De Messiaanse verwachting gesymboliseerd in de tempelbouw 1)

1976-12-17
  • Jaargang 20
  • nummer 49
2 Sarnuël 7 en 1 Kronieken 17 --- de twee parallel lopende hoofdstukken, die vertellen, hoe de grote messiaanse belofte aan het huis van David gegeven is. De geschiedenis begint met het vertederende verhaal, dat David en Nathan het voor de Here zo zielig vinden, dat terwijl de koning in een cederen paleis woont, zijn ark verblijft onder een tentkleed.
Vanuit een zekere gearriveerdheid --- David heeft rust van alle vijanden rondom --- wordt omgezien naar de Here, die als het ware bij deze ontwikkeling ten achter gebleven is.

Het is allemaal wèlgemeend en lief bedacht, maar het is niet zo vreemd, dat in het vervolg van de geschiedenis de ijverzucht van de Here, de God van Israël, om zo te zeggen, losbarst. Want de allerheerlijkste dingen worden in deze hoog-messiaanse hoofdstukken gezegd, maar vergis u niet: ze worden op een gloeiende toon gesproken. Het bekende woord uit Jesaja 9 klinkt er in door: de ijver van de Here der heerscharen zal dit doen. Immers, Gods eerzucht is hier geprikkeld: Is het nu Israël dat zorgt voor Gods huis, Gods rust, Gods eindbestemming, of is het de Here God, die met Israël onderweg is naar Zijn Vaderhuis, Zijn huis met de vele woningen. Zijn voltooide koninkrijk?
Toch dit laatste. En vandaar de grote omkering, die in dit verhaal plaatsvindt. Vers 5: "Zo zegt de Here, zoudt gij voor Mij een huis bouwen. om in te wonen?" En vers 11: "Ook kondigt de Here u aan: de Here zal u een huis bouwen".
Behalve omkering: Ik (de Here) --- voor --- u in de plaats van gij (David) - voor - Mij. treft hier ook de overgang in de betekennis van het woord "huis". De ene keer, in Davids plan, is "huis" het stenen gebouw van de tempel.
De tweede keer, in het antwoord van de Here, is “huis" het huis van vlees, de dynastie die uit David is voortgekomen, met Jezus Christus als het lichtende eindpunt.
Rond deze twee betekenissen van het woord huis is ook één van de psalmen opgebouwd, de honderdzevenentwintigste: "Zo de Here het huis niet bouwt ... "
Daar gaat 't over het stenen huis, waar bouw lieden aan te pas komen.
Een mens spant zich daarvoor in in het zweet zijns aanschijns, is vroeg op, gaat laat naar bed, hij werkt voor z'n toekomst, z'n rust. Maar als de Here dat niet zegent, is alles tevergeefs, onderworpen aan ijdelheid. Zo de Here het huis niet bouwt….
Maar hoe bouwt de Here dan het huis? “Hij geeft het Zijn beminden in de slaap; zie, zonen zijn een erfdeel des Heren….” Langs de weinig presteerderige weg, die wij de slaap, of ook wel de bijslaap noemen, waarbij de man en de vrouw gelijkelijk ontvangende partij zijn, bouwt de Here het huis, brengt Hij de mens tot zijn bestemming.
Deze psalm (127) is ook messiaans, omdat kinderen op zichzelf niet zomaar bouwstenen voor God zijn. In Davids huis zijn ook wel kinderen geboren, die de dynastie bepaald niet verder gebracht hebben. Denk aan Absalom, denk aan Adonia. Het gaat in zo’n psalm als de honderzevenentwintigste op ’n verborgen wijze om het kind onder de kinderen, dé zoon onder zonen; om degene, die werkelijk onze pijlkoker vult, die werkelijk ons weerbaar maakt, zodat we niet beschaamd worden, als we spreken met de vijanden in de poort (Ps. 127: 4, 5).
Terug naar de geschiedenis van 2 Sam. 7 en 1 Kron. 17. David neemt zich voor, voor God een huis te bouwen. Je zou kunnen omschrijven: hij wil Gods koninkrijk doen komen. Maar de Here God zegt: nee David. Ik zal Zélf Mijn koninkrijk doen komen.
Daartoe bouw Ik jouw huis, jouw dynastie.
Wordt Davids aktiviteit daarbij dan helemaal uitgeschakeld? Ach nee, maar die ingeschakelde aktiviteit van David is er een, waarbij je niet kunt nalaten te glimlachen.
Het is namelijk zijn slaap, zijn bijslaap. En nu is het wel zo, als je een jong getrouwde man naast zo'n hoogzwangere vrouw ziet voortstappen, dan is er de trots van "kijk mij nou". Maar spreek je de jonge vader direkt na de geboorte, dan is alle prestatiegevoel van hem afgevallen. Je ontmoet dan meer een klein kind, dat een geschenk ontvangen heeft, waarvoor z'n handjes te klein zijn.
Vaderen moeder zijn beide ontvangende partij. Aktiviteit? Prestatie?
Ja, hoor, zegt God, en z'n ogen lachen: Ik zal jou een huis bouwen.

Zo heeft God Davids huis gebouwd met zonen. Maar ook hier ging het onder de zonen om dé zoon. Hierkan ik wijzen op een belangwekkend verschil tussen die twee hoofdstukken, die ik tot dusver samen nam: 2 Sam. 7 en 1 Kron. 17. Een belangrijk verschil in de aankondiging, die de Here aan David doet. Ik citeer: “Ook kondigt de Here u aan: De Here zal u een huis bouwen. Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen ter ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal Mijn naam een huis bouwen en Ik zal zijn koninklijken troon voor immer bevestigen. Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn. Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen. Maar mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul, die Ik voor uw aangezicht heb weggedaan.
Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht. uw troon zal vast staan voor altijd".
Slaan we nu 1 Kron. 17 op, dan treffen we daar dezelfde aankondiging aan, maar met opmerkelijke verschillen. Ook daar staat: "Ik zal uw nakomeling doen optreden", maar dan wordt er niet aan toegevoegd: "uw eigen zoon", maar "één van uw zonen". Nog opvallender is, dat er een belangrijke zin wegvalt, deze: "wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen".
Deze verschillen mogen we zo uitleggen. dat in 2 Sam. 7 meer direkt historisch gesproken wordt.
Davids eigen zoon is daar Salomo, de tempelbouwer. en over hem heen wordt tegelijk gelet,op de reeks van David-zonen, die na hem is opgetreden. Onder die waren zeer onwaardige troonopvolgers, die God inderdaad heeft moeten tuchtigen en straffen.
Bedenk maar eens, hoe dat in de ballingschap gebeurd is.

Dezelfde toon als in 2 Sam. 7 wordt aangeslagen in Psalm 89, een lied waarin ook terug gekeken wordt op de concrete en hachelijke geschiedenis van Davids dynastie, tot en met de ontluistering ervan in de ballingschap. Het eigenaardige is in deze psalm. dat de Here God het huis van David met zware straffen bedreigt in geval van ongehoorzaamheid, maar tegelijk zegt, dat Hij Zijn goedertierenheid er niet aan zal onttrekken. Die dubbelheid wordt opgeroepen door het feit, dat in het huis van David dé zoon nog onder de zonen verborgen is. Dé zoon, om wie het in het huis van David gaat, in wie God tot Zijn huis, Zijn rust komt, onderscheidde zich nog niet duidelijk van de zonen. onder wie er geweest zijn, die zeer onmessiaans geregeerd hebben.
Maar 1 Kron. 17 is eeuwen later geschreven. De ballingschap is dan lang achter de rug. Als dan de belofte aan David nog eens onder woorden wordt gebracht, staat niet meer de concrete geschiedenis van Davids dynastie voor de aandacht.
Die is allang verleden tijd. Er zitten geen David-zonen meer op de troon van Israël, niet die het goed doen en niet die het slecht doen.
En de verwachting heeft zich dan ook van die concrete geschiedenis wat losgemaakt. Er is een tijd geweest in Israël, de tijd der koningen, dat bij iedere nieuwe koning op Davids troon als 't ware gevraagd werd: is hij degene die komen zou, of moeten wij een andere verwachten?
Maar in de tijd van Kronieken stelde men die vraag niet meer.
Men begreep dat men inderdaad een andere moest verwachten.
Nog niet op z’n allerduidelijkst, maar toch duidelijk is bij Kronieken de zoon der verwachting tegenover de andere zonen gesteld. “Een van uw zonen", heet het nu wat afstandelijk.
En het besef is ook aanwezig, dat deze verwachte zoon niet meer bedreigd behoeft te worden met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen wegens zijn ongehoorzaamheid. Hij zal de ware Davidide zijn, de betrouwbare, het heilige zaad.
Daarom laat Kronieken die bedreigende zin dan ook weg.
Juist als we deze twee hoofdstukken met elkaar vergelijken, 2 Sam. 7 en 1 Kron. 17, merken we, hoe Israëls profeten bezig zijn geweest met de grote Davidsbelofte.
Deze belofte zelf heeft een geschiedenis doorgemaakt. Er is aan gewerkt. Betekent dit: er is mee geknoeid? Nee, langs de weg van het gelovig er mee bezig zijn, heeft Gods Geest de ogen geopend voor telkens nieuwe diepten in deze belofte. Zo maakte met de voortgang van Israëls geschiedenis de gelovige verwachting zich langzaam los van het Davidshuis, zoals het concreet in de historie was opgetreden. Het besef brak door dat men voor dé zoon van David niet de baan van de successieve Davidskinderen moest afkijken -- wat uit het vlees geboren was, was vlees! - maar dat de blik opwaarts gericht moest worden naar de Gód van deze belofte. Hij, de Here, moest in het huis van David wel op 'n zeer speciale manier gaan bouwen om de ware Davidszoon te brengen, Jezus Christus. Hij moest dat zó doen, dat op een volkomen wijze in vervulling ging wat in Psalm 127 staat: Hij geeft het Zijn beminden in de slaap. Niet eens meer in de bijslaap, nee, echt, in de slaap. Zoals Adam zijn Eva gekregen heeft in een diepe slaap, dat wil zeggen als puur geschenk.
Zoals God Zijn verbond met Abraham sloot in de slaap, d.w.z. als puur geschenk. En zoals Christus geworsteld heeft, toen de jongeren sliepen. Er was geen inbreng hunnerzijds. De Davidszoon is geschenk van boven, verwekt toen Jozef sliep. Hij is maagdelijk geboren, het door God gebouwde huis, waarin Hij woont met de Zijnen.

1) Voordracht, gehouden voor de E.O.- (radio) op 5 november 1976.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief