Kerk en Tegenkerk

1976-12-10
  • Jaargang 20
  • nummer 48
Een paar maanden geleden is er een studie verschenen die onze bijzondere aandacht verdient. Ik wil daarover nu een en ander zeggen. Maar ik wil beginnen met een excuus aan de schrijver, omdat dit artikel zo lang uitbleef. Ik meende dat enkele actuele zaken éérst besproken moesten worden. En daarom bleef de bespreking van wat hij ons bood lang, te lang achterwege, Het enige voordeel van deze verlate reactie Is dat, nadat er reeds een paar goede recensies van zijn werk verschenen zijn, nog weer eens de aandacht op zijn geschrift wordt gevestigd.
De studie waarop ik het oog heb is er een van de bij velen bekende broeder C. Lentink. Zij werd onder de titel Kerk en Tegenkerk, Pinksteren en "Pinksterbewegingen"
in het licht gezonden. De titel van deze studie wijst duidelijk aan waarover het daarin gaat, namelijk over de Pinksterbeweging. Of, juister gezegd zoals ook de schrijver het doet, over de Pinksterbewegingen, meervoud. Er zijn er namelijk heel veel, leder meelevend christen weet van die Pinksterbewegingen, wel iets af. In ieder geval dat ze bestaan. En dat ze een enorme vlucht hebben genomen in de loop der jaren, De oorsprong ervan ligt - men zou bijna kunnen zeggen: zoals van zelf spreekt - in Noord-Amerika. In 1906 ontvingen in een methodistische negerkerk in Los Angeles christennegers, zoals dat gezegd wordt, de "Geestesdoop".
Ze raakten in extase en begonnen in tongen te spreken. Onder de aanwezigen bevond zich een Noorse methodisten-predikant die de beweging naar Europa overbracht. Ze begon in Noorwegen en sloeg al gauw over naar Zweden en Duitsland. Soms werd de extase in de samenkomsten zo geweldig dat het tot excessen als stuiptrekkingen en huilbuien kwam! En dat soms zelfs op een zó ergerlijke wijze dat de politie moest ingrijpen. Gematigde elementen verzetten zich daartegen en zo kwam het tot een groot aantal meer "normale" Pinksterbewegingen.
Een typisch kenmerk van de onderscheiden Pinksterbewegingen is dat men twee soorten christenen onderscheldt. Er zijn christenen die alleen maar wedergeboren zijn door de Heilige Geest. Maar er zijn ook christenen die tot een hogere trap doop. En dat betekent o.a. dat ze in tongen gaan spreken, als gebedsgenezers opopklimmen.
Zij ontvangen de Geestestreden enz. Zelfs zijn er Pinkstergroepen die betogen dat men, dank zij die doop met de Heilige Geest, kan komen tot volmaaktheid, tot volkomen zondeloosheid.

Lentink heeft zich nu op indringende wijze met deze Pinksterbeweging en bezig gehouden en, bewogen met hen die er door gegrepen zijn, heeft hij zich gezet tot een toetsing daarvan aan de Heilige Schrift.
In zijn studie bespreekt hij eerst het gebeuren op de grote Pinksterdag in Jeruzalem.
Daarna gaat hij aan de hand van de brieven van Paulus na wat men onder glossolalie - "tongenspreken" - moet verstaan. Daarbij komt hij na een zorgvuldige overweging van de gegevens daaromtrent tot de m.i. volkomen juiste conclusie, dat als zij werkelijk Geestvervoering is, zij nooit gemeengoed is, maar een gave van de vrijmacht van de Geest, niet kenmerkend voor de gemeente, noch van wezenlijke betekenis voor haar. En dat zij alle roem en zelfverheffing bij de wortel afsnijdt.
Lentink beëindigt dit hoofdstuk met een prachtige uitspraak van Bavinck die ik de lezers niet wil onthouden. Bavinck zegt daarin nl. dat de "schone verhandeling", die 1 Cor. 14 ons over de geestesgaven geeft, haar betekenis blijft behouden voor alle eeuwen. "Want telkens treden er weer personen en partijen op, die aan buitengewone verschijnselen, aan openbaringen en wonderen groter waarde hechten dan aan de werkzaamheid van de Geest in wedergeboorte, bekering, en vernieuwing des levens. Het abnormale trekt de aandacht, en het normale blijft onopgemerkt; men dweept met verschijningen, zielsvervoeringen en opzienbarende buitensporigheden, en sluit voor de langzame gestadige wasdom van het Godsrijk het oog." Deze zin is onbedoeld - de scherpste kritiek op de Pinksterbewegingen die denkbaar is.
In het derde hoofdstuk bespreekt de schrijver de wijze waarop volgens de Heilige Schrift de Zoon van God zijn gemeente vergadert. Een boeiend door en door Schriftuurlijk opstel.
Daarna komt een verhandeling over de charismata, de bijzondere Geestesgaven.
Als ik daarvoor ruimte had zou ik daaruit graag stukken citeren. Ik wil hier alleen het ontroerende, scherpe en troostvolle slot weergeven. Het is dit: "Deze onvolmaakte kerk, waarin ook bij de ware Christ-gelovigen het "vlees" - de zelfzucht - begeert tegen de Geest; waar genade geen "erfgoed" is; waar schijnchristenen zich breed kunnen maken en hypocrieten kunnen woelen; waar de valse profetie haar invalspoorten heeft; waar kwade herders de schapen van Christus kunnen maltraiteren en luie dienstknechten, verzuimend de gave die in hen is, met vlakke preekjes en routinestichtelijkheid de gemeente in slaap kunnen wiegen; deze onvolmaakte kerk is steeds weer voor mensen, die hun oog afwenden van Jezus Christus, Die door zijn Geest in die kerk woont en werken wil een ergernis geweest, een verwerpelijke zaak ... "
Het is de lezers al wel duidelijk geworden dat ik deze studie van Lentink met grote dankbaarheid aanvaard en ze van harte aanbeveel. Ze leent zich voortreffelijk voor bespreking in bijbelkringen.
En zo'n bespreking is dringend nodig nu in allerlei vorm de Pinksterbeweging in de kerk infiltreert.

Na dit alles gezegd te hebben wil ik ook nog een paar opmerkingen maken over deze van een zeer grote en diepe kennis van de Heilige Schrift getuigende studie.
Op pagina 3 zegt de schrijver dat de 120 die 't grote Pinkstergebeuren beleven niet spreken over hun "ervaring" doch over het Heilsfeit dat geschied is. Dat is volkomen juist. Maar ik zou het graag nog wat concreter gezegd willen hebben, omdat het in Hand. 2 ook concreter gezegd wordt! Het gaat in het Pinkstergebeuren vóór alles om een persoon, om de Persoon, om de verhoogde Christus, DIE heeft dit alles uitgestort wat gij nu ziet en hoort, zegt Petrus. Tegenover de afschuwelijke verzakelijking van het geloof, van de "geloofsinhoud", is het van grote betekenis er steeds alle accent op te leggen dat, om met Bavinck te spreken, Jezus Christus, de levende Heer het een en het al in het Christendom is en het geloof vóór alles de levende gemeenschap met Hem is.
Op pag. 34 zegt Lentink dat als Paulus zijn brieven schrijft aan de gemeente Mattheüs en Marcus reeds hun Evangeliebeschrijvingen hebben gegeven.
Dat is in zijn algemeenheid niet juist. De gang van de geschiedenis der nieuwtestamentische openbaring is namelijk deze: Eerst is er de mondelinge prediking van het Evangelie door Jezus, daarna èie van de apostelen en hun helpers. Vervolgens werden successief de brieven geschreven.
En daarna de evangeliën van Marcus, Mattheüs, Lukas en Johannes.
AI moet hierbij worden gezegd dat de tijdsgrenzen tussen deze drie fasen van de nieuwtestamentische Godsopenbaring niet scherp zijn te trekken, Prof. Grosheide heeft over deze Openbaringsgang een - m.i. zijn beste - rede gehouden.
Ik wil ook nog wat opmerken over wat de schrijver zegt over het begrip "wereld" op pag. 45. Het is uiterst moeilijk de bijbelse begrippen precies te omschrijven.
Prof. De Groot maakte eens de fijne opmerking dat die veel lijken op kwikdruppels! Als je er naar kijkt zoals ze daar liggen zie je ze duidelijk en schitteren ze prachtig, maar je kunt ze erg moeilijk grijpen! Je zou een hele brochure nodig hebben om te beschrijven wat b.v. het woord "kosmos" betekent, In Hand. 17 : 24, vgl. ook 1 Cor. 3: 22; 8: 4; Joh. 21 : 25 duidt het heel het geschapene aan, In 1 Tim. 6: 7 de aardkring, de aarde. evenzo in Matth. 4: 8.
Heel dikwijls is het de aanduiding van de mensheid. Zo b.v. in Matth. 13: 38; 18 : 7; Joh, 1: 10; Joh. 1: 29, ik meen ook in Joh. 3: 16; zeker in Joh. 14: 31; 17: 21 "opdat de wereld (mensheid) wete dat ik de Vader liefheb"; "dat Gij mij gezonden hebt". Evenzo in Joh. 8: 112: "Ik ben het licht der wereld" en in Joh. 4: 42. Vaak betekent wereld ook: de mensheid in dit wereldtijdperk. d.i. de zondige mensheid, de mensheid met het levensgevoel, de wilsrichting die uit de door de zondeval ontstane wereldwanorde stamt, m.a.w. de aan God vijandige mensheid. Deze betekenis komt vooral in het evangelie van Johannes voor: Joh. 7 :7: "U kan de wereld niet haten, maar Mij haat ze." Precies zo staat het met "wereld" in 15: 18, 19; 16: 20, 16: 39, Satan heet de "overste van déze "wereld", 12: 31; 14: 30; 16: 11. Het: "de gehele wereld ligt in de (niet, het) boze" uit 1 Joh. 5 : 19 wil zeggen dat de gehele mensheid van dit wereldtijdperk zich in het machtsgebied van Satan bevindt, Tenslotte betekent wereld vaak: de som der op aarde in haar tegenwoordige toestand voorhonden goederen, genietingen, rijkdommen, eerbewijzen, gemakken en mogelijkheden. Joh. schrift, 1 Joh. 2: 15, vgl. ook 16: "Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is."
In hoe verschillende betekenissen het woord "wereld" in het N.T. wordt gebruikt, altijd betekent het een geheel, iets gezamenlijks, iets omvattends. Als Jezus zegt: "Alzo lief heeft God de wereld gehad" duidt dat er op dat het God bij de verlossing niet gaat om de enkele ziel en niet om religieuze ervaringen in kleine kring - het woord heeft een wereldhorizon.
Niet maar enkele zielen worden gered, neen, de verlossing heeft wereldformaat.
Christus wordt daarin aangeduid als de redder der mensheid, die de nieuwe wereldtijd brengt en, wiens wederkomst de voleinding der wereld brengt.

Deze opmerkingen doen niets af aan de waarde van en mijn waardering voor deze studie die èn vanwege de actualiteit van het daarin behandelde thema èn de wijze waarop dat geschiedt grote waardering verdient.
Laat ik er nog bijvoegen dat men deze studie voor de luttele prijs van f 8,50 franco toegezonden krijgt na storting van dit bedrag op het gironr. 837968 van de schrijver, Leopoldlaan 22, Nunspeet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief