 'eens op en ga na wat er precies aan de hand was: 1 Sam. 14 : 47; 2 Sam. 8 : 13, 14; 1 Kron. 18 : 13; 1 Kon. 11 : 14 e.v. (hier wordt ons verteld dat David alle mannen en jongens van Edorn doodde, maar dat Hadad wist te ontsnappen; deze Hadad keert later terug naar Edom en wordt dan de tegenstander van Salomo); 1 Kon. 22 : 48; 2 Kon. 8 : 20-22; 2 Kron. 21 : 8-10; 2 Kon. 14 : 22; 2 Kron. 26 : 2; 2 Kon. 16: 6; 2 Kron. 28 : 17.
De strijd tussen Israël en Bdom gaat door totdat beide volken onder de macht van Assur komen. Tijdens Nebukadnezar, als Juda ondergaat in de strijd tegen deze vorst, is Edom onafhankelijk en is er een koning in Edom (Jer. 27:3).
De Edomieten hebben leedvermaak omdat het Juda slecht gaat (Ps. 137 : 7; Klaagl. 4 : 21, 22; Ez. 25 : 12-14. Dit kan God niet verdragen en daarom wordt aan Edom herhaaldelijk gezegd dat Gods oordeel over Edom nabij is (Amos 1 : 11 en Obadja).
Edom waant zich echter machtig doordat het zelfs gebied van Juda in bezit neemt (Ez. 35). De profetie van Obadja is geheel gericht tegen Edom. Om hun leedvermaak over de ellende van Gods volk zullen ze worden gestraft (Obadja: 12). Evenals Maleachi wijst Obadja op de totale verwoesting van Edom (vers 10). Dwars door de oordeelsprofetie over Edom loopt de profetie van troost voor Gods volk. Lees b.v. Obadja eens vanaf vers 15. Dat volk heeft God immers in zijn handpalmen gegraveerd (Jes. 49 : 16).