Onzalig zoeken

1976-11-26
  • Jaargang 20
  • nummer 46
Onder deze titel schrijft H. P. de Roos in het laatste nummer van Ambt en Plicht. het maandblad Van het G.M.V. en G.S.E.V., een artikel, waarin hij een toespraak bespreekt van de christelijk-gereformeerde predikant T. Harder. Ik heb leze toespraak niet gelezen, zodat ik de geleverde kritiek voor kennisgeving aanneem.
Het gaat mij er om, dat De Roos zijn artikel begint met de bekende zin uit de geloofsbelijdenis, waarin wordt gezegd, dat buiten de kerk geen zaligheid is. Hij zegt o.a.: “En wanneer men het eenvoudig niet kán geloven dat binnen valse kerken, scheurkerken of secten geen zaligheid te zoeken of te vinden is. onder de sussende redenering dat toch al die mensen ook trouwe gelovigen zijn, daar wordt deze uiterlijke schijn eer tot basis der belijdenis gemaakt dan het geloof in zaken die niet gezien worden."
En aan het slot zegt De Roos nog: ‘t Klinkt hard, maar we moeten het toch zeggen: dit is ver van de zaligheid die God heeft bedoeld voor zijn volk (hij doelt hier op de inhoud van de toespraak - v.W.). Een zaligheid die dan ook alleen in de kérk te vinden is. Niet in kerken, die de revolutie toelaten in hun leer, de tucht niet handhaven of zelfs misbruiken. Gaat uit van haar, mijn volk.
Voordat die kerken geheel aan Babylon zijn toegevallen."

Zo. dat weten we dus. 'k Geloof niet dat ik de schrijver misversta, als hij bedoelt te zeggen, dat buiten de vrijgemaakte kerken binnen verband geen zaligheid is.
Als ik me vergis, moet hij het maar duidelijk zeggen. De vraag blijft dan: Stel. dat dat eens waar is - dat er buiten het kerkverband van de vrijgemaakte kerken geen zaligheid is - wat moeten dan al die gelovigen die ongeveer zeven jaar geleden deze kerken werden uitgestuurd?
Of waren ze allemaal ongelovigen?

Prof. Dr. K. Schilder heeft over “buiten de kerk geen enkele zaligheid" ook eens geschreven. In De Reformatie van oktober 1948. kort na de vrijmaking dus. De betreffende artikelen zijn opgenomen in de verzamelde werken, De Kerk. deel III. blz. 244 e.v.
Schilder zegt dan het volgende:
“Een der belangrijkste vingerwijzingen, die het zinnetje helpen verstaan. en ons naar art. 27 terug leiden, is de Uitdrukking in art. 28. dat deze heilige bijeenkomst (coetus) en vergadering (congregatie) een bijeenkomst is van “seroandi", In onze Nederlandse geloofsbelijdenis staat: een vergadering dergenen die zalig worden. Maar de goede vertaling zou zijn: "dergenen die zalig moeten worden"; “dergenen, die voor de zaligheid bestemd zijn", “der cendideten-voor-behoud", Dit brengt ons midden in de kwestie. Want nu wordt de kerkvergadering gezien als een werk van God. dat altijd nog aan den gang is, en dat eerst een einde neemt aan het eind der dagen. God heeft in Zijn besluit de uitverkorenen ten eeuwigen leven Zich gekozen; Hij legt nu, ter executie van Zijn besluit, in den tijd alles er op aan, dat de roeping door het Evangelie zal uitgaan, dat de Geest Zich zal paren bij het Woord, en dat zo successief degenen, die behouden moeten worden, ook werkelijk bijeenkomen doordat Hij ze zijeenbrengt,"
En dan die velen, die hier op aarde de kerk voorbijlopen en zich ophouden in allerlei secten?
..... als ze sterven haalt God ze toch thuis? Als hoeren en tollenaren kunnen voorgaan, dan kunnen ook mensen, die met de normen van het vierde gebod veelszins op gespannen voet stonden, anderen voorgaan. De vergadering der kerk gaat niet buiten de aarde en de tijdelijke samenleving hier beneden om, maar gaat daar ook niet in op.
De overledenen hebben vóór hun sterven misschien veel en hinderlijk tegengestribbeld; zij zijn ook door ontzaglijk veel misverstand en zondige leer misleid, hun participatie in en hun relatie tot Gods universelen kerkbouw was hier beneden - gelijk in alles - ook maar een klein beginsel der toch vereiste gehoorzaamheid.
Maar ze komen thuis: God houdt Zijn “servandi" in het oog en brengt ze in den groten hoop, hierboven van fout en zonde verlost. Zij zijn dan ook door den Geest Gods geheiligd en verzegeld (art. 27). De wijze daarvan is zeer verschillend; maar het heiligen en verzegelen (dat wil zeggen: bewaren tegen hetgeen hen aan Gods vergaderwerk uiteindelijk zou onttrekken), dát gaat zeker door.
Men ziet: het is alles even eenvoudig als wonderbaarlijk.
En ik geloof niet, dat er iemand onder onze lezers is, die nu nog enige moeite heeft met de woorden, dat buiten deze nog aan den gang zijnde vergadering geen enkele zaligheid, geen enkel heil is."
Op de vraag, of onze kerkgang dan eigenlijk onbelangrijk is, antwoordt Schilder terecht, dat die wel van belang is. Ook, dat het van belang is, wáár we samenkomen.
Dat is niet onverschillig. Maar daar ging het nu niet om.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief