Kerstfeest in Abraham’s tent

1976-12-24
  • Jaargang 20
  • nummer 50

“Gods belofte wordt heerlijk vervuld", zegt het meest bekende kerstlied. 'Gods belofte' - dat is het Oude Testament, en 'heerlijk vervuld' - dat is het Nieuwe Testament. Maar weet u, dat het Oude Testament ook al van de heerlijke vervulling vertelt? Dat gebeurt bijvoorbeeld in Genesis 21 : 1-7, waar ons verhaald wordt van de eerste vervulling van wat de Here God belovend tot Abraham gesproken had. De verhaler heeft er de moeite voor genomen, ons dat te berichten. Hij heeft daar bij stil gestaan en dóet er ons bij stil staan. Er is van dit stukje proza werk gemaakt. Het is immers de eerste vervulling? De eerste zwaluw, die nog wel geen zomer maakt, maar toch zegt, dat de grote zomer komt en dat wie op de vervulling van Gods belofte wacht, niet beschaamd zal uitkomen.

Er is wat van dit stukje gemaakt, zei ik. Daarbij heb ik vooral het oog op de eerste zin: “De HERE bezocht Sara, zoals Hij gezegd had en de HERE deed aan Sara, zoals Hij gesproken had." Deze zin is een zeldzame parel in heel de Abraham-geschiedenis. Het verhaal van Genesis heeft als doorlopend kenmerk een gedrongen vertelvorm, er staat niets overbodigs in. De woorden worden aangedreven door een sterke, voorwaartse drang. Elke zin is om zo te zeggen het kind van de vorige en de moeder van de volgende. We komen langs weinig rustpunten. Des te opvallender is daarom het eerste vers van dit hoofdstuk: een zin die door zijn herhahnq rustig in- en uitademt en door zijn opbouw tot ons zegt: let op. hier even uitblazen!

De zin heeft bovendien iets dichterlijks. We zijn het verschijnsel wel gewend uit het psalmboek: de dubbele zin, waarvan beide helften met het gezicht naar elkaar toestaan en elkaar aanvullen. Een voorbeeld: 'Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt en door de adem zijns monds al hun heer'.
Dat is verheven taal, dat is verhoogde toon. Deze dichterlijke zin van vs. 1 geeft daarom aan de vertelling iets feestelijks.

Wat gebeurt er dus in het begin van hfdst. 21? De anders zo zwoegend voorover gebogen woorden van het Genesis-verhaal gaan overeind staan, strekken hun leden, stellen zich op in een kring en voeren een rondedans uit. Het pelgrimerende woord rust uit en viert feest. 'Door de wereld gaat een woord en het drijft de mensen voort', zegt een gezang. Hoe waar is dat in Genesis! De woorden zijn daar net als Abram, hebreeuws, trekkend, pelgrim erend. Maar dan opeens is er in de woestijn de oase van de vervuIling. En die wordt gevierd, ontspannen en uitbundig. Want het is bij God niet enkel beweging; er is ook hier al rust.

Dat er nu tijd is voor vreugde en feest blijkt ook uit de naam Isaäk.
Abraham geeft deze naam aan de geboren zoon, maar dat is niet zijn vondst. God had eerder deze naam vastgesteld. Hij is afgeleid van een hebreeuws werkwoord dat 'lachen' betekent. God Zelf, mogen wij zeggen, wil dat er gelachen wordt, als Hij Zijn beloften begint te vervullen. Dat wil Hij ook nu. De naam Isaäk trekt daarom een lachend spoor door de geschiedenis van het heil.
Als de Here denkt aan Zijn verbond en de grote toekomst een stukje naderbij brengt. dan wordt onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich (Ps. 126: 2). Zo heeft God het bedoeld. Dat weten wij uit de naam Isaäk, die geklonken heeft bij de eerste vervulling van de belofte.

Lachen trouwens hángt wel samen met vreugde. maar vált er niet mee samen. Er is vreugde zonder lach, zoals er lachen is zonder vreugde. De lach voegt daarom aan de vreugde iets toe.
Wie lacht van vreugde toont zich blij verrast door het onverwachte, dat niemand meer voor mogelijk hield. Zoals Sara in haar tweede woord bij deze gelegenheid zegt: "wie had aan Abraham durven toezeggen: Sara zoogt kinderen?" inderdaad, wie? Gods belofte staat meestentijds zo haaks op de werkelijkheid.
dat als er vervulling is, er tegelijk verrassing is. Meestal hebben wij dan ook, alvorens de bevrijdende lach losbreekt, eerst gelachen uit ongeloof - zoals ook Sara. (Gen. 19: 22 v.v.).

Maar valt het niet op, dat Sara in dit stukje Schrift zo met nadruk op de voorgrond treedt, terwijl Abraham hier meer een achtergrondfiguur is? "De HERE bezocht Sara, zoals Hij gezegd had en de HERE deed aan Sara, zoals Hij gesproken had." Zouden wij in deze verrukkelijke zin niet ook Abraham's naam verwachten?
En zouden wij in het slot, naast een woord van Sara, niet ook graag een woord van Abraham willen horen? Maar nee, twee woorden van Sara: "En Sara zeide ... ", "En zij zeide ... ". en Abraham zwijgt.

En wat het handelen betreft, Abraham dóet wel iets, maar zo kennelijk niet op eigen initiatief.
Hij noemt de naam van zijn Zoon - maar de Here had hem die vóórgezegd. En hij besnijdt zijn jongen - maar op Gods bevel.
Op de belangrijkste plaats in dit bericht ontbreekt zijn naam.
Want er staat in vs. 2 niet, zoals we dat naar de bekende zegging van de Schrift zouden verwachten: en Abraham ging in tot Sara en zij werd zwanger en baarde een zoon. Nee, alleen maar: “En Sara werd zwanger en zij baarde aan Abraham een zoon in zijn ouderdom." Eigenaardig!
Abraham, die wij steeds in de geschiedenissen van het boek Genesis in het middelpunt zien staan: je hoort hem spreken, je ziet hem handelen - hij is uitgerekend hier opeens de Jozef uit de evangelies geworden. de achtergrondfiguur, die als het kind geboren is, de naam geeft, de besnijdenis verricht en dan weer terugtreedt. Het is Sara die lacht, het is Sara die spreekt en het is Maria die zingt.

Dit zijn natuurlijk geen toevallige overeenstemmingen. Hier stuiten we op de regie van God. op de stijl van het Koninkrijk. Nee, het is hier in Abraham's tent nog niet de maagdelijke geboorte, maar een soort voorspel daarop.
De vader-figuur wordt hier al in vervagende trekken beschreven.
De zoon wordt aan Abraham geboren, zoals er een paar maal zo kenmerkend staat. De aartsvader is meer ontvanger dan verwekker. De Here wil van Abraham dan ook een besneden vaderschap, dat geleerd heeft de vervuIling van de belofte niet van de wil van het vlees en niet van de wil van de man, maar van God te verwachten. Zo treedt vader Abraham achteruit. 'Het kind en zijn moedr' - zij zijn hier de blikvangers.

Dit alles heeft in de heilige familie z'n vervuIling gevonden.
Ook daar stuiten wij op de vervulling van de belofte. Daar is het Kind. Jezus Christus, dat ons als Isaäk doet lachen. Daar is Maria, de - als Sara - blijde, zingende moeder, als beeld van de gemeente. En waar is Jozef?
Hij is, net als Abraham, teruggetreden.
En zij belijden daarmee, die twee, dat hun mankracht de belofte niet vervuld heeft. Dat heeft de Here gedaan. En Hij zal het ook definitief doen. Dan, op die grote dag, dan zijn ze allemaal, de Abraham's en de Sara's, de Jozef's en de Maria's, de mannen en de vrouwen, de sterken en de zwakken - ontvangende partij en zeggen lachend van vreugde: "De HERE heeft grote dingen bij ons gedaan", ps. 126.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief